Nieuw

Telkens wanneer je angst waarneemt

Volg je angstinstinct niet, want dat maakt een lafaard van je. Het ondermijnt je menselijkheid. Het is een vernedering die je jezelf oplegt. Wanneer je angst waarneemt, ga er dan tegenin! Een eenvoudig criterium: wanneer je merkt dat er angst is, ga er dan tegenin en je zult altijd in beweging blijven, groeien, je blijven ontwikkelen en dichter bij het moment komen waarop het ego simpelweg wegvalt – want heel zijn functioneren is gebaseerd op angst. En de afwezigheid van het ego is verlichting; het is niet iets extra’s.


Gewoon een eenvoudig principe: onthoud dat alles wat je bang of angstig maakt, een duidelijke aanwijzing is van wat je moet doen. Je moet precies het tegenovergestelde doen. Je mag geen volgeling van angst worden, je moet je angst bestrijden. Zodra je besluit je angst te bestrijden, ben je op weg naar de verlichting.

Osho: From the False to the Truth #26

Image by Creative Canvas from Pixabay.

Het huwelijk is een slagveld geworden

Het huwelijk is mislukt omdat jullie niet konden voldoen aan de norm die jullie van het huwelijk, van het concept van het huwelijk, verwachtten. Jullie waren wreed, jullie zaten vol jaloezie, jullie zaten vol wellust; jullie hadden nooit echt geweten wat liefde is. Uit naam van de liefde hebben jullie alles ondernomen wat juist het tegenovergestelde van liefde is: bezitterigheid, dominantie, macht.


Het huwelijk is een slagveld geworden waar twee mensen strijden om de overhand. Natuurlijk heeft de man zijn eigen manier: ruw en primitiever. De vrouw heeft haar eigen manier: vrouwelijk, zachter, iets beschaafder, ingetogener. Maar het komt op hetzelfde neer. Tegenwoordig spreken psychologen over het huwelijk als een intieme vijandschap. En zo blijkt het ook te zijn. Twee vijanden wonen samen en doen alsof ze verliefd zijn, terwijl ze van de ander verwachten dat die liefde geeft; en de ander verwacht hetzelfde. Niemand is bereid om te geven – niemand heeft het. Hoe kun je liefde geven als je die niet hebt?”

Osho: The New Dawn #20

Image by Alexa from Pixabay.

Jezelf leren kennen

Zoektocht naar je oorspronkelijk gezicht

Het woord persoonlijkheid moet je kunnen thuisbrengen. Het komt van persona; persona betekent masker. Het was in het oude Griekenland gebruikelijk dat acteurs in tragedies maskers droegen; die maskers werden persona genoemd – persona, omdat het geluid vanachter het masker kwam. Sona betekent geluid. De maskers waren duidelijk te zien voor de toeschouwers en vanachter de maskers kwam het geluid. Uit dat woord persona is het woord persoonlijkheid ontstaan. Al wat persoonlijkheid heet is vals. Goede persoonlijkheid, slechte persoonlijkheid, de persoonlijkheid van een zondaar en de persoonlijkheid van een heilige – stuk voor stuk zijn ze vals. Je kunt een mooi masker dragen of een afschuwelijk masker, het maakt geen enkel verschil. Het ware is je essentie.

Persoonlijkheid is ook een noodzakelijk onderdeel van het opgroeien. Het is als met een vis uit de zee die je te pakken krijgt en op het strand gooit; de vis springt terug in zee. Nu heeft hij voor het eerst door dat hij altijd in zee heeft geleefd; voor het eerst weet hij, ‘de zee is mijn leven’. Tot dat moment, voordat hij gevangen en op het droge gegooid was, is er helemaal nooit een gedachte aan de zee bij hem opgekomen; het is goed mogelijk dat hij zich volkomen onbewust van de zee is geweest. Om iets te kennen, moet je het eerst verliezen. Om je van het paradijs bewust te worden, moet je het eerst verliezen. Tenzij het verloren én herwonnen is, heb je geen besef van de schoonheid ervan. Adam en Eva moesten de Tuin van Eden verliezen; dat maakt deel uit van natuurlijke groei. Alleen een Adam die de prachtige Tuin van God verlaat, kan eens op een dag een Christus worden – hij kan terugkeren. Adam die Eden verlaat is net als de vis die gevangen en op het droge geworpen is en Jezus is de vis die in de zee terugspringt.

Primitieve mensen, bijvoorbeeld, hebben iets gemeen met heel jonge kinderen. Ze zijn mooi, spontaan, ongedwongen, maar volkomen onbewust van wie of wat ze zijn; zij hebben geen enkel bewustzijn. Ze leven vreugdevol maar zij beleven die vreugde niet bewust. Eerst moeten ze die verliezen. Ze moeten ontwikkeld raken, opgeleid, goed ingelicht; ze moeten een cultuur, een beschaving, een religie ontwikkelen. Ze moeten eerst al hun spontaniteit kwijtraken, ze moeten heel hun essentie vergeten, en dan op een goede dag gaan ze het plotseling allemaal missen. Het kan niet anders of zo moet het gebeuren.

Dit zien we overal ter wereld, en het gebeurt nu op zo’n grote schaal, omdat het nu voor het eerst is dat de mensheid werkelijk geciviliseerd wordt. Hoe meer een land geciviliseerd is, hoe groter het gevoel van zinloosheid wordt. De onderontwikkelde landen hebben dat gevoel nog niet – dat kunnen ze ook niet. Om dat gevoel van innerlijke leegte, zin- loosheid, ongerijmdheid te hebben, moet men behoorlijk beschaafd worden.
Vandaar dat ik volkomen positief sta tegenover wetenschap, omdat wetenschap erbij helpen kan de vis op het droge te smijten. Want eenmaal op het hete strand, op het gloeiende zand, wordt de vis al gauw dorstig. Een dorstgevoel had hij nooit gekend. Voor de eerste maal mist hij de oceaan, de koelte, de leven schenkende wateren om zich heen. Hij is stervende.

Dat is de situatie waarin de ontwikkelde mens, de goedopgeleide mens zich bevindt: hij is stervende. Diepgaand onderzoek wordt op touw gezet. We zouden willen weten wat ons nu te doen staat, hoe opnieuw in de oceaan van het leven te duiken. In de onderontwikkelde landen, bijvoorbeeld in India, is er geen sprake van een dergelijk gevoel van zinloosheid. Hoewel enkele Indiase intellectuelen erover schrijven, heeft hun geschrijf geen diepgang, doordat het niet overeenstemt met de toestand van de Indiase mind. Enkele Indiase intellectuelen schrijven op ongeveer dezelfde wijze over zinloosheid en absurditeit als Søren Kierkegaard, Jean-Paul Sartre, Jaspers, Heidegger… Zij hebben over deze heren gelezen of het kan zijn dat ze in het Westen geweest zijn, en dan gaan ze over zinloosheid, walging, absurditeit spreken, maar er is een klank van onechtheid in te horen.

Ik heb met Indiase intellectuelen gesproken, maar het klinkt allemaal zo onecht omdat het niet hun eigen gevoel weergeeft; het is geleend. Het is Søren Kierkegaard die je door hun mond hoort spreken, het is Friedrich Nietzsche die door hen spreekt; het is niet hun eigen stem. Ze zijn zich niet werkelijk bewust van wat Søren Kierkegaard bedoelt; zij hebben niet dezelfde pijn doorstaan. Het gevoel is hun vreemd, uitheems; zij hebben het zich als papegaaien aangeleerd. Ze praten erover maar hun hele leven vertolkt iets anders, laat iets anders zien. Wat ze zeggen en wat hun leven te zien geeft, staat lijnrecht tegenover elkaar.

Het zou een unicum zijn dat een Indiase intellectueel zelfmoord pleegt – zoiets heb ik tenminste nooit gehoord – maar veel westerse intellectuelen hebben wel zelfmoord gepleegd. Het gebeurt zelden dat je een Indiase intellectueel tegenkomt die gek wordt; in het Westen is het echter een heel gewoon verschijnsel, er zijn heel wat intellectuelen gek geworden. Het was haast onvermijdelijk dat de doorgewinterde intellectuelen gek werden; het is nu eenmaal hun levenservaring.

De beschaafde wereld overal om hen heen, de overontwikkelde persoonlijkheid is tot gevangenschap geworden. Ze zijn er door omgebracht. Het zware gewicht van de beschaving is te veel en ondraaglijk. Zij hebben een gevoel van verstikking, ze snakken naar adem. Zelfs zelfmoord lijkt een bevrijding, of als ze geen zelfmoord kunnen plegen lijkt krankzinnigheid een uitweg. Door gek te worden kan men tenminste alles wat beschaving heet vergeten, men vergeet alle nonsens die de naam beschaving draagt. Krankzinnigheid is een vlucht uit de beschaving. Het gevoel hebben dat het leven volkomen zinloos is, betekent dat je op een kruispunt staat: je kiest ofwel zelfmoord of je kiest sannyas; of je kiest krankzinnigheid of je kiest voor meditatie. Het is een machtig keerpunt.

Alle persoonlijkheid is vals. Er is een innerlijke kern die niet vals is, die je bij je geboorte meebrengt, die er dus altijd geweest is. Iemand vraagt Jezus: ‘Weet je iets over Abraham?’ En Jezus zegt: ‘Eer Abraham bestond, ben ik.’ Wat is dat voor ongerijmde verklaring, maar ook een van enorme betekenis. Abraham en Jezus – tussen die twee gaapt een grote kloof; Abraham was Jezus bijna drieduizend jaar voor. En Jezus zegt, ‘Eerder dan Abraham ooit bestond, ben ik.’ Hij bedoelt de essentie. Hij praat niet over Jezus, hij spreekt over de Christus. Hij spreekt over het eeuwige. Hij praat niet over het persoonlijke, hij heeft het over het universele.

Zenmensen zeggen dat tenzij jij je oorspronkelijk gezicht, dat je al had nog voordat je vader ooit geboren was, leert kennen, je niet tot verlichting komt. Wat wil dat zeggen: ‘oorspronkelijk gezicht’? Zelfs voordat jouw vader geboren werd, had jij het al, en je zult het weer hebben als je gestorven bent en je lichaam verbrand is en er niets dan as is overgebleven – dan heb je het opnieuw.
Wat is dit oorspronkelijke gezicht? De kern – je mag het de ziel, het wezen, het zelf noemen; dit zijn woorden die dezelfde betekenis hebben. Je bent als een kern geboren, maar als het bij essentie, bij een kern blijft, zonder dat de samenleving een persoonlijkheid voor je creëert, dan blijf je dierlijk. Sommige mensen is dat overkomen.
 
Om een voorbeeld te noemen, ergens in Noord- India in de buurt van de Himalaya werd er eens een kind gevonden, een elfjarig kind dat door wolven was grootgebracht, een wolvenkind – een door wolven opgevoed mensenkind. Natuurlijk kunnen wolven alleen maar de persoonlijkheid van een wolf verschaffen. Het kind was dus menselijk, de kern was er wel, maar hij had de persoonlijkheid van een wolf.

Zoiets is al vaak gebeurd. Het schijnt dat wolven in staat zijn mensenkinderen op te voeden. Het schijnt dat ze een bepaalde liefde, een zeker mededogen voor mensenkinderen hebben. Deze kinderen hebben niets van de vervalsing die de menselijke samenleving hun wel moet opleggen; hun wezen is niet vervuild, ze zijn louter essentie. Ze zijn als de vis in de oceaan – zij weten niet wie ze zijn. En als zij eenmaal door dieren zijn grootgebracht is het heel moeilijk hun een menselijke persoonlijkheid te geven; die opgave is veel te moeilijk. Toen het geprobeerd werd zijn bijna al die kinderen gestorven. Ze kunnen geen menselijke manieren aanleren, daarvoor is het op dat moment al te laat. Ze zijn al in een vorm gegoten; ze zijn al vastomlijnde persoonlijkheden geworden. Zij hebben geleerd hoe zich als wolven te gedragen. Ze weten niets van zedenleer, ze weten niets van godsdienst. Ze zijn geen hindoe, christen, moslim. Zij maken zich niet druk om god – ze hebben nog nooit van hem gehoord. Alles wat ze kennen is het leven van een wolf.

Als de menselijke persoonlijkheid een belemmering vormt, dan is dat alleen het geval als je eraan vasthoudt. Je moet er doorheen: het is een ladder, een brug. Een mens moet zijn huis niet op de brug bouwen, daar heb je gelijk in, maar we moeten de brug passeren. Menselijke persoonlijkheid is fragmentarisch. In een betere samenleving geven we kinderen persoonlijkheden, maar tevens het vermogen om ervan los te komen. Dat is wat momenteel ontbreekt: we verschaffen hun persoonlijkheden, te bekrompen persoonlijkheden, zodat ze ingekapseld, gevangen gezet worden, en we geven nooit een manier aan om die weer kwijt te raken. Het is alsof we een kind een harnas verschaffen en nalaten hem enig idee te geven van hoe hij de bewapening moet losmaken, hoe hij als hij groter wordt het omhulsel op een goede dag moet afleggen.

Wat wij met mensen aan het doen zijn, is precies hetzelfde als wat er in het oude China met de voeten van vrouwen werd gedaan. Van jongs af aan kregen kleine meisjes ijzeren schoentjes zodat hun voetjes nooit groeiden en heel klein bleven. Ze waren daar gek op kleine voeten; die werden enorm gewaardeerd. Alleen aristocratische families konden zich dergelijke voetjes veroorloven, omdat het voor de vrouw nagenoeg onmogelijk was om iets uit te voeren. De vrouw kon zelfs niet behoorlijk lopen, de voeten waren te klein om het lichaam te dragen. De voeten waren verminkt; zij moest met ondersteuning lopen. Wel, een arme vrouw kon zich dat niet veroorloven, dus werden kleine voeten het symbool van de adellijke families.

We kunnen er wel om lachen, maar intussen gaan wij door hetzelfde te doen. Vandaag de dag lopen de vrouwen in het westen op zulke belachelijke schoenen, zulke hoge hakken! Het is oké als je dat in een circus doet, maar zulke hoge hakken zijn er niet om op te lopen. Er is niettemin waardering voor, omdat een vrouw als ze op heel hoge hakken loopt seksueel aantrekkelijker wordt: haar billen steken meer opvallend uit. En doordat het lopen moeilijk gaat, bewegen haar billen meer dan ze normaal gesproken zouden doen. Dit is algemeen aanvaard, men vindt het gewoon. Mensen uit andere beschavingen lachen erom!

Overal ter wereld dragen vrouwen beha’s en zij denken dat het heel normaal en traditioneel is. Feitelijk zorgt de beha ervoor dat de vrouw er seksier uitziet; hij is er alleen om haar lichaam een vorm te geven die zij niet heeft. Hij is om ervoor te zorgen dat de borsten naar voren komen en er heel jong uitzien, niet verzakt. En vrouwen in op traditie gebaseerde samenlevingen, samenlevingen die erop staan dat dames beha’s dragen, hebben het idee dat zij erg religieus en orthodox zijn. Ze houden enkel zichzelf en niemand anders voor de gek – de beha is een seksueel middel. Er zijn enkele primitieve gemeenschappen die net zulke vreemde dingen als de beha dragen. Lippen worden groter en dikker gemaakt. Van kindsbeen af worden er gewichten aan de lippen gehangen, zodat die heel groot en dik worden. Dat staat symbool voor een heel seksuele vrouw – grotere, dikkere lippen kunnen natuurlijk een betere kus geven! In sommige primitieve gemeenschappen was het zelfs gebruikelijk dat de man een bepaalde koker om zijn geslachtsorgaan droeg om dat groter te laten lijken, net zoals vrouwen beha’s dragen.

Nu lachen we om zulke gekke mensen, maar het is hetzelfde verhaal! Zelfs de jongere generatie van overal op de wereld draagt heel strakke broeken – met de bedoeling om de aandacht te vestigen op hun genitaliën. Als iets eenmaal algemeen aanvaard is, besteedt niemand er meer aandacht aan.
Het zou niet zo moeten zijn dat beschaving een nauwe omheining wordt. Het is absoluut noodzakelijk dat je een persoonlijkheid hebt, maar het zou er een moeten zijn die je gemakkelijk aan en uit kunt trekken – precies zoals ruimzittende gewaden, niet van staal gemaakt. Katoen is echt geschikt, zodat je ze om kunt slaan en af kunt leggen; je hoeft ze niet aan een stuk door te dragen.

Dat noem ik een mens met gezond verstand: ie- mand die in zijn kern leeft, maar zich met persoonlijkheid beweegt voor zover de samenleving ermee gemoeid is. Hij gebruikt de persoonlijkheid; hij is de meester van zijn eigen wezen. De maatschappij heeft behoefte aan een zekere persoonlijkheid. Als je je essentie in de maatschappij inbrengt, bezorg je zowel jezelf als anderen moeilijkheden. De mensen begrijpen je kern niet; jouw waarheid zou te bitter voor hen kunnen zijn, jouw waarheid zou hen te veel in verwarring brengen. Dat is helemaal niet nodig! In de maatschappij hoef je niet naakt te lopen; je kunt kleding dragen.

Maar in het eigen huis zouden we naakt moeten kunnen rondlopen, en met de kinderen spelen; op een zomerochtend in de tuin thee drinken, op het grasveld, dat zouden we naakt moeten kunnen doen. Niet nodig in je blootje naar kantoor te gaan – dat is niet nodig! Kleren zijn uitstekend; je hoeft je niet zo nodig aan Jan en alleman ten toon te stellen. Dat zou exhibitionisme zijn, dat is een ander uiterste. Het ene uiterste is dat mensen zelfs niet zonder kleren naar bed kunnen gaan; weer een ander uiterste is dat er jaina monniken zijn die naakt op de markt rondlopen, of naakte hindoe sadhoe’s. En het eigenaardige is dat deze jaina’s en deze hindoes bezwaar hebben tegen westerse vrouwen, omdat die met blote armen lopen en dus geen behoorlijke kleding dragen.
 
Wel, in een buitengewoon warm land als India vinden mensen die uit het westen afkomstig zijn het werkelijk een opgave om te veel kleding te dragen. De westerse zoekers die hier komen vinden het zo belachelijk dat ze hier Indiërs zien met dassen en jassen. Het staat zo belachelijk! In het westen is er niets mis mee – het is koud en de das vormt een bescherming – maar in India is het een poging tot zelfmoord. In het westen is het best om schoenen en sokken te dragen, maar in India? Mensen doen elkaar echter na. Ze lopen de godganse dag met schoenen en sokken aan, en dat in een heet land als India. Westerse kleding is in India niet op zijn plaats – strakke pantalon, een jas, das en hoed – het maakt dat je er bespottelijk uitziet. India vraagt om loshangende kleding. Maar het is niet nodig in het andere uiterste te vervallen, zodat je naakt gaat rondrennen, naakt op de fiets naar de markt gaat. Het veroorzaakt onnodig moeilijkheden, niet alleen voor jou, maar ook voor anderen.

Een mens moet natuurlijk zijn, en met natuurlijk zijn bedoel ik dat we in staat moeten zijn om de persoonlijkheid te laten zien als dat nodig is, in de maatschappij. Het functioneert als een smeermiddel, het helpt omdat er duizenden mensen zijn. Smeermiddelen zijn nodig, omdat de mensen anders voortdurend in conflict zijn, met elkaar in botsing komen. Smeermiddelen zijn nuttig; ze houden je leven soepel.
Persoonlijkheid is goed als je met anderen in contact staat, maar persoonlijkheid is een hinderpaal als je met jezelf in gemeenschap treedt. Persoonlijkheid is goed als je met mensen omgaat; persoonlijkheid vormt een barrière als je met het bestaan zelf in relatie treedt.

Osho: Apotheek voor de ziel, hoofdstuk 4, p.79-90.

Image by Serge WOLFGANG from Pixabay.