1001 verhalen

Wie maakt dan de dieven?

‘Als de mensen aan de ene kant geld blijven verzamelen,
wie maakt dan de dieven?’ vraagt Lao Tse.

Op een goede dag, vijfentwintig eeuwen geleden, benoemde de keizer van China Lao Tse tot zijn opperrechter. Lao Tse probeerde hem op andere gedachten te brengen, maar tevergeefs: ‘U zult er nog spijt van krijgen als u mij tot opperrechter benoemt, want mijn manier van zien en begrijpen is totaal anders dan die van u.’
Maar de keizer stond erop, want hij had al zoveel gehoord over de wijsheid van deze man. Hij zei: ‘Mijn besluit staat vast. En dat kunt u niet weigeren.’
De eerste dag dat Lao Tse op de zetel van opperrechter zat ging de eerste zaak over een man die op heterdaad was getrapt bij een inbraak in het huis van de rijkste man van de hoofdstad. Eigenlijk was er geen zaak – hij was op heterdaad betrapt. Er waren getuigen en hij had zelf bekend dat ‘alles wat ze zeggen is waar.’

Lao Tse deed zijn beroemde uitspraak, zo uniek en zo vol begrip, zoals nog nooit door iemand daarvoor of daarna is gedaan. De uitspraak hield in dat de dief zes maanden de gevangenis in moest – en met hem moest de rijke man ook zes maanden de gevangenis in! Het hele hof, de hele rechtbank kon maar niet geloven wat hij zei. Ze dachten dat zijn oordeel wel zou laten zien hoe wijs hij was, maar dit liet zien dat hij gek was! Wat heeft die rijke nou verkeerd gedaan?

De rijke man zei: ‘Ik kan mijn oren niet geloven. Mijn geld wordt gestolen en ik word daarvoor gestraft? Dezelfde straf als u die dief geeft?’
Lao Tse zei: ‘U bent de eerste crimineel, de dief komt op de tweede plaats. Gewoon vanuit mijn goede hart geef ik u maar zes maanden, u zou eigenlijk langer de gevangenis in moeten dan de dief. U hebt al het geld van de hoofdstad vergaard, u hebt duizenden mensen de honger ingedreven, ze hebben gebrek aan voedsel, ze gaan dood. En zij zijn degenen die produceren. U bent de grootste uitbuiter. Het geld behoort hen toe. Hij was niet aan het stelen, hij bracht het geld gewoon daar waar het thuishoort. U bent de dief geweest, de grootste dief in de hoofdstad. Wees dus maar dankbaar dat ik u niet tot zes jaar heb veroordeeld.’

Zijn manier van redeneren was zo volkomen terecht: als mensen aan de ene kant maar geld blijven verzamelen, wie maakt dan de dieven? En als iemand vanwege de honger, het voedselgebrek, de ziekte, de ouderdom, geen andere uitweg ziet om te overleven, en als hij dan een dief wordt, wie is daar dan verantwoordelijk voor? Het hele hof stond met stomheid geslagen.

De rijke man zei: ‘Misschien heeft u wel gelijk, maar voordat u mij naar de gevangenis stuurt wil ik de keizer spreken.’
En tegen de keizer zei hij: ‘U hebt een krankzinnige benoemd tot opperrechter van uw hooggerechtshof. En bedenk wel: als ik een dief ben, bent u een nog grotere dief, En als ik vandaag de gevangenis in moet, wacht dan gewoon af tot u aan de beurt bent. Dan zien we elkaar in de gevangenis. U hebt het hele land uitgebuit en als u het vege lijf wilt redden zou ik onmiddellijk deze man weghalen en zijn uitspraak terugdraaien.’
De keizer zei: ‘Het is mijn schuld. Die man deed zijn best om mij over te halen. Hij zei tegen me: “Zet me niet op de zetel van opperrechter, want mijn manier van zien en begrijpen is totaal verschillend van de manier waarop u ziet en begrijpt. U leeft in volslagen duisternis en blindheid, U ziet de simpele feiten niet, dat de dief niet de crimineel is, maar een slachtoffer. Hij verdient alle mogelijke sympathie, maar krijgt daarentegen straf. En de rijke heeft van niemand sympathie nodig, maar niemand komt ooit op het idee dat hij straf verdient. Die hele bende van u maakt alle wetten, die gunstig zijn voor jullie en ongunstig voor de armen, waar jullie allemaal het bloed van hebben gezogen.”’


Lao Tse werd van zijn taken ontheven en de keizer zei: ‘U had gelijk. Vergeef mij alstublieft. Onze manier van denken is totaal anders.’
Lao Tse zei: ‘Hebt u er ooit bij stilgestaan? U zegt dat onze manier van denken totaal anders is… als u er ooit bij stil had gestaan zouden ze niet anders geweest zijn. Ze zijn anders omdat ik de grondoorzaak probeer te zien, waarom er zoveel onrecht is, waarom er zoveel kwaad is. En u bent alleen maar geïnteresseerd in steeds meer macht verzamelen, steeds meer rijkdom. Hebzucht denkt niet na, ambitie is blind. En het is goed dat u de eerste dag iets begrepen heeft, want in mijn ogen bent u een crimineel en vroeg of laat zou ik u op laten sluiten. Het is maar beter zo dat u me heeft ontheven van de moeite om u op te laten sluiten. Maar onthoud wel dat u de oorzaak bent van alle misdaad en dat u daar nooit voor gestraft wordt, maar dat de arme slachtoffers er straf voor krijgen.’
 
Osho: The Messiah, Commentaries on Kahlil Gibran’s ‘The Prophet’,
Vol. I, p. 412-413.
Osho: Socrates Poisoned Again After 25 Centuries, 
Talks in Crete, Greece, p. 176-177.
 Osho: Christianity and Zen, p. 258-260.

 Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti.
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com. 
Image by AI_Superart from Pixabay.

Vorige verhalen


Ik bén Abraham Lincoln!

 


De koning van Shravasti die sitar speelde

 


Als één schaap…

 


Wie van de drie?

 


Sodom en Gomorra, een Chassidisch verhaal

Ik bén Abraham Lincoln!

Het unieke van een individu is de hoogste waarheid.

Ik heb eens gehoord over een man… Het was honderd jaar geleden dat Abraham Lincoln was doodgeschoten, dus vonden er in Amerika een heel jaar lang grote herdenkingen plaats ter ere van hem. Er was een man die op Abraham Lincoln leek, gewoon een paar dingetjes aanstippen en hij was bijna een fotografische kopie van Abraham Lincoln.

Hij werd getraind om net als Abraham Lincoln te spreken, met dezelfde gebaren, dezelfde nadruk, hetzelfde accent, alles, tot in de kleinste details -zelfs de manier waarop hij liep- vierentwintig uur per dag… en hij moest dit drama van het leven van Abraham Lincoln door het hele land uitbeelden, het hele jaar door van de ene plaats naar de andere.

Hij werd zo vaak doodgeschoten, elke avond in elke show, soms zelfs twee keer op een dag. Het was dat jaar een lang jaar -hij moest zo vaak sterven- en zijn rol in het drama werd bijna een tweede natuur voor hem.  Dus toen de feestelijkheden voorbij waren stonden de mensen verbaasd te kijken: hij liep de hal uit precies zoals Abraham Lincoln altijd deed, die liep altijd een beetje mank. Hij liep ook mank.

Zijn vrouw zei: ‘Kom toch tot bezinning!’ want hij praatte nog steeds zo, met een honderd jaar oud accent. Zijn vrouw zei: ‘Voer de grap nou niet te ver door. Word maar weer jezelf en kom weer thuis.’
Hij zei: ‘Ik bén mijn ware zelf, ik ben Abraham Lincoln.’

Een jaar lang had hij voortdurend geleefd als Abraham Lincoln, hij stierf duizend doden als Abraham Lincoln, hij was helemaal vergeten dat hij ooit iemand anders was geweest.
Ze brachten hem bij een dokter. De dokter praatte tegen hem, maar hij zat nog steeds in zijn toneelrol. De dokter zei: ‘Vergeet dat toneelspelen nou maar.’
De man zei: ‘Wat voor toneelspel?’
De dokter keerde zich naar zijn vrouw toe en zei: ‘Die man luistert pas als ze hem doodschieten!’

De familie werd er gek van. Hij raakte zijn baan kwijt, niemand wilde hem nog behandelen omdat hij niet ziek was. Er zat gewoon een masker aan hem vastgeplakt.  Een jaar is een lange tijd en elke dag, vierentwintig uur lang, was hij Abraham Lincoln. En een jaar lang Abraham Lincoln zijn om dan plotseling weer een gewoon mens te worden, wie wil dat nou? Hij had de dagen van glorie meegemaakt, de gouden dagen, en hij hield daar krampachtig aan vast. 

Een paar jaar lang heeft de man als Abraham Lincoln geleefd. Hij tekende altijd met ‘Abraham Lincoln’, precies zoals Abraham Lincoln altijd deed. Wat denk je, heeft die man iets bereikt of is hij iets kwijtgeraakt? Hij is zichzelf kwijtgeraakt en wat hij bereikt heeft is alleen een toneelrol. Hij is volkomen onecht geworden. 

En bijna iedereen in deze wereld zit in die situatie. Niet zo dramatisch, niet zo extreem, maar iedereen speelt een bepaalde rol die ze hem geleerd hebben, waar hij mee is opgegroeid. Een kind wordt geboren -hij is geen christen, hij is geen jood, hij is geen moslim- en dan gaan we hem een masker opzetten. Zijn onschuldige gezicht verdwijnt. En hij gaat dood in de overtuiging dat hij een christen is.

Lach die man dus maar niet uit die dacht dat hij Abraham Lincoln was, want alle anderen doen precies hetzelfde…
Mensen worden getraind tot toneelspeler. In heel deze grote wereld kom je allemaal toneelspelers tegen. Iedereen wordt opgevoed met toneelspelen… mooie namen – etiquette, nette manieren – maar daarachter zit een subtiele psychologie verscholen om je originaliteit te vergeten en een of andere acteur in je op te nemen die de gevestigde belangen je willen laten zijn.
 
Osho: Beyond Psychology – Talks in Uruguay, p. 42-43.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti.
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com. 
Image by Mark Thomas from Pixabay. 

Vorige verhalen


De koning van Shravasti die sitar speelde

 


Als één schaap…

 


Wie van de drie?

 


Sodom en Gomorra, een Chassidisch verhaal

 

Ga niet interpreteren!

 

De koning van Shravasti die sitar speelde

Het leven is als sitar spelen:
als je te los staat, ben je verloren,
als je te strak staat, ben je verloren.
De wijzen hebben altijd de middenweg gevolgd.

Er is een prachtig verhaal uit het leven van Boeddha… Hij kwam langs Shravasti – een heel erg rijke en beroemde stad in die dagen- en de koning van Shravasti was in alle opzichten een van de meest egoïstische personen. Hij was buitensporig in alles. Hij leefde in buitensporige luxe. Overdag lag hij altijd te slapen en de hele nacht was een nacht van wijn drinken en dineren en dansen en gokken – heel zijn leven stond op zijn kop.

Hij had een prachtig paleis. Op de treden had hij helemaal geen reling laten maken. Op elke trede stond er een naakte jonge vrouw dienst te doen als reling, zodat hij zijn hand van de ene naar de andere naakte jonge vrouw kon leggen.

  Shravasti

Deze man kwam over Boeddha te horen omdat zoveel mensen tegen hem zeiden: ‘U zou eens naar deze man moeten luisteren, al is het maar voor één keer. Er zit iets van schoonheid, er zit iets van waarheid en er zit iets van een magneetkracht in die man. Wat hij zegt is niet theoretisch, wat hij zegt lijkt wel vanuit het diepste wezen te komen, zijn eigen ervaring. Hij haalt geen autoriteiten aan, hij is geen geleerde. Hij zegt wat hij heeft gekend en hij zegt het met zoveel autoriteit dat het onmogelijk is om er niet door geraakt te worden.’

Zoveel mensen hadden dit tegen hem gezegd dat het hem uiteindelijk lukte om ’s morgens vroeg op te staan om naar Gautama Boeddha te gaan luisteren.
Er was niets overdreven aan alles wat ze hem verteld hadden. In werkelijkheid was de man nog veel meer dan wat ze over hem verteld hadden. Hij had een bepaalde zwaartekracht die je naar hem toe trok.

Shron stond op -zo heette de koning van Shravasti- raakte de voeten van Boeddha aan en zei: ‘Initieer me alstublieft, ik wil monnik worden.’
Het kwam als een verrassing. Niemand had ooit gedacht dat deze man monnik zou worden. Zelfs Gautama Boeddha zei tegen hem: ‘U heeft pas één keer naar me geluisterd, neem nog wat tijd om erover na te denken. Het heeft geen haast.’
Maar zo zat Shron niet in elkaar. Hij zei: ‘Toen ik zei dat ik monnik wilde worden wilde ik ook monnik worden – en wel meteen!’
Hij was buitensporig. Hij werd monnik. Hij deed afstand van het koningschap.

Boeddhistische monniken lopen niet naakt rond, maar Shron begon naakt rond te lopen. Mensen rapporteerden aan Boeddha dat het leek alsof hij echt een groot asceet geworden was. Boeddha zei: ‘Je hebt die man niet echt begrepen. Hij is gewoon buitensporig.’

Boeddhistische monniken eten één maaltijd per dag. Shron at maar één maaltijd in twee dagen. Hij overtrof alle monniken. Hij overtrof zelfs Gautama Boeddha. Als ze op reis waren liepen alle monniken over de weg, maar Shron liep altijd naast de weg. Door de doorns, de ruwe stenen gingen zijn voeten bloeden. En men begon hem enorm te respecteren. Zelfs de andere monniken vonden dat ze tegenover Shron tekortschoten in verloochening. Sommigen begonnen zelfs te denken dat ze beter Shron dan Boeddha konden volgen.

Na zes maanden werd Shron zwart -hij was een mooie man geweest- omdat hij altijd naakt in de hete zon stond. Hij verwoestte zijn lichaam door niet te eten, hij verwoestte zijn voeten door over ruwe stenen, doorns, struiken te lopen in plaats van over de weg. Binnen zes maanden was hij ernstig ziek en Gautama Boeddha ging hem zelf opzoeken.
Dat was iets zeldzaams want het was nooit eerder vermeld dat Boeddha een of andere zieke monnik ging opzoeken, daarvoor of daarna. Als een lopend vuurtje ging het nieuws rond bij alle monniken dat Shron wel degelijk een groot asceet was, anders was Boeddha hem nooit gaan opzoeken alleen omdat hij ziek was.

Maar Boeddha was er om een andere reden heen gegaan. Hij vroeg Shron niet naar zijn ziekte. Hij zei tegen hem: ‘Ik heb gehoord dat u op de sitar speelde toen u koning was en dat u een meester musicus was. Er was niemand in het hele land die eraan kon tippen, klopt dat?’
Shron zei: ‘Ja. Ik vind het heerlijk om op de sitar te spelen en ik had heel mijn leven gewijd aan de sitar. Ik had zo’n staat van beheersing bereikt dat niemand zich met mijn kon meten.’

   Sitar

Boeddha zei: ‘Ik kom een paar vragen stellen. Ten eerste: als de snaren van de sitar te strak staan, krijg je dan mooie muziek?’
Shron zei: ‘Mooie muziek? Dan krijg je helemaal geen muziek. Te strakke snaren breken gewoon.’
Boeddha zei: ‘En als de snaren te los staan, krijg je dan mooie muziek?’
Shron zei: ‘Wat een vreemde vragen stelt u. Als de snaren te los staan hebben ze niet genoeg spanning om muziek te maken.’
Toen zei Boeddha: ‘Hoe moeten de snaren dan afgesteld staan om mooie muziek te maken?’
En Shron zei: ‘Ze moeten precies in het midden zijn afgesteld, waar je kunt zeggen dat ze niet te los en niet te strak staan. Dat is nou een van de geheimen van de kunst om de snaren precies in het midden af te stellen.’

Boeddha zei: ‘Verder heb ik u niets te vragen. Ik ben alleen gekomen om u eraan te herinneren dat het leven net zoals het spelen op de sitar is: als je te los bent ben je verloren, als je te strak bent ben je verloren. Elk uiterste is een dood en het is de hele kunst om precies het midden te vinden. U was te los toen u ontzettend luxe leefde. Nu bent u te strak bezig om op een onnodig ascetische manier te leven. Kom naar het midden, luister naar me, want de wijzen hebben altijd de middenweg gevolgd, ze gaan nooit naar de uitersten. Alleen dwazen gaan naar de uitersten.’

Osho: The Sword and the Lotus – Talks in the Himalayas, p. 138 -139.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti.
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com. 
Afbeeldingen: wikipedia/commons.

Vorige verhalen


Als één schaap…

 


Wie van de drie?

 


Sodom en Gomorra, een Chassidisch verhaal

 

Ga niet interpreteren!

 


De hangbrug over de Rode Zee

Als één schaap…

In de massa is er een neiging om anderen te volgen.
Iemand steekt zijn hand op, de rest volgt.
De massa is net een stelletje schapen.


De leraar vroeg aan de kleine jongen, omdat die jongen de zoon van een herder was: ‘Je hebt tien schapen. Vijf springen er over het hek, hoeveel blijven er over?’
De jongen zei: ‘Geen één.’
De leraar zei: ‘Wat? Kom je daar nou niet uit? Vijf zijn er over het hek gesprongen, en eerst had je er tien, hoeveel blijven er dan over?’
De jongen zei weer: ‘Geen één.’
De leraar was ten einde raad. Hij zei: ‘Je komt er dus niet uit?’
Het kind zei: ‘U weet misschien wel wat van cijfers, maar ik weet wat van schapen. Er blijft er geen één over. Ook al springt eentje er overheen, dat is al genoeg, dan zullen de andere negen wel volgen.’

Osho: Just Like That, Talks on Sufi Stories, p. 190-191.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti.
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com. 
Image by Ben from Pixabay.

Vorige verhalen


Wie van de drie?

 


Sodom en Gomorra, een Chassidisch verhaal

 

Ga niet interpreteren!

 


De hangbrug over de Rode Zee

 


Vader, wie ben ik?

Wie van de drie?

Je moet gewoon een kaarsje van bewustzijn opsteken
en je leegte zal zich vullen met licht.


Er is een verhaal… Een koning wilde zijn opvolger kiezen. Normaal is dat niet zo moeilijk, de oudste zoon volgt de troon op. Maar hij had drie zoons die tegelijk geboren waren. Ze waren even oud, ze waren even dapper, ze waren even slim -dat heb je wel eens met tweelingen, drielingen- in alles waren ze gelijk. Het was al moeilijk om erachter te komen wie wie was. Zelfs de vader en de moeder raakten van deze drie broers in de war.

De koning begon op leeftijd te komen. Voordat hij komt te overlijden moet iemand gekroond worden, de verantwoording krijgen.  Hij kon er maar niet achter komen wat hij moest doen, hoe hij erop moest komen. Ze waren alle drie prachtig, ze waren alle drie dapper, ze waren alle drie intelligent. Ze waren kopieën van elkaar.

Hij zocht een wijze oude man op en vroeg: ‘Hoe moet ik nou mijn opvolger vinden?’
De man zei: ‘Dat is niet zo moeilijk. Je drie zoons hebben allemaal een prachtig paleis, ieder afzonderlijk. Ga ze maar vertellen… geef ze alle drie wat geld, evenveel geld, en zeg tegen ze: “Je moet je huis helemaal vullen met iets wat je met dit geld kunt kopen.”’

Het was zo weinig geld… Ze bedachten van alles -rozen halen en het hele huis met rozen vullen- maar daar was niet genoeg geld voor. Dus ging de eerste naar de gemeentelijke afvaldienst, want het goedkoopste wat hij kon kopen was het afval dat opgehaald werd door de vuilniswagens van de ophaaldienst. Hij zei tegen ze: ‘Dump het maar in mijn paleis in plaats van alles weg te gooien. Vul het tot de nok, onder die voorwaarde.’
En voor dat geld wilden ze het wel doen, dat leed geen twijfel. Ze gingen het toch weggooien, buiten de stad. ‘Dit bespaart tijd, en hij geeft er nog geld voor ook.’
Ze konden maar niet geloven wat hij van plan was! Hij zei: ‘Maak je er maar niet druk over. Het is iets wat mijn leven heel erg gaat bepalen.’

De tweede zoon zat in zak en as. Wat moest hij nou doen? En het raadsel werd nog groter, want de eerste had zijn paleis al gevuld. Hij moest iets goedkoops vinden. Hij moest zijn huis met modder vullen. Het was regentijd en overal lag er veel modder voor het oprapen. Hij hoefde alleen maar vrachtwagens te halen om de modder te vervoeren om het huis mee te vullen. Daar was genoeg geld voor.

Ze waren allebei tevreden en allebei keken ze naar de derde, wat hij deed, want hij deed helemaal niets.
De avond viel en de koning kwam op bezoek. Hij ging naar het eerste huis. Het stonk, hij kon er niet naar binnen. Maar de zoon zei: ‘Het huis zit helemaal vol, er is geen centimeter wat niet gevuld is.’
De koning zei: ‘Ik neem je op je woord. Ik ga daar niet naar binnen.’
De tweede zoon zei dat hij naar binnen kon gaan, maar wat zag hij daar? Een marmeren paleis vol modder!

Beide zoons gingen met hun vader mee naar de derde zoon en ze stonden verbaasd – het huis was helemaal leeg. De zoon had zelfs het meubilair en al het andere weggehaald. Het was helemaal leeg. Ze konden maar niet bedenken wat hier voor idee achter stak.

Ze zeiden tegen hem: ‘Het huis is leeg maar je hebt geld gekregen om het helemaal te vullen?’
Hij zei: ‘Kijk nog eens goed.’ Ze keken nog eens. Het was leeg.
Ze zeiden: ‘Hou ons niet voor de gek. Het is helemaal leeg. Zelfs het meubilair, de piano -de dingen waar je altijd zo van hield- is weggehaald. Het is nog leger dan ooit!’ 
De zoon zei: ‘Nee. Kijk maar eens naar de kaarsen die het met licht vullen. Het is leeg, maar vol licht. En hier hebt u het geld wat over is, want de kaarsen waren niet zo duur en zoveel geld was niet nodig.’

Het spreekt vanzelf dat hij tot opvolger werd gekozen.
 
Jouw leegte is niet iets om je zorgen over te maken.
Je moet er gewoon een kaars in aansteken
en het vult zich met licht, tot overvloeden toe.
En dan word je de schoonheid gewaar van het totaal leeg zijn ervan.
Er is niets wat het licht in de weg zit,
er is niets om ook maar een schaduw te geven.

Osho: From Death to Deathlessness – Answers to the Seekers of the Path, p. 475-476.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti.
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com. 
Image by Pete Linforth from Pixabay.

Vorige verhalen


Sodom en Gomorra, een Chassidisch verhaal

 

Ga niet interpreteren!

 


De hangbrug over de Rode Zee

 


Vader, wie ben ik?

 


De priester en de heks

Sodom en Gomorra, een Chassidisch verhaal

Een enkele man van onschuld kan de loop van het bestaan veranderen:
het Chassidische verhaal van Sodom en Gomorra.


Er is een Chassidisch verhaal… Het verhaal gaat dat, toen God besloot om Sodom en Gomorra te vernietigen, een Chassid God benaderde en tegen hem zei: ‘Ik zit met een paar vragen en u moet daar antwoord op geven want het gaat om de levens van duizenden mensen.’
God stelde zich welwillend op, hij zei: ‘Vraag maar.’

De Chassid zei: ‘U hebt besloten om Sodom en Gomorra te gaan vernietigen, maar heeft u er wel over nagedacht dat er in beide steden een paar mensen zijn die absoluut onschuldig zijn? Ik ken ze wel, ik ben er één van. Er zijn honderd Chassidim in beide steden en u gaat die onschuldige mensen ook vernietigen? Ze hebben geen enkele misdaad begaan. Bent u bereid om die verantwoordelijkheid op u te nemen? Voelt u zich dan niet schuldig?’
God zei: ‘Zo heb ik er nog nooit naar gekeken: honderd Chassidim, onschuldige mensen… Misschien moet ik wel terugkomen op mijn beslissing om Sodom en Gomorra te vernietigen.’

De Chassid zei: ‘Dan moet ik nog iets vragen. U bent bereid om op uw beslissing terug te komen voor honderd Chassidim, maar eigenlijk zijn er maar tien Chassidim. Maak de hoeveelheid iets uit? Zullen tien onschuldige mensen niet genoeg zijn om Sodom en Gomorra te sparen?’
God moest even nadenken en zei toen: ‘Je hebt gelijk. Het gaat om de kwaliteit, niet om de kwantiteit. Ook al zijn er maar tien mensen onschuldig, dan ga ik de steden niet vernietigen.’

De Chassid zei: ‘Ik heb een derde vraag. Eigenlijk is er maar één man die onschuldig is. Ik woon zes maanden in Gomorra en zes maanden in Sodom. Zal dat u doen veranderen van mening? Het is weer een kwestie van kwantiteit: van honderd naar tien, van tien naar één, dezelfde verhouding.  En hoe moet ik nou een garantie geven voor honderd mensen, dat ze onschuldig zijn? Hoe moet ik van tien mensen weten of ze onschuldig zijn? U stelt me onmenselijke vragen. Ik kan absoluut één ding garanderen: dat ik onschuldig ben. Vertel me nou eens wat u van plan bent.’

Het Chassidische verhaal vertelt dat God wel moest toegeven aan de Chassid, want het is de kwaliteit waar het om gaat. Je kunt miljoenen criminelen wel sparen, maar één onschuldig mens moet je niet vernietigen. Onschuld is zoiets waardevols, het is zoiets zeldzaams en unieks.

Dit is een Chassidisch verhaal. Het staat niet in het Oude Testament, maar het is een prachtig verhaal.

Osho: From Death to Deathlessness
– Answers to the Seekers of the Path, p.108-109.


Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti.
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com

Afbeelding: Wikimedia Commons, Gathering of Chabad Hasidim in 770 Eastern Parkway.

Vorige verhalen

Ga niet interpreteren!

 


De hangbrug over de Rode Zee

 


Vader, wie ben ik?

 


De priester en de heks

 


Een soefi mysticus mag een wens doen

 

Ga niet interpreteren!

Een man die tot twintig jaar was veroordeeld hield zichzelf geestelijk gezond door vriendschap te sluiten met een mier die zijn cel met hem deelde. Hij maakte zelfs een huis van twee verdiepingen voor hem in een lucifersdoosje.

Om de tijd te doden maakte de gedetineerde een klein gitaartje en in vijf jaar leerde hij de mier zingen en gitaarspelen. Tijdens de lange winteravonden was de mier een grote troost voor zijn weldoener door de optredens en concerten die hij gaf. Na nog eens vijf jaar had de gedetineerde de mier geleerd om te dansen en na twaalf jaar was hij ook een volleerd doedelzakspeler.

Naarmate de dag naderde dat hij vrij zou komen begon het de gedetineerde te dagen dat hij het grootste televisie optreden ooit in zijn bezit had.
Hij zou rijk worden, beroemd …

Op de dag van zijn vrijlating haastte de ex-gedetineerde zich naar de dichtstbijzijnde kroeg om zijn vrijheid te vieren. Hij bestelde een pint en haalde het lucifersdoosje tevoorschijn terwijl hij die opdronk, schudde de mier op de toonbank van de lege bar en vroeg om een deuntje.

De mier maakte van de gelegenheid gebruik door een geweldige uitvoering ten beste te geven van ‘The heart bowed down.’
Het was een sterk optreden. De eigenaar, overmand van vreugde, riep de barman en knikte naar de mier. ‘Wat zeg je daar nou van?’ zei hij.
Waarop de barman zijn hand optilde, neer liet komen op de toonbank en de mier doodsloeg. ‘Dat spijt me meneer,’ zei hij, ‘maar dat heb je met dat warme weer.’
 
Nou gaf de barman zijn eigen interpretatie eraan. Hij keek niet naar die mier.  Zoiets gebeurde wel vaker – dan riep iemand, een klant, hem en zei: ‘Kijk, een mier op tafel.’
En dan maakte hij hem dood met de woorden: ‘Dat heb je met dat warme weer.’

Nou heeft hij een van de kostbaarste mieren doodgemaakt.
Dat krijg je ervan als je eigen interpretaties eraan geeft.

Osho: Sufis, the People of the Path – Talks on Sufism, Vol. 2, p. 295-296.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti. 
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com.
Image by gwendoline63 from Pixabay.

Vorige verhalen


De hangbrug over de Rode Zee

 


Vader, wie ben ik?

 


De priester en de heks

 


Een soefi mysticus mag een wens doen

 


Ramakrishna en de man die naar de Ganges ging

 

De hangbrug over de Rode Zee

Elk geloof druist tegen de natuur in. Als je tegen iemand zegt dat hij ergens in moet geloven wek je een neurose in hem, maak je hem gespleten.

Ik heb eens horen vertellen… Een kleine jongen kwam thuis van de zondagsschool en zijn vader vroeg: ‘Wat heb je vandaag geleerd?’
‘Nou,’ zei het jochie, ‘tweeduizend jaar geleden wilden de Joden wegvluchten van de boze Egyptenaren. Dus liet Mozes de Joden zo’n hangbrug bouwen over de Rode Zee. Toen hebben ze hem vol met dynamiet geladen. De Joden zijn over de brug weggevlucht en toen alle Egyptenaren hen achterna kwamen hebben ze de brug opgeblazen en zijn alle Egyptenaren verdronken.’
‘Heeft de leraar je dát verteld?’ vroeg de verbaasde vader.
‘Nee,’ zei de jongen, ‘maar u gelooft nooit dat gekke verhaal dat hij ons wel verteld heeft.’


 
Elk geloof druist tegen de natuur in. En elk geloof is gewoon een onderdrukking van je twijfels. Ja, je kunt je twijfels wel onderdrukken als er veel angst is, je kunt je twijfels wel onderdrukken als er veel hebzucht is – als je hemels genot wordt geboden en als je bedreigd wordt door hellevuur en duivels die je gaan martelen. Als ze die dingen in je hoofd stoppen begin je te geloven. Maar je weet altijd wel, altijd wel ergens van binnen, dat je twijfelt.

Hoe kun je iets geloven? Hoe kan iemand iets geloven zonder het zelf te hebben geweten? Als je de werkelijkheid zoals ze is niet onder ogen hebt gezien is het niet mogelijk om vertrouwen te hebben. Vertrouwen komt niet door angst, vertrouwen komt niet door hebzucht, vertrouwen komt alleen door ervaring.

De soefi’s leren je een ander soort kijk op de wereld – niet gebaseerd op geloof maar op experimenten, ervaring en de conclusies die vanzelf worden getrokken uit die experimenten en ervaringen. Dan heb je een heel ander soort geloof. Daar zit geen twijfel in onderdrukt, het is totaal. Je raakt er niet verdeeld van, je raakt er niet gespleten van.

Christenen en hindoes en mohammedanen en allerlei gelovigen hebben gespleten persoonlijkheden, schizofrene. Schizofrenie is een van de meest voorkomende trekken in de mens. En waarom is de mens schizofreen? De oorzaak zit hem in die zogenaamde religieuze leer, indoctrinatie.

Als je tegen iemand zegt dat hij ergens in moet geloven wek je een neurose in hem, maak je hem gespleten. Nou zal hij nooit één zijn, hij zal twee zijn. Het ene deel, het echte deel, zal blijven twijfelen en het onechte deel, het oppervlakkige deel, zal blijven geloven. En deze spleet zal groter en groter gaan worden, deze spleet zal altijd veel ongerustheid geven.

Kijk eens naar iets waar je in gelooft. Als je in God gelooft en je kijkt er eens naar, weet je dat je twijfelt… Al die zogenaamde geschriften van je zitten vol met onzin. Maar je gaat maar door met geloven gewoon omdat je bang bent, omdat je niet met je beide benen op de grond staat, omdat je niet geworteld staat in de werkelijkheid.
 
Osho: Sufis, the People of the Path – Talks on Sufism, Vol. 1, p. 471-473.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti. 
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com.
Image by Derek Wolfgang from Pixabay.

Vorige verhalen


Vader, wie ben ik?

 


De priester en de heks

 


Een soefi mysticus mag een wens doen

 


Ramakrishna en de man die naar de Ganges ging

 


Dale Carnegie stuurt een brief

Vader, wie ben ik?

Het leven en de dood zijn geen twee dingen maar twee vleugels,
twee vleugels van hetzelfde verschijnsel.

De diepste kern van zijn is niet-zijn. De fundering van iets-heid is niets-heid. 
En als ik niets-heid zeg bedoel ik niet niets-heid, maar niet-ietsheid.

Vorm bestaat op basis van het vormloze. De vorm komt voort uit het vormloze, net zoals golven uit de zee voortkomen. En dan valt de golf terug, lost ze weer op in het vormloze. De naam rijst op uit het naamloze, valt weer terug, keert terug naar de oorspronkelijke bron, wordt weer naamloos. Het leven komt voort uit de dood en gaat er weer terug heen.
Het is heel fundamenteel om te bedenken dat deze tegengestelden niet tegengesteld maar complementair zijn.

De dood is niet tegen het leven, niet-bestaan is niet tegen het bestaan, niet-zijn is niet tegen het zijn. Het zijn twee polen van hetzelfde verschijnsel, wat elk begrip te boven gaat.
Soms drukt het zichzelf uit als zijn en soms als niet-zijn, maar het is hetzelfde wat zich in beide tot uitdrukking brengt. Dit moet je zo diep mogelijk zien te begrijpen, want je hele sadhana, het streven naar ultiem begrip, is daarvan afhankelijk.

Als je niet bereid bent om niet-zijn te worden zal je nooit een echt authentiek wezen worden. Het lijkt wel iets tegenstrijdigs. Jezus zegt tegen zijn discipelen: Als je jezelf niet verliest zal je jezelf niet winnen. Als je je aan jezelf vastklampt zal je vernietigd worden, als je je niet vastklampt zal je gered worden. Hij zegt dat je wezen alleen gered wordt als je je naar niet-zijn toe gaat.
 
Er bestaat in India een heel oude en heel mooie parabel in de Upanishads. Een grote wijze, Uddalaka, kreeg van zijn zoon Svetaketu de vraag: ‘Vader, wie ben ik? Wat is het dat in mij bestaat? Ik probeer het steeds, ik mediteer steeds, maar ik kan het niet vinden.’
Svetaketu was een klein kind maar hij stelde een heel erg moeilijke vraag. Als iemand anders de vraag had gesteld zou Uddalaka er gemakkelijk antwoord op hebben gegeven, maar hoe help je een kind om het te begrijpen? En het vroeg het moeilijkste probleem dat er bestaat.

   Banyan vrucht en blad.

Uddalaka moest een truc verzinnen. Hij zei: ‘Ga jij eens daarheen, waar je die banyanboom ziet staan en haal me eens een vrucht daarvan.’
Het kind rende weg, het bracht een kleine vrucht van de banyanboom mee. De vader zei; ‘Snij hem nu eens open. Wat zie je binnenin?’
Het kind zei: ‘Miljoenen kleine zaadjes.’
De vader zei: ‘Kies er nou eens één uit en snij die eens door. Wat zie je daar nou in?’
Het kind zei: ‘Niets-heid.’
De vader zei: ‘Uit die niets-heid rijst deze grote boom op. In het zaadje, precies in het midden, bestaat niets-heid. Je snijdt het door – er is niet-iets en uit dat niet-ietsheid rijst het wezen van deze grote boom op. En hetzelfde geldt voor jou, Svetaketu.’
Toen ontstond een van de grootste uitspraken die ooit door een mens zijn geuit:
Tat Twam Asi, Svetaketu.’ Dat zijt gij, gij zijt dat, Svetaketu.’

     De bodhisattva Svetaketu.

Jij bent ook dat niet-ietsheid wat precies in het hart van het zaad bestaat. Als je dit niet-zijn niet in jezelf vindt, zal je de authentieke waarheid niet bereiken. Dan kun je wel rondgaan in theorieën, dan kun je wel filosoferen, maar je zult het niet bereiken.
De jongen mediteerde op dit niet-ietsheid en hij werd er heel stil van. Hij contempleerde, hij genoot van dit niet-ietsheid, hij voelde het heel diep van binnen.
Maar toen kwam er weer een vraag op. Een paar dagen later kwam hij weer bij zijn vader en zei: ‘Ik kan het wel voelen, maar het is allemaal nog niet heel duidelijk, het is vaag, alsof er overal een mist omheen hangt. Ik zie wel dat alles uit niet-ietsheid wordt geboren, maar hoe vermengt zich niet-ietsheid met ietsheid? Hoe vermengt zijn-heid zich met niet-ietsheid? Hoe vermengt zich zijn met niet-zijn? Het is paradoxaal.’

De vader zat weer met een moeilijkheid – altijd als kinderen vragen opwerpen is het moeilijk om daar antwoord op te geven. Van de antwoorden die volwassenen aan kinderen geven is bijna negenennegentig procent verkeerd – gewoon middeltjes om hun gezicht te redden. Je speelt vals.
Maar Uddalaka wilde dit kind niet bedriegen. Zijn nieuwsgierigheid was niet zomaar nieuwsgierigheid, het was een diepgaand onderzoek. Hij was er echt mee begaan. Hij had misschien wel het lichaam van een kind, maar zijn ziel was eeuwenoud. Hij had in het verleden vast geworsteld, hard geprobeerd om het mysterie te doorgronden. Hij was niet zomaar nieuwsgierig, hij was er oprecht mee begaan. Het was niet zomaar een rondzwervende vraag vanuit het hoofd, het zat heel diep geworteld.

De vader zei: ‘Ga eens een kopje water halen.’
De jongen kwam met een kopje water aanzetten.
Toen zei de vader: ‘Ga nou eens wat suiker halen.’
Hij bracht wat suiker en toen zei de vader: ‘Meng ze eens door elkaar.’
Het suiker loste op in het water en de vader zei: ‘Kun je nu het suiker van het water scheiden?’
De jongen zei: ‘Dat is nou onmogelijk. Ik kan niet eens zien waar het suiker is gebleven.’
De vader zei: ‘Probeer het eens.’
De jongen keek erin maar hij kon geen suiker vinden, het was opgelost, het was water geworden.
Toen zei de vader: ‘Proef eens.’
De jongen proefde, het was zoet.
En de vader zei: ‘Kijk, het is net zo. Jij kunt misschien geen onderscheid maken tussen wat zijn is en wat niet-zijn is, ze smelten in mekaar, net als water en suiker. Je kunt het wel proeven en weten dat er suiker in dit water zit. Je kunt ze nu misschien niet van elkaar scheiden – eigenlijk kan niemand ze van elkaar scheiden, omdat ze niet gescheiden zijn.’
 
Je kunt water en suiker scheiden, dat was gewoon een truc om de jongen het te laten begrijpen – maar niet-zijn en zijn kun je niet scheiden. Dat is onmogelijk. Ze zijn niet gescheiden, hoe kun je ze dan scheiden? Ze bestaan altijd gezamenlijk.
Eigenlijk is het niet juist om te zeggen dat ze samen bestaan, want het hele woord ‘samen’ houdt al een concept in van met zijn tweeën. Ze zijn niet twee, ze zijn één. Ze lijken alleen twee.

Waar kom je vandaan? Heb je je ooit over dit fundamentele probleem gebogen? Waar je vandaan komt? Niet-ietsheid.
Waar beweeg je naar toe, waar ga je heen? Niet-ietsheid.
Van niet-ietsheid naar niet-ietsheid … en precies tussen twee niet-ietsheden rijst het zijn omhoog.
De rivier van het zijn stroomt tussen twee niet-ietsheden.

Zijn is prachtig, maar niet-zijn is ook prachtig. Het leven is goed, maar de dood is ook goed – want het leven kan zonder de dood niet bestaan. Normaal denk je dat de dood tegen het leven is, dat ze vernietigt. Nee, je zit ernaast. Zonder de dood kan het leven ook maar geen moment bestaan. Ze geeft ondersteuning. Ze vormt er de basis zelf van.
Omdat je dood kunt gaan, daarom kun je leven. Het leven en de dood zijn geen twee dingen maar twee vleugels – twee vleugels van hetzelfde verschijnsel…

Zoals je bent moet je door de dood heen gaan. En je klampt je veel te veel aan het leven vast. Daar heb je niets aan – de dood komt toch wel. Maar de dood komt op twee manieren.
Op de ene manier komt ze op de normale manier: Jij klampt je aan het leven vast en ze komt als de vijand. Je vecht ertegen, je verzet je ertegen, je doet alles wat maar mogelijk is om ervoor weg te lopen. Maar hoe kun je er voor weglopen?

Op de dag dat je geboren werd, werd de dood een zekerheid. Elke geboorte draagt het zaad van de dood in zich. In feite is er behalve dat niets zeker in het leven. Alles is hoogstens waarschijnlijk, maar de dood is zeker. Het gaat gebeuren. Je kunt ervoor weglopen, je kunt het een tijdje uitstellen, maar dat verandert niets aan de situatie. Het gaat gebeuren.
De ene manier is om de dood als een vijand tegemoet te treden, zoals negenennegentig procent van de mensen ook doen – en zo lopen ze haar mis. Omdat ze er vijandig tegenover staan kunnen ze er geen gebruik van maken, kunnen ze er niet van profiteren, kan de dood hen niet van dienst zijn.


Er is nog een manier: de dood accepteren als een vriend, om haar te accepteren als een binnenste deel van je wezen, om ervan te genieten, om haar te verwelkomen, om er klaar voor te zijn als ze komt. Om haar te omarmen. Opeens verandert de dood van kwaliteit. Ze is geen dood meer, ze wordt een deur. Ze vernietigt je niet meer, maar ze bewijst je integendeel een dienst. Ze leidt je naar het doodloze.

Ga dood – je zult wel dood moeten gaan. Maar ga op een elegante manier dood. Ik zeg niet dat je als een stoïcijn dood moet gaan, ik zeg niet dat je als een heel gecontroleerd mens moet sterven. Nee, ik zeg, sterf elegant, mooi, alsof er een vriend komt, bij je aan de deur komt kloppen en je bent blij. En je omhelst je vriend en je nodigt hem uit om binnen te komen, je hebt al zo lang op hem zitten wachten…

Als je van de dood kunt houden word je doodloos. Als je niet-zijn kunt doorgronden, dan wordt je wezen de bodem zelf van zijn-heid, de bodem zelf van god. Als je van niet-zijn kunt houden, dan kan niets jou kapotmaken, je hebt tijd en ruimte overstegen. Dan ben je één geworden met het geheel en dat is wat heiligheid is – heel zijn is heilig zijn.
 
Osho: Tao, The Three Treasures,
Talks on Fragments from Lao Tzu’s Tao Te Ching, Vol. 1 # 7.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti. 
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com.
Afbeeldingen:
https://i.pinimg.com/736x/21/64/7b/21647b2e29770fb87028443d86dad2a7–clark-little-photography-ocean-photography.jpg
http://3.bp.blogspot.com/–OowZU3I1P4/U2hxnpJ7uFI/AAAAAAAAQHk/oMTx3sM12jA/s1600/4.jpg
https://upload.wikimedia.org/wikipedia/commons/thumb/d/db/001d_The_Bodhisattva_Svetaketu_%2828682083431%29.jpg/1280px-001d_The_Bodhisattva_Svetaketu_%2828682083431%29.jpg
 https://www.google.nl/search?q=osho+on+death&client=safari&rls=en&dcr=0&source=lnms&tbm=isch&sa=X&ved=0ahUKEwjfzITdj9nWAhXPfFAKHUsTDPYQ_AUICigB&biw=1187&bih=752#imgrc=NVX54pNXIrd8VM:

Vorige verhalen


De priester en de heks

 


Een soefi mysticus mag een wens doen

 


Ramakrishna en de man die naar de Ganges ging

 


Dale Carnegie stuurt een brief

 


De nederige keizer Akbar

De priester en de heks

‘Zeg eens, jongen, hoe oud ben je eigenlijk?’

Een jonge priester nam eens honderd duizend dollar mee uit de brandkast van de kerk en raakte alles kwijt op de beurs. Toen ging zijn mooie vrouw ook nog bij hem weg.
In wanhoop liep hij naar de rivier en hij stond net op het punt om van de brug af te springen toen hij tegengehouden werd door een oude vrouw met een zwarte cape, een gerimpeld gezicht en draderige grijze haren.

‘Niet springen,’ kraste ze. ‘Ik ben een heks en ik zal drie wensen van je uit laten komen als je iets voor me wilt doen!’
‘Ik ben niet meer te redden,’ antwoordde hij.
‘Doe niet zo dwaas,’ zei ze.
‘Hocus pocus pas! Het geld is weer terug in de kluis.
Hocus pocus pas! Je vrouw zit thuis op je te wachten met een hart vol liefde.
Hocus pocus pas! Je hebt nu tweehonderd duizend dollar in de bank!’
‘Dat is g-geweldig,’ stamelde de priester. ‘Wat moet ik voor u doen?’
‘Vannacht met mij naar bed gaan.’

De gedachte aan vrijen met de tandeloze oude feeks stootte hem tegen de borst, maar wel degelijk de moeite waard, dus ze trokken zich terug in een motel in de buurt.
De volgende ochtend, toen de walgelijke beproeving voorbij was, stond de priester zich aan te kleden en zei de vleermuis vanuit het bed: ‘Zeg eens, jongen, hoe oud ben je eigenlijk?’ 
‘Ik ben tweeënveertig,’ zei hij. ‘Hoezo?’
‘Ben je dan niet te oud om nog in heksen te geloven?’
 
Dat krijg je ervan. Als je in God gelooft kun je ook in heksen geloven,
dat zit in hetzelfde pakket.
Als je in één soort onzin gelooft kun je van allerlei onzin geloven.

Maar dan word je nooit groot. Dan blijf je kinderlijk.
 
Osho: Zen, the Path of Paradox, Vol. 1, p. 13-14.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti. 
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com.
Image by Pete Linforth from Pixabay.

Vorige verhalen


Een soefi mysticus mag een wens doen

 


Ramakrishna en de man die naar de Ganges ging

 


Dale Carnegie stuurt een brief

 


De nederige keizer Akbar

 


De man met de bijl