1001 verhalen

De Dood moet iets bekennen

De Dood moet bekennen: ik heb nog nooit iemand doodgemaakt!

In de Upanishads staat een heel mooi verhaal. Een oude man, een schatrijke man, een brahmaan van de allerhoogste kaste, een groot schriftgeleerde, is bezig om cadeaus uit te delen aan andere brahmanen omdat hij weet dat hij spoedig zal komen te overlijden. Zijn zoontje, die Nachiketa heet, kijkt naar al die dingen die hij uitdeelt. Het is allemaal rotzooi, mensen geven dat soort dingen weg als cadeau. Ik heb cadeaus geobserveerd, ze blijven maar van hand tot hand gaan. Niemand doet er iets mee, ze zijn zo nutteloos dat je al rond gaat kijken aan wie je ze zal geven zodra je ze krijgt.

Hij had duizenden koeien, in die dagen waren koeien in India het symbool van rijkdom. Hoeveel koeien bezit je, dat was je bankrekening. Maar hij had de oudste koeien uitgezocht, die geen melk meer gaven. En in India is een oude koe een last. Je kunt haar niet doodmaken, want ze is je moeder. Ze geeft jou geen melk, maar je kunt je moeder niet laten verhongeren. Dat is niet religieus.
Het is ongelooflijk wat in het geschrift van Manu staat, dat nu nog steeds na vijfduizend jaar de Hindoe samenleving beheerst. Daar staat: ‘Een koe doodmaken staat bijna gelijk aan honderd onaanraakbaren, soedra’s, doodmaken.’ De koe is zo waardevol dat de misdaad opweegt tegen het doden van honderd soedra’s, de onaanraakbaren, de armen, de armsten ter wereld. En God zal het je wel vergeven als je honderd soedra’s doodmaakt, maar niet als je ook maar één koe doodmaakt.

Dus hij gaf oude koeien weg aan andere brahmanen en omdat de jongen onschuldig was kon hij niet zien waarom hij dat deed. Hij vroeg zijn vader: ‘Wat doet u nou? Deze mensen zijn al arm en ze lijden honger en u geeft ze oude koeien, waarvan ik heel goed weet dat ze helemaal geen melk meer geven. Het lukt deze arme brahmanen niet eens om twee maaltijden per dag bij elkaar te scharrelen. Hoe moeten ze die koeien dan gaan voeren?’
Hij bleef steeds maar weer aandringen, zozeer dat zijn vader er boos van werd. Hij zei: ‘Pas maar op, straks geef ik jou ook nog weg!’
Hij zei: ‘Aan wie geef je me dan weg?’
In zijn kwaadheid zei de vader: ‘Ik geef je aan de Dood.’

Terwijl de brahmanen allemaal voorbijkwamen, bleef hij wachten. Toen de ceremonie van weggeven voorbij was vroeg hij aan zijn vader: ‘Maar de dood is nog niet gekomen en u zou me aan de dood weggeven. Ik zal op zoek moeten gaan naar de Dood want in zekere zin heeft u me al aan de Dood gegeven in uw kwaadheid.’
De vader wist wel… ‘Waar moet hij de Dood nou gaan zoeken?’
Hij zei: ‘Dat is goed, ga jij maar zoeken. Als je hem kunt vinden, zal ik je weggeven…’

Het is een prachtig verhaal, hoewel het van hieraf allegorisch wordt. De kleine Nachiketa -een van de mooiste namen wat zoekers betreft – gaat overal aan iedereen vragen waar hij de Dood kan vinden. Totdat hij tenslotte bij het huis van de Dood aankomt. Maar de Dood is weggegaan om een paar mensen op te halen wiens tijd gekomen is. Dus komt hij zijn vrouw tegen. De vrouw, die een brahmaan van zo’n hoge kaste voor zich ziet -en zo’n onschuldig kind ook nog- vraagt of hij binnen wil komen.

Hij zei: ‘Nee, ik ga niet naar binnen als de Dood me niet uitnodigt. Ik blijf buiten zitten.’ De vrouw brengt hem eten en iets om te drinken. Hij weigert het. Hij zegt: ‘Ik blijf vasten totdat de Dood komt.’
Er zijn drie dagen voorbijgegaan en de vrouw maakt zich ernstig zorgen: het jongetje heeft nog niets gegeten, nog niets gedronken. Eindelijk komt de Dood terug en Nachiketa zegt: ‘Mijn vader heeft me aan u gegeven.’

De Dood zegt: ‘Maar jij bent te jong. Het is jouw tijd nog niet en je vader heeft niet het recht om je weg te geven. Als het jouw tijd is, kom ik je zelf wel halen. Je hebt zo’n lange reis gemaakt, onnodig, en je hebt zitten vasten. Zelfs ik leef met je mee. Wat kan ik voor je betekenen? Zeg jij het maar, je mag van mij drie wensen doen. Je mag al het geld hebben dat je wilt, je kunt een groot koninkrijk krijgen als je dat wilt, welke mooie vrouw je ook verlangt, je kunt haar krijgen. Wat je maar wilt, zeg het gewoon en ik doe het.’
Nachiketa zegt: ‘Als ik een koning ben, komt u dan wel of niet?’

En de Dood zegt: ‘Wat stel je een vreemde vragen. Uiteindelijk zal ik op een zekere dag moeten komen, of je nou een koning of een bedelaar bent.’
Hij zegt: ‘Dan heeft geen enkele zin om een koninkrijk te vragen. En de dood zal voor de rijkste man hetzelfde zijn. Aangezien u toch gaat komen zie ik geen enkele reden om iets van deze wereld te vragen. Ik zal u maar één vraag stellen: ‘Als u komt, ga ik dan echt dood, of is het maar een façade? Ga ik gewoon van lichaam wisselen zoals van huizen? U moet me de waarheid vertellen.’

De Dood is ten einde raad, want dit is zijn geheim. Maar beloofd is beloofd, dus zegt de Dood: ‘Het is heel moeilijk voor mij om je daar antwoord op te geven, maar tegenover zo’n onschuldige navraag moet ik wel eerlijk antwoord geven. Ik heb nog nooit iemand doodgemaakt. Ik heb gewoon hun oude verrotte lichamen, hun oude verrotte geesten vervangen en nieuwe lichamen aan hen gegeven.
En er zijn een paar die zo totaal en zo bewust geleefd hebben dat ze niet terug hoeven te komen in de wereld als een afzonderlijke entiteit. Zij krijgen niet opnieuw een lichaam. Zij krijgen van mij het hele bestaan om in te verdwijnen. Zij zullen in de kosmos zijn, niet als afzonderlijke eenheden, maar als één met het geheel…’

Daarop zegt Nachiketa: ‘Dan is er geen probleem. Ik hoef niet bang te zijn voor u. U bent gewoon niets anders dan een fictie. Zij die onbewust leven geloven dat u er werkelijk bent, zij die bewust leven weten dat u een fictie bent, gewoon uiterlijke schijn.’
   
Osho: Sat Chit Anand, p. 374-375.
Osho: The Message Beyond Words – A Dialogue with the Lord of Death.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti.
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com.  
Image by Tyli Jura from Pixabay.

Vorige verhalen


Het kind dat alleen wilde snoepen

 


De leeuw en het schaap

 


Een man in de bioscoop

 


Ryokan vergeet eten te halen

 


De gepensioneerde chirurg

Het kind dat alleen wilde snoepen

Wie ben jij om iemand anders raad te geven als je deze zelf niet kunt opvolgen?

Een oeroud soefiverhaal… Een vrouw had een groot probleem met haar kleine kind. Ze had maar één kind, haar man was overleden. Ze was rijk maar ze was alle lust om te leven kwijtgeraakt. Ze leefde alleen nog maar voor dit kleine kind en het spreekt vanzelf dat kinderen in zo’n situatie worden verwend. Het kind wilde niets anders eten dan alleen snoep. De dokters zeiden: ‘Dat is niet goed voor hem, dat is zo slecht voor zijn gezondheid.’ Maar het kind wilde niet luisteren.

De vrouw ging altijd naar een soefi mysticus, dus kwam de gedachte bij haar op: ‘Naar mij luistert hij toch niet, maar misschien luistert hij wel naar deze mysticus, want die man heeft zo’n uitstraling dat iedereen die bij hem in de buurt komt ervan onder de indruk raakt.’
Ze nam het kind mee en zei tegen de mysticus: ‘Hij wil naar niemand luisteren. Doktoren zeggen tegen hem dat het heel slecht is voor zijn gezondheid en dat doe ik ook elke dag. Het enige wat hij eet is snoep, hij lijdt nog liever honger dan dat hij wat anders eet. Het is mijn enig kind, mijn man is overleden en ik leef alleen nog maar voor hem. Ik kan er niet tegen om hem honger te zien lijden en daarom geef ik hem snoep, in de wetenschap dat ik hem vergif geef. Witte suiker is wit vergif. Daarom heb ik hem meegenomen. Zegt u eens iets tegen hem! U bent een man van God, misschien dat uw woorden wel op een of andere manier overkomen.’

De mysticus keek het kind eens aan. Hij zei: ‘Mijn zoon, op dit moment ben ik niet in de positie om je antwoord te geven, want ik houd er zelf ook van om te snoepen. Kom over twee weken maar terug. Als het me lukt zal ik twee weken lang geen snoep meer nemen. Dan kan ik je pas raad geven, anders ben ik niet de juiste persoon om raad te geven.’

De vrouw kon haar oren niet geloven. Dit kon nog wel eens gevaarlijk worden… maar het kind was enorm onder de indruk. Hij raakte de voeten van de mysticus aan. Hij zei: ‘Ze hebben me naar allerlei mensen meegenomen. Mijn moeder neemt me steeds mee, van de ene wijsneus naar de andere, en ze komen allemaal meteen met hun goede raad. U bent de eerste die oprecht is. Over twee weken kom ik terug en dan zal ik doen wat u ook zegt. U kan ik vertrouwen.’

Een man die tegen een kind eerlijk bekent… ‘Op dit moment ben ik niet in de positie om je ook maar raad te geven, want ik houd zelf van snoep. Dus moet ik eerst mijn eigen goede raad zelf uitproberen en kom daarna maar terug. Als het me niet lukt zal ik zeggen: “Het spijt me, ik kan je geen raad geven.” Als het me wel lukt zal ik zeggen: “Maak je maar geen zorgen, als het mij lukt -een oude man- jij bent zo jong en sterk, jou lukt het zeker. Probeer het maar eens!”’

De moeder was geschokt. Als de mysticus over twee weken zegt dat het hem niet gelukt is, dan is het helemaal einde verhaal. Dan is er niemand anders waar ze met het kind terecht kan. Twee weken later kwamen ze terug. De mysticus zei: ‘Mijn zoon, het is moeilijk, maar niet onmogelijk. Het is me gelukt om twee weken lang geen snoep te eten en ik beloof je dat ik nooit van mijn leven nog snoep zal aanraken. Denk je dat ik je raad kan geven? Alleen als je me toestaat om je raad te geven, zal ik dat doen.’

Het kind zei: ‘U hoeft niets meer te zeggen. Ik heb de boodschap begrepen. Ik ben u dankbaar. Iemand als u, die bereid is om het snoepen op te geven wat hij zijn hele leven gedaan heeft, is het waard om te vertrouwen. Ik vertrouw u. Ik beloof u ook dat ik van nu af aan nooit meer zal snoepen.’
 
Osho: The Great Zen Master Ta Hui, p. 56-57.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti.
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com.  
Image by Shirley Hirst from Pixabay.

Vorige verhalen


De leeuw en het schaap

 


Een man in de bioscoop

 


Ryokan vergeet eten te halen

 


De gepensioneerde chirurg

 


De timmerman en het tafeltje voor de koning

De leeuw en het schaap

Machtswellust staat aan de basis van elke oorlog,
elke reden is alleen maar een smoesje.

In een van de fabels van Aesopus -en die behoren tot de grootste fabels ter wereld, zo simpel maar zo veelbetekenend- staat een schaapje water te drinken uit een bergbeekje met kristalhelder water. Een grote leeuw komt langs en raakt geïnteresseerd in het schaap -het is tijd voor zijn ontbijt dus moet hij een smoes verzinnen.
Hij zegt tegen het schaap: ‘Je vervuilt de beek. Begrijp je dan niet dan ik de koning van het oerwoud ben?’

Het arme schaap zei: ‘Dat weet ik wel, maar hoogheid, de beek stroomt niet naar u toe. Ik sta lager dan u en ook al wordt het vuil omdat ik eruit drink, het water stroomt omlaag -niet naar u toe. U maakt het vuil en ik drink dat vuile water. Dus het klopt niet wat u zegt.’


De leeuw zag het punt en werd heel erg boos. Hij zei: ‘Jij hebt geen respect voor je meerderen. Wat een lef om erover te gaan argumenteren.’
Het arme schaap zei: ‘Dat was geen argumenteren, ik heb alleen de feiten benoemd. U kunt zien dat de beek omlaag stroomt.’

De leeuw was even stil en zei toen: ‘Nou weet ik het weer. Jij komt uit een heel slecht opgevoede, ongeletterde familie. Je vader heeft me gisteren beledigd.’
Het arme schaap zei: ‘Dat is vast iemand anders geweest, want mijn vader is al drie maanden dood en u weet vast nog wel dat hij in uw buik zit. Hij leeft niet meer. U hebt middageten van hem gemaakt. Hoe kan hij onbeleefd tegen u zijn geweest? Hij is dood!’

Dat was de druppel. De leeuw besprong het schaap en greep hem vast met de woorden: ‘Jij hebt geen manieren, jij kent de etiquette niet, jij weet niet hoe je je moet gedragen.’
Het schaap zei: ‘Het is tijd voor ontbijt, dat is het simpele feit. Eet me maar gewoon op, het is nergens voor nodig om nog een smoes te verzinnen.’
 
Aesopus heeft wonderen verricht met zulke simpele parabels. Hij heeft zoveel over de mens weten te zeggen… Machtswellust heeft de mensheid vernietigd en haar belet om creatiever te zijn, mooier te zijn, gezonder te zijn, heel te zijn. En het is deze machtswellust die uiteindelijk leidt tot conflict, wedijver, jaloezie en uiteindelijk tot oorlog.

Machtswellust staat aan de basis van elke oorlog. Als je kijkt naar de geschiedenis van de mensheid… heel de geschiedenis van de mensheid is niets anders dan een geschiedenis van oorlogen, mensen die mensen doden. De redenen zijn veranderd, maar het doden gaat door. Het lijkt wel of redenen alleen maar smoesjes zijn. De waarheid komt in feite hierop neer dat de mens ervan geniet om te doden.
 
Osho: The Rebel, p. 36.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti.
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com.  
Image by Karen .t from Pixabay.

Vorige verhalen


Een man in de bioscoop

 


Ryokan vergeet eten te halen

 


De gepensioneerde chirurg

 


De timmerman en het tafeltje voor de koning

 


Het goddelijke heeft zich verstopt

Een man in de bioscoop

Als de toeschouwer geïdentificeerd raakt met iets op het bioscoopscherm…


Ik heb eens gehoord…
… dat er een man naar de middagvoorstelling zat te kijken, toen de stomme film voor het eerst zijn intrede had gedaan, bij de eerste vertoning in Londen. Iedereen ging de zaal uit maar hij bleef zitten.
De directeur ging naar hem toe en zei: ‘De voorstelling is afgelopen.’
Hij zei: ‘Ik wil de tweede voorstelling ook zien.’
De directeur zei: ‘Wat heeft dat voor zin? U heeft het al gezien.’
Hij zei: ‘Dat gaat u niets aan. Hier is het geld voor een kaartje. Ik ga hier niet weg.’

Hij bleef naar de tweede voorstelling kijken en de directeur dacht bij zichzelf: ‘Wat gaat er na de tweede voorstelling gebeuren?’ Hij ging weer kijken, iedereen was al weg maar die man zat er nog steeds, want er zou nog een derde voorstelling komen.
De directeur zei: ‘Wilt u de derde voorstelling nu ook zien?’
Hij zei: ‘Ja. Hier is het geld.’
De directeur zei: ‘Maar u hebt het al twee keer gezien!’
Hij zei: ‘U snapt er ook niets van. Er is een scène waar een mooie vrouw zich staat uit te kleden. Ze staat op het punt om naakt in een mooi meer te springen om te gaan zwemmen. Net op dat ogenblik komt er een trein voorbij en die trein vormt een gordijn. En als die trein voorbij is ligt de vrouw al in het water.’
De directeur zei: ‘Maar ik snap het nog steeds niet.’
De man zei: ‘Waar het om gaat is dat die trein vast een keer te laat komt!’
 
Nu is die geprojecteerde film in zijn hoofd werkelijkheid geworden. Hij is ermee geïdentificeerd. Het is geen film meer, hij maakt er deel van uit. Hij wacht niet, hij kijkt niet, hij doet eraan mee…
De toeschouwer staat boven de mind. De toeschouwer maakt nooit deel uit van de mind. De mind is net als een tv-scherm waarop gedachten, dromen, verbeelding, projecties, verlangens en duizend-en-één dingen voorbijkomen. De toeschouwer zit niet op het scherm, hij zit in de bioscoopzaal. Maar het probleem doet zich voor als de toeschouwer geïdentificeerd raakt met iets op het filmscherm.
Je hebt jezelf vast wel eens soms zien huilen, soms zien lachen, soms verdrietig zien worden… en je weet heel goed dat er niets op het scherm is. Dat is leeg en alles wat je ziet is alleen maar een projectie, gewoon een film die door licht geprojecteerd wordt.
 
Osho: The Hidden Splendor, p. 281.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti.
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com
Image by Andreas Glöckner from Pixabay.

Vorige verhalen


Ryokan vergeet eten te halen

 


De gepensioneerde chirurg

 


De timmerman en het tafeltje voor de koning

 


Het goddelijke heeft zich verstopt

 


Als de oceaan in de dauwdruppel verdwijnt

Ryokan vergeet eten te halen

Elk moment zit zo vol met zegeningen.

Laatst las ik op een avond een kleine anekdote over een groot zenmeester, Ryokan.
Hij woonde in de bergen in een klein hutje. Een andere zenmeester logeerde bij hem. De hele dag ging voorbij met praten over poëzie, schilderen, beeldhouwen, muziek en ze waren allebei het eten vergeten. Hij moest om zijn kostje in de stad gaan bedelen. Tegen de avond kwam hij erachter. Hij zei: ‘Het spijt me, voor mij maakt het niet zoveel uit, ik ben dat wel gewend. Soms vergeet ik het. Maar jij zit hier met honger, daarom ga ik er onmiddellijk op uit om wat te zoeken voordat de zon ondergaat.’

   Het berghutje van de zenmeester en -dichter Ryokan.
Dus haastte hij zich de berg af om naar eten in de stad te gaan zoeken en zijn vriend zat daar maar te wachten, het duurde wel drie uur. Niets te zien… en hij had zo’n honger dat hij het huis uit ging – wat is er toch gebeurd? Een ongeluk misschien?
Toen kon hij zijn ogen niet geloven: Ryokan zat buiten het huis onder een boom, met zijn ogen dicht, met een gelukzalige blik in zijn ogen, nieuwe haiku’s, nieuwe gedichten te prevelen – bijna te fluisteren.

De gast ging naar hem toe, schudde hem door mekaar en vroeg: ‘Hoe zit dat nou met het eten?’
Ryokan zei: ‘Mijn god! Toen ik de zon onder zag gaan was dat zo mooi dat ik niet weg kon gaan bij deze boom. Van deze boom uit gezien is de zonsondergang een gouden ervaring. Ik was maar even blijven staan maar de zonsondergang en de schoonheid ervan hadden zo’n indruk op me gemaakt dat ik het eten en jou helemaal ben vergeten! Maar hier heb je een paar prachtige haiku’s…’
De gast zei: ‘Maar ik heb niets aan die haiku’s. Met zo’n honger kan ik niet slapen.’
Ryokan zei: ‘Wacht even, ik ga wel. Misschien vind ik wel iets, ook al is het laat.’

En hij haastte zich de heuvel af naar het dorp. De gast lag de hele nacht te woelen en te draaien en kwam er steeds weer uit om te zien waar Ryokan bleef. ’s Morgens vroeg, toen de zon opkwam, ging de gast weer naar buiten – hij had geen oog dichtgedaan. Ryokan zat weer onder dezelfde boom – te glimlachen, heen en weer te wiegen en te prevelen.

De gast zei: ‘Hoe zit het nou met het eten?’
Ryokan zei: ‘Mijn god! Toen ik onderaan de heuvel aankwam lagen de mensen te slapen en het was een vollemaansnacht… je kunt je wel in mij indenken en mij vergeven. Ik was het eten helemaal vergeten. Ik zat me eigenlijk af te vragen, toen de zon opkwam: wat doe ik hier? Dus ben ik weer teruggekomen naar mijn boom waar zowel de zonsondergang als de zonsopgang zo’n goddelijke glans hebben.

De gast zei: ‘Jij wordt nog mijn dood! Ik ga weg.’
Ryokan zei: ‘Maar luister op zijn minst naar die paar haiku’s van mij. Ze zijn eigenlijk niet van mij. Sommige zijn door de volle maan gegeven, sommige door de opkomende zon, sommige door de vogels die in de bomen zitten te zingen. En het leven is zo rijk geweest en het gaf me zoveel voldoening dat ik ook maar geen moment aan eten heb gedacht.’
De gast vertrok. Hij zei: ‘Je lijkt wel krankzinnig!’

‘Herfst’
Ryokan (良寛大愚) (1758-1831).
 
Elk moment zit zo vol met zegeningen,
elk moment is zo’n eeuwigheid van vreugde,
elk moment is zo’n dans van schoonheid.

 
Osho: The Hidden Splendor, p. 115-116.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti.
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com
Afbeeldingen: 
https://s-media-cache-ak0.pinimg.com/736x/91/92/db/9192db694741e35ffebd727ae85cc94d.jpg
https://silverbirchpress.files.wordpress.com/2012/10/800px-qian_xuan_-_early_autumn.jpg

Vorige verhalen


De gepensioneerde chirurg

 


De timmerman en het tafeltje voor de koning

 


Het goddelijke heeft zich verstopt

 


Als de oceaan in de dauwdruppel verdwijnt

 


De aartsbisschop aan de poort van de hemel

De gepensioneerde chirurg

Bijna iedereen wordt op een dwaalspoor gebracht, van zijn ware aard vandaan,
en hoe verder hij wegraakt, hoe ellendiger hij zich gaat voelen…
 

Ik heb eens gehoord over een groot chirurg die pas op zijn vijfenzeventigste met pensioen ging. Het was ongebruikelijk om iemand zo lang in dienst te houden, maar deze chirurg was dan ook een meesterchirurg. In heel het land was er niemand die ook maar enigszins aan hem kon tippen. Zelfs op zijn vijfenzeventigste was hij nog de beste chirurg. Dus in plaats van hem op zijn zestigste met pensioen te sturen hadden ze hem liever overgehaald om door te blijven gaan.  Op zijn vijfenzeventigste zei hij: ‘Genoeg is genoeg. Nu wil ik uitrusten en relaxen. Ik ben doodop.’


Op zijn laatste dag gaven zijn vrienden een feest ter ere van zijn afscheid en ze stonden allemaal vrolijk te drinken en te dansen. Maar hij stond daar maar in een hoekje, verdrietig en ellendig te wezen. Een van zijn vrienden kwam naar hem toe en vroeg: ‘Wat is er aan de hand? Wij zijn hier allemaal bij elkaar gekomen om je vrolijk en feestelijk vaarwel te zeggen en jij staat hier maar in een hoekje alsof er iemand is overleden. Waarom kijk je zo ellendig?’

Hij zei: ‘Jullie hebben de vinger op mijn zere plek gelegd. Ik loop al bijna zestig jaar rond met die wond. Ik heb nooit chirurg willen worden. Mijn vader was arts, mijn moeder was arts en ze hebben me allebei gedwongen om chirurg te worden. Ik wilde muzikant worden. En ze bleven maar op me hameren: “Ben je helemaal gek geworden? Als je muzikant wordt, kun je hooguit straatmuzikant worden. Maar als je naar ons luistert, sturen we je naar de beste onderwijsinstellingen, naar de beste medische faculteit, naar de beste chirurgieopleiding. We zullen een groot chirurg van je maken. Je naam zal in de geschiedenisboeken terechtkomen.”

Net als ieder kind was ik hulpeloos. Ze hebben me gedwongen, ik ben chirurg geworden. Ze hadden wel gelijk, ik ben wereldberoemd geworden. Ik heb nooit enige vreugde gevoeld. Ik heb als een robot gewerkt. Misschien ben ik daarom wel zo’n goede chirurg geworden, omdat ik mijn menselijke hart ben kwijtgeraakt. Mijn hart is bijna dood. Als ik muzikant was geworden had niemand misschien ooit mijn naam gehoord, maar wat maakt dat nou uit? Dan had ik me wel vervuld, bevredigd gevoeld. Dan was ik mijn eigen zelf geweest.’
 
De mens wordt als tabula rasa geboren, gewoon een blank vel papier, zonder dat er iets op geschreven staat. Maar hij brengt zaadjes met zich mee en als hij vrijheid en steun krijgt, wordt hij een uniek individu. Niemand kan voorspellen wat zijn bestemming zal zijn, maar één ding is zeker: als hij niet belemmerd wordt in zijn groei zal hij ontzettend tevreden zijn, wat hij ook wordt. Misschien wordt hij wel muzikant, gewoon iemand die op een bamboefluit speelt, maar hij zal van binnen een rijkdom, een tevredenheid bezitten die zelfs de rijkste mensen niet kunnen hebben.

Zijn zaadje is niet kapotgemaakt. Hij is zijn eigen zelf kunnen worden, niet een kopietje van iemand anders. Misschien is hij wel geen lotusbloem, maar gewoon een madeliefje of zelfs alleen maar een grasbloempje zonder naam, anoniem, een niemand, maar dan zal hij toch in de regen en de wind en de zon staan dansen met evenveel vreugde als welke roos dan ook.

Maar dit is een van de grootste problemen geweest: ze grijpen elk kind wat geboren wordt vast om er iets van te gaan maken. Het kan niemand wat schelen of het zelf iets te zeggen heeft, of dat het zijn eigen lied wil zingen. Met alle goede bedoelingen proberen ouders, priesters, leraren, de hele maatschappij, iemand te vormen naar hun eigen opvattingen. En dit is de enige oorzaak van de menselijke ellende, want niemand is wat hij geweest zou zijn als ze hem vrij hadden gelaten, gesteund, geaccepteerd, gevoed. Iedereen is misvormd geraakt.

En het probleem wordt nog complexer, want mensen die kinderen misvormen doen dat ‘om hun eigen bestwil’. Ieder kind komt met geweldig veel energie en potentie aan, maar heel de maatschappij om hem heen begint hem te kneden, idealen te geven: je moet een Jezus Christus worden of een Gautama Boeddha, je bent niet acceptabel zoals je bent. Als je gerespecteerd wilt worden, geëerd, erkend, dan moet je iemand worden volgens de ideeën van de maatschappij waarin je bent geboren.

Dus wordt iedereen op een dwaalspoor gebracht, van zijn ware aard vandaan, van zijn wezen vandaan, en hoe verder hij wegraakt, hoe ellendiger hij zich gaat voelen… Dit is bijna iedereen overkomen. Een heel enkele keer maar ontsnapt een kind er per ongeluk aan, weet het te overleven, zijn eigen lot te beschermen en laat het niemand toe om hem een andere kant op te sleuren.
 
Osho: The Razor’s Edge, p. 292-293.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti.
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com
Image by marionbrun from Pixabay.

Vorige verhalen


De timmerman en het tafeltje voor de koning

 


Het goddelijke heeft zich verstopt

 


Als de oceaan in de dauwdruppel verdwijnt

 


De aartsbisschop aan de poort van de hemel

 


Wie maakt dan de dieven?

De timmerman en het tafeltje voor de koning

Alles wat de Aarde overkomt, overkomt ook de zonen en dochters van de Aarde.
 
Er was eens een wetenschapper die bij me kwam logeren. Ik hou van een wilde tuin, dus ik had een prachtige jungle om mijn huis heen. Die wetenschapper zei: ‘Besef je wel waar je mee bezig bent? Als je deze bomen zo dicht bij je huis laat groeien overwoekeren ze straks je hele huis. Het zijn gevaarlijke dingen. Het is een voortdurende strijd tussen de mens en de bomen. Als je ze niet weert dringen ze over een paar jaar binnen in je muren en maken ze je huis kapot.’ Hij zei: ‘Ik haat bomen.’ 

Zo is de houding van de mens altijd geweest: kapotmaken. Als je die houding aanneemt wordt alles vijandig, zelfs arme bomen, onschuldige bomen. Er zit wel een kern van waarheid in, dus kun je daar je redenering op gaan bouwen. Ja het klopt dat bomen je steden en je huizen zullen overwoekeren als je ze helemaal vrijlaat om te groeien. Dat is waar, dat is een feit. Maar om je hele leven nou op zo’n feitje te bouwen en er een filosofie van maken, dat klopt niet.

Iets anders is evenzeer een feit als dit – wij bestaan met de bomen. Maak alle bomen kapot en je gaat dood. Jij ademt zuurstof in, bomen ademen zuurstof uit. Jij ademt kooldioxide uit, bomen ademen kooldioxide in.  Dus als je omringd bent door bomen, leef je meer. Dat is niet alleen maar poëzie. ‘Als je een jungle ingaat en er een groot gejubel opstijgt in je hart, voel je ineens veel meer leven, alsof het groen jou ook groen maakt.’

Dat is niet alleen maar poëzie, het is pure wetenschap. Dat komt omdat er meer zuurstof is, er meer leven overal om je heen pulseert, meer vitaliteit. En als je die zuurstof inademt wordt je bloed gezuiverd. Je kunt de gifstoffen er makkelijker uitgooien en dan leef je op je top.
 
Er is dus sprake van een deelgenootschap met de bomen: zij nemen je gif op en zuiveren dat en maken zuurstof voor jou. Jij neemt zuurstof op, jij gebruikt zuurstof en gooit kooldioxide eruit. Bomen gebruiken kooldioxide als voedsel. Dus is er absoluut sprake van een deelgenootschap. De mens kan niet zonder bomen leven en bomen kunnen niet zonder de mens leven.

Dieren zijn nodig voor bomen en bomen zijn nodig voor dieren. Ze staan niet los van elkaar, ze maken deel uit van een en hetzelfde ritme. Dat is ook een feit. En het leven moet dat niet uit de weg gaan. Je moet de totaliteit ervan begrijpen. En je moet zo leven dat geen enkel losstaand feit het geheel wordt, of dat pretendeert te worden. Kapot maken is niet nodig. Vechten is niet nodig. Dat is de benadering van Tao, dat is de benadering van het Soefisme, van Zen.

Er is een beroemd zen verhaal… Een koning zei tegen zijn oude timmerman dat hij graag een bepaald tafeltje wilde hebben. De oude man zei: ‘Ik ben wel erg oud maar mijn zoon is er nog niet klaar voor. Hij leert het beetje bij beetje. Maar ik zal het wel proberen, ik ga mijn best doen. Geef me even de tijd.’
De oude man verdween drie dagen lang het bos in. Drie dagen later kwam hij terug.
De koning vroeg: ‘Drie dagen heeft u nodig om wat hout te halen voor het tafeltje?’
De oude timmerman zei: ‘Soms duurt het drie dagen, soms drie maanden. En soms vind je het hout in geen drie jaar. Het is een hele kunst.’
De koning stond voor een raadsel. Hij zei: ‘Leg eens uit. Wat bedoelt u? Leg het eens precies uit.’

Toen zei de man: ‘Eerst moet ik gaan vasten, want alleen als ik vast gaat mijn mind, beetje bij beetje, wat langzamer. Als mijn mind langzamer gaat, verdwijnen alle gedachten, verdwijnt alle agressie. Dan ben ik niet meer gewelddadig, dan heerst er zuivere compassie en liefde, een heel andere vibratie. Als ik die vibratie van no-mind voel, dan ga ik pas het bos in, want alleen door die vibratie kan ik de juiste boom vinden. Hoe kun je nou met agressie de juiste boom vinden? En ik moet het aan de bomen zelf vragen of een van hen bereid is om een tafeltje te worden. Ik ga, ik kijk rond en als ik voel dat deze boom wel iets wil…

Ik kan die bereidheid alleen voelen als ik no-mind heb. Eerst vasten dus, mediteren, en als ik helemaal leeg ben geworden, zwerf ik gewoon rond bij de bomen om een bepaald gevoel te krijgen. Als ik voel dat het met deze boom klopt, ga ik ernaast zitten en vraag ik om zijn toestemming: “Ik ga een tak van je afkappen. Ben je daartoe bereid?” Alleen als de boom met heel zijn hart ja zegt kap ik wat af. Wie ben ik anders om zijn tak af te kappen?’

Dat is nou een totaal andere benadering. Er is geen strijd tussen mens en boom, er is vriendschap. De mens probeert in rapport te vallen met de bomen en hij vraagt om hun toestemming. Voor een westerse mind is dit absurd. De westerse mind zegt: ‘Wat klets je nou voor onzin? Aan een boom vragen? Ben je gek geworden? En hoe kan een boom nou ja of nee zeggen?’

Maar tegenwoordig wordt zelfs de westerse wetenschap zich ervan bewust dat een boom ja of nee kan zeggen. Tegenwoordig heb je geavanceerde instrumenten die de stemmingen van een boom kunnen detecteren, of een boom bereid is of niet, of een boom gelukkig is of niet. Nu zijn er geraffineerde instrumenten ontwikkeld, net zoals een cardiogram. Je kunt een cardiogram van een boom maken. Elektronische instrumenten kunnen de stemming van een boom peilen.

Als een houthakker bij een boom komt begint de boom te trillen van angst, is hij verdrietig, bang, klampt ze zich vast aan het leven. Geen enkele Taoïst zal een boom in zo’n toestand omhakken, nee, helemaal niet. Wie zijn wij als een boom dat niet wil? Een boom kan alleen worden gekapt als hij uit zichzelf bereid is om te delen.

Dit tafeltje zal nou van een andere kwaliteit zijn. Het is door de boom gegeven, het is niet van hem afgenomen. De boom is niet beroofd, hij is niet overwonnen. Het is niet zo moeilijk om te snappen dat dit tafeltje een andere vibratie zal hebben. Er zal iets sacraals omheen hangen. Als je dit tafeltje in je kamer zet schep je een bepaalde sfeer om het tafeltje heen wat je met andere tafeltjes niet zou kunnen. Het zal daar vriendschap met je sluiten omdat jij er vriendschap mee hebt gesloten. Het zal er als deel van je familie staan, niet als een ledemaat wat je van een vijand hebt afgehakt.  

De westerse mind is veel te agressief geweest tegen zichzelf en tegen de natuur. Ze heeft een schizofrenie gecreëerd tegen mensen, ze heeft politiek, oorlog gecreëerd en ze heeft de ecologische crisis gecreëerd. En nu is men ook tot het uiterste gegaan. Of de mens moet op zijn schreden terugkeren en de westerse agressieve houding laten varen of de mens moet zich op gaan maken om deze planeet gedag te zeggen. Deze planeet kan de mens niet langer tolereren, ze heeft hem al lang genoeg getolereerd.
 
Osho: Sufis, The People of the Path, Vol. 2, p. 112-115.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti.
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com
Image by Kohji Asakawa from Pixabay.

Vorige verhalen


Het goddelijke heeft zich verstopt

 


Als de oceaan in de dauwdruppel verdwijnt

 


De aartsbisschop aan de poort van de hemel

 


Wie maakt dan de dieven?

 


Ik bén Abraham Lincoln!

Het goddelijke heeft zich verstopt

Het goddelijke heeft zich verstopt in het hart van de mens.

Er is een verhaal, een heel oud verhaal… Ooit woonde god gewoon op de markt, maar de hele dag, heel de nacht door zelfs, klopten de mensen op zijn deur aan om overal maar over te klagen: ‘Er klopt niets van die wereld die u heeft geschapen. Waarom is er zoveel ziekte? Als u de schepper bent, waarom heeft u dan zoveel zieke lichamen geschapen? Waarom die ouderdom en waarom die dood?’

Die mensen waren zo’n marteling voor hem, volgens dat oude verhaal, dat hij een raad van engelen bij zich riep om hen de vraag te stellen: ‘Of ik ga dood aan deze voortdurende marteling of ik moet een eind aan mijn leven gaan maken! Weten jullie wat ik ermee aan moet? Die mensen laten me geen moment met rust en ik kan onmogelijk aan hun eisen voldoen. Dan komt er een vrouw die zegt: “Morgen, denk erom, geen regen, want ik ben mijn tarwe aan het drogen.” En dan zegt iemand anders: “Morgen heb ik absoluut regen nodig, want ik ben aan het zaaien.” Wat moet ik nou? En zo heb je miljoenen mensen die schreeuwen en boos zijn, omdat hun verlangens niet worden vervuld, hun gebeden niet worden verhoord.’
De engelen moesten even nadenken. Een van de engelen zei: ‘Het zou goed zijn om naar de Everest te verhuizen, de hoogste top van de Himalaya.’

God zei: ‘Jullie weten dat niet, maar ik ben alleswetend, ik weet alles, het verleden, het heden, de toekomst. Spoedig zal iemand de hoogste top van de Himalaya bereiken. En zo gauw iemand me gevonden heeft krijg je bussen en vliegtuigen en van allerlei voertuigen. En dan leggen ze wegen aan en bouwen ze hotels en dan heb je weer een markt. Snap dat dan: dat geeft maar even een beetje rust. Daar heb ik niets aan. Dan moet ik weer verhuizen.’
Dus stelde iemand anders voor: ‘Waarom verhuist u niet naar de maan?’

Hij zei: ‘Jij snapt dat niet omdat jij de toekomst niet kent. Vlak na de Everest gaan ze naar de maan. Dan moet ik weer verhuizen. Laat me toch iets zien waar ik niet hoef te verhuizen!’
Toen kwam er een oude engel dichterbij en fluisterde hem in zijn oor: ‘De enige plek waar de mens niet op zal komen is binnenin zijn eigen hart. Ga daar gewoon zitten…’
 
Hij is overal verdwenen. Misschien kom je wel iets van goddelijkheid tegen binnenin je eigen wezen. Misschien vind je in je eigen leven wel iets wat goddelijk is. Je zal god niet vinden als een persoon, maar als een kwaliteit, een geur, een bepaalde lucht, een soort energie wat niet van jou is, wat tot de kosmos behoort.

Osho: I Celebrate Myself, p. 23-24.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti.
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com
  Image by Simon from Pixabay.
Image by WikiImages from Pixabay.

Vorige verhalen


Als de oceaan in de dauwdruppel verdwijnt

 


De aartsbisschop aan de poort van de hemel

 


Wie maakt dan de dieven?

 


Ik bén Abraham Lincoln!

 


De koning van Shravasti die sitar speelde

 

Als de oceaan in de dauwdruppel verdwijnt

Kabir, een groot Indiaas mysticus… hij had geen opleiding gevolgd, maar hij heeft zulke geweldig veelbetekenende uitspraken gedaan. Mmisschien waren ze grammaticaal wel niet juist.

Een van zijn uitspraken heeft hij gecorrigeerd voordat hij is komen te overlijden. Toen hij jong was had hij een prachtige uitspraak gedaan. ‘Net zoals een dauwdruppel in de vroege ochtendzon van het lotusblad afglijdt, glanzend als een parel, in de oceaan.’ Hij zei: ‘Zo is het mij ook vergaan.’
Zijn woorden waren: ‘Ik ben op zoek geweest, mijn vriend. Maar in plaats van mezelf te vinden, raakte ik verdwaald in de kosmos. De dauwdruppel is in de oceaan verdwenen.’

Vlak voordat hij kwam te overlijden, toen hij zijn ogen dicht deed, vroeg hij aan zijn zoon Kamal, die er blijk van gaf dat hij van hetzelfde kaliber was en uit hetzelfde hout gesneden… en soms vraag je zelfs wel af of hij niet dapperder was dan Kabir.
Kabir was heel moedig en ging tegen alle tradities, orthodoxie, tegen alles in. Maar Kamal bekritiseerde Kabir zelfs als hij vond dat er iets aan zijn uitspraken niet klopte.

Hij zei tegen Kamal: ‘Verander alsjeblieft die uitspraak van mij, die ze overal hebben geprezen, dat “Mijn vriend, ik ben op zoek naar mezelf geweest, maar in plaats van mezelf te vinden, raakte ik verdwaald, net zoals de dauwdruppel in de oceaan verdwijnt.” Dat moet je veranderen.’

Kamal zei: ‘Ik heb altijd al zo’n vermoeden gehad dat er iets mis mee was.’
En hij liet hem iets zien in zijn eigen handschrift, waar hij het al gecorrigeerd had. De correctie was -zelfs voordat Kabir tot dat besef was gekomen- reeds gedaan. Daarom had Kabir hem Kamal genoemd: ‘Jij bent een wonder.’

Kamal betekent wonder. En die man was ook een wonder. Hij had de regel veranderd die Kabir had willen veranderen:
‘Mijn vriend, ik was maar steeds op zoek naar mezelf. Maar in plaats van mezelf te vinden heb ik de hele wereld, heel het universum gevonden. De dauwdruppel is niet in de oceaan verdwenen, maar de oceaan is in de dauwdruppel verdwenen.’
En als de oceaan in de dauwdruppel verdwijnt, verliest de dauwdruppel gewoon zijn grenzen, meer niet.


Dat is nou precies wat verlichting betekent: dat je zo niet bestaand wordt als een ego dat heel het oceanische bestaan een deel van je wordt…

Een zenmeester, Rinzai, had een hele absurde, maar prachtige gewoonte.
Elke ochtend als hij wakker werd zei hij: ‘Rinzai, ben je daar nog?’

Zijn discipelen zeiden: ‘Wat is dat voor onzin? Om te vragen of Rinzai er nog is?’
Hij zei: ‘Ik zit te wachten op het moment dat het antwoord zal zijn:
“Nee. Het bestaan is er, maar Rinzai niet.”’

Dat is de hoogste piek die het menselijk bewustzijn kan bereiken.
Dat is de ultieme zegen.

Osho: Hari Om Tat Sat, p. 286-287.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti.
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com
Image by Pavan Prasad from Pixabay.

Vorige verhalen


De aartsbisschop aan de poort van de hemel

 


Wie maakt dan de dieven?

 


Ik bén Abraham Lincoln!

 


De koning van Shravasti die sitar speelde

 


Als één schaap…

De aartsbisschop aan de poort van de hemel

Het bestaan is dat wat is en God is dat wat niet is.

Ik herinner me een verhaal van Bertrand Russell. De aartsbisschop van Engeland ziet in een droom dat hij bij de hemelpoort, de parelpoorten van het paradijs is aangekomen. Aan de ene kant doet dat hem enorm veel genoegen, aan de andere kant zit hij er erg mee in zijn maag, want de parelpoorten zijn zo uitgestrekt, naar beide kanten toe, dat hij de hele poort niet kan overzien. Ze zijn zo hoog dat ze zijn gezichtsvermogen te boven gaan. En hij lijkt zelf maar zo’n kleine mier vergeleken bij deze enorme poort. Hij wordt er een beetje bang van. Maar hij is niet zomaar iemand, hij is de aartsbisschop.


Met angst in zijn handen klopt hij op de deur, maar in die eindeloze ruimte kan hij alleen zichzelf horen kloppen. Hij heeft er dagen voor nodig, maar hij gaat steeds harder kloppen. Uiteindelijk gaat er een klein raampje open in de poort en Sint Petrus kijkt met duizend ogen naar buiten om erachter proberen te komen wie er nou zoveel lawaai maakt. Die duizend ogen schijnen zo helder, als sterren, dat de aartsbisschop zich nog verder voelt inkrimpen – bijna tot iets wat niet bestaat. En Sint Petrus vraagt: ‘Kom alstublieft naar me toe, wie u ook bent, waar u ook bent.’

De aartsbisschop maakt zichzelf kenbaar. Hij zegt tegen Sint Petrus: ‘Misschien weet u niet wie ik ben. U kunt het checken met Jezus Christus, ik ben de aartsbisschop van Engeland.’
Sint Petrus zegt: ‘Ik heb nog nooit gehoord over zoiets als Engeland.’
De aartsbisschop zegt: ‘Misschien heeft u nog nooit over Engeland gehoord, maar u heeft vast wel eens over onze mooie planeet Aarde gehoord.’
Sint Petrus zegt: ‘Ik wil u niet beledigen, maar als u mij niet het kengetal van uw Aarde geeft, kan ik niet uitpuzzelen waar u het over heeft. Ik zal het in de bibliotheek op moeten zoeken -als u mij het kengetal geeft van het zonnestelsel waar u toebehoort- want er zijn miljoenen zonnestelsels en elk zonnestelsel heeft vele planeten.’

Maar de aartsbisschop had er nooit bij stilgestaan dat de Aarde wel eens een kengetal zou hebben. Hij zegt: ‘Ik weet geen kengetal, maar ik ben de aartsbisschop. Gaat u het maar tegen Jezus Christus zeggen.’
Hij zegt: ‘U geeft mij het ene raadsel na het andere. Wie is toch die kerel, Jezus Christus?’
De aartsbisschop is diep geschokt. Hij zegt: ‘Kent u Jezus Christus niet, de eniggeboren zoon van God?’
Sint Petrus zegt: ‘Wat mij betreft, ik heb God nog nooit gezien. Ik weet niet eens of hij wel of niet bestaat. Ik ben maar een poortwachter. Misschien bestaat er ergens diep in het binnenste van het paradijs iemand die denkt dat hij God is, maar ik ben hem nog nooit tegengekomen…’
Het komt als zo’n schok dat de aartsbisschop badend in het zweet wakker wordt.

   
Friedrich Nietszche deed er goed aan om God dood te verklaren. 
Ik verklaar dat hij nooit geboren is.
Het is een gemaakte fictie, een uitvinding maar geen ontdekking. 
Zie je het verschil tussen uitvinding en ontdekking? 
Een ontdekking gaat over de waarheid, een uitvinding is door jou gemaakt. 
Het is een door de mens geschapen fictie.

Osho

Het bestaan is dat wat is en God is dat wat niet is. Het bestaan is werkelijkheid, God is een fictie.mHet bestaan is alleen beschikbaar voor mensen die mediteren, mensen van stilte. God is een troost voor zieke geesten, zieke psyches. Het bestaan is niet iets wat jij produceert, God wel. Daarom is er maar één bestaan en zijn er duizenden goden. Iedereen schept een god of een oud geloof over God, naar gelang zijn eigen behoeften, naar gelang zijn eigen lijden, naar gelang zijn eigen verwachtingen. God is een grote troost, maar geneest niet. Het bestaan is geen troost. Je bent gezond en heel als je daarop afgestemd bent.

Alle religies van de wereld hebben je God geleerd. Ik leer je het bestaan. Ik leer je af te stemmen op wat je omringt, wat binnen en buiten je is. Als je daar eenmaal op afgestemd bent, is er geen dood meer voor je, geen ellende, geen spanning, geen zorgen, maar dan word je omringd door een enorm gevoel van vrede, een tevredenheid waar je zelfs nooit maar van hebt kunnen dromen.

God is voor degenen die niet in bewustzijn kunnen groeien, die achterlijk zijn wat bewustzijn betreft. Het is een soort speeltje, achterlijke mensen hebben dat nodig. En zo gauw ik zeg dat het een speeltje is, dan hangt het van jou af wat je ervan wilt maken. Lijkt het op een aap of lijkt het op een olifant? Het hangt van jou af of je het vier handen geeft of duizend handen. Het is jouw schepping.

Vreemd genoeg gelooft men dat God alles heeft geschapen. Maar de waarheid is dat God zelf een schepping is van de menselijke verbeelding. God is de grootste leugen die je ooit tegen kunt komen, want op die leugen zijn duizenden andere leugens gebaseerd. Kerken, religieuze organisaties blijven maar leugens op leugens stapelen, gewoon om die ene leugen te beschermen.

Je moet begrijpen hoe de psychologie van de leugen werkt. Je hebt voor de leugen allereerst een goed geheugen nodig want je moet het goed onthouden. Tegen de ene lieg je over iets, tegenover een ander over iets anders. Je moet onthouden wat je tegen de ene hebt gezegd en wat je tegen de ander hebt gezegd.
De waarheid hoeft niets te onthouden. De waarheid is er altijd, net zo goed. Je hoeft hem niet in je geheugen te proppen. Geheugen geeft je een slavernij, een gevangenis. Ze klampt zich aan je vast, bedekt je zodanig, beetje bij beetje, dat je helemaal verdwijnt. De waarheid brengt jou aan het licht van alle leugens. En dan volgt plotseling de openbaring dat je deel uitmaakt van die enorme waarheid die ik het bestaan noem.

Je hebt helemaal geen kerken nodig, je hebt helemaal geen tempels nodig, je hebt helemaal geen moskeeën nodig. Je hebt alleen een hart vol gebed nodig, een hart vol liefde, een hart vol dankbaarheid. Dat is je ware tempel. Dat zal je hele leven transformeren. Dat zal je helpen om niet alleen jezelf te ontdekken, maar heel de diepte van dit onmetelijke bestaan.

    
Er bestaat geen God,
er is alleen maar goddelijkheid 
en die goddelijkheid omringt jou. 
We zitten allemaal in dezelfde oceaan.

We lijken haast wel golven van de oceaan – gewoon aan de oppervlakte terwijl de oceaan misschien wel mijlen diep is. De Stille Oceaan is vijf mijl diep. Maar een kleine golf bovenin zal die diepte nooit kennen – haar eigen diepte, want ze bestaat niet los van de oceaan. Ze zal aan haar kleine entiteit vast blijven houden, bang zijn voor de dood, bang zijn om zichzelf te verliezen in de uitgestrektheid, de oceanische eindeloosheid. Maar de waarheid is: de dood van de golf is geen dood, maar het begin van een eeuwig leven.

God is uitgevonden. Het was wat de mensen nodig hadden, mensen hadden een beschermer nodig. In de onmetelijkheid van het heelal voelt een mens zich zo alleen, zo klein. De uitgestrektheid doet hem beven. Wat houdt jouw bestaan in…?
Het is een veelzeggend verhaal omdat het laat zien hoe klein wij zijn en hoe groot het heelal is. Natuurlijk kon de primitieve mens zich niet schikken in dit idee van die uitgestrektheid van het heelal zonder er een bepaalde persoonlijkheid aan te geven en zonder zichzelf op de een of andere manier in verband te brengen met die persoonlijkheid.

God was een poging van de primitieve geest van de mens om het bestaan een persoonlijkheid te geven. Dan krijg je God de vader. Dan kan je een soort relatie met hem opbouwen. Misschien ben je wel tegen hem, maar dan is er tenminste iemand waar je voor kunt zijn, waar je tegen kunt zijn. Er is iemand die groter is dan jij, die je gaat beschermen, die je garantie is. God is gewoon de armoede van het menselijke bewustzijn.

 
 Osho: Hari Om Tat Sat, p.88-90.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti.
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com
 
Image by Tumisu from Pixabay.
Afbeeldingen:
https://ocawonder.files.wordpress.com/2012/08/gatesheaven92.jpg  http://www.azquotes.com/picture-quotes/quote-it-was-good-of-friedrich-nietzsche-to-declare-god-dead-i-declare-that-he-has-never-been-rajneesh-54-2-0233.jpg  https://quotefancy.com/quote/76973/Osho-There-exists-no-God-What-exists-is-godliness-and-that-godliness-surrounds-you-We-are

Vorige verhalen


Wie maakt dan de dieven?

 


Ik bén Abraham Lincoln!

 


De koning van Shravasti die sitar speelde

 


Als één schaap…

 


Wie van de drie?