1001 verhalen

Liefde is de hele Torah, de rest is commentaar

Er staat een prachtig verhaal in de Talmoed. Er kwam eens een heiden bij Hillel –een groot Joods mysticus- en hij vroeg hem op cynische toon: ‘Leer mij nou eens de hele Torah terwijl ik op één been sta.’
Dit is nou iets onmogelijks, de Torah is een uitgebreid geschrift – het duurt echt jaren voordat je hem onder de knie krijgt. En deze cynicus, deze sceptische persoon, zegt tegen Hillel: ‘Als u de Torah nou begrepen hebt, geef mij dan de kern, de samenvatting, de essentie ervan. Terwijl ik op één been sta vertelt u me alles wat er in de Torah staat.’ 

En deze scepticus was ook bij andere mystici langs geweest, maar dat waren vast geen mystici, het waren grote theologen, filosofen, denkers, pandits, geleerden. Ze hadden het allemaal geweigerd.
Ze hadden gezegd: ‘Dat is onmogelijk, voor de Torah moet je jarenlang studeren, levenslang studeren. Je kunt de Torah niet condenseren in een paar zinnen, dat zou heiligschennis zijn. Dat is onmogelijk.’
Maar Hillel ging akkoord en gaf meteen antwoord: ‘Doe een ander niet aan wat je niet wil dat een ander jou aandoet. Dit is de hele Torah, de rest is commentaar.’

Liefde is de hele Torah, de rest is commentaar.
En wat is liefde?
Doe een ander niet aan wat je niet wil dat een ander jou aandoet.
 
Dit is het criterium voor liefde:
Doe anderen aan wat je graag wilt dat anderen jou aandoen.
Wat je voor jezelf vraagt, gun dat ook aan een ander.
Wat je niet wilt dat met jou gebeurt, doe dat een ander dan ook niet aan.

Osho: The Divine Melody – Discourses on Songs of Kabir, p. 219.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti. 
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com.
Afbeelding van falco via Pixabay.

Vorige verhalen


Junaid verbreekt zijn vasten

 


De dood komt de 100 jaar oude koning ophalen

 


De specht

 


Drie wijze mannen opgesloten

 


Geen hoofd in de spiegel

 

Junaid verbreekt zijn vasten

Wij zijn de meesters, wij kunnen een gelofte doen, wij kunnen haar ook breken.

Op een goede dag vertrok een soefi mysticus, Junaid, op een bedevaart, een heilige bedevaart naar de Kaäba. Hij zei tegen zijn discipelen: ‘We hebben een maand nodig om de Kaäba te bereiken en we gaan vasten, zodat onze lichamen helemaal gezuiverd zijn tegen de tijd dat we bij de Kaäba aankomen.’
De discipelen waren het ermee eens. Ze gingen op reis. Op de derde dag kwamen ze in een dorp aan. Het hele dorp liep uit om hen te ontvangen, want Junaid had daar een discipel, een heel erg arme man. Omdat Junaid voor de eerste, en misschien wel de laatste, keer naar zijn dorp kwam en bij hem te gast zou zijn, had hij zijn land verkocht, zijn huis, alles, om een feest te geven voor het hele dorp. Hij had niet in de gaten dat Junaid aan het vasten was met honderden discipelen in zijn gevolg.


Junaid zag de blijdschap van de discipel. Hij was gewoon in extase, hoewel hij alles op het spel had gezet gewoon om een feest voor het hele dorp te geven, om zijn meester welkom te heten. Junaid zei niets – hij sprak er met geen woord over dat hij aan het vasten was. Toen Junaid niets zei, hielden de discipelen ook hun mond, maar van binnen kookten ze.
Het feest begon. Junaid at er goed van en dankte de discipel, zegende de discipel.
De andere discipelen moesten ook wel iets eten, omdat Junaid iets at. Ze konden niet zeggen ‘wij zijn aan het vasten,’ als de meester zelf het vasten vergeten was. Bovendien was het eten overheerlijk en ze hadden al drie dagen honger geleden! Maar diep van binnen waren ze ook boos: ‘Wat is dit nou voor een discipline?’

Toen ze vertrokken was het eerste wat ze onderweg deden aan de meester vragen: ‘Daar snappen we nou niets van. Was u het vasten nou helemaal vergeten? U heeft er met geen woord over gerept.’
Hij zei: ‘Nee, zoiets vergeet ik nooit, maar hij was zo blij en zo extatisch… het zou hem zoveel pijn in zijn hart gegeven hebben als ik had gezegd: “Ik ga niets eten.” Hij had het eten met zoveel liefde klaargemaakt.’
‘Het is geen probleem,’ zei Junaid, ‘we kunnen nog drie dagen vasten. Vergeet die drie dagen maar – we beginnen vanaf vandaag te vasten en we houden dat een maand lang vol. Geen probleem. Waarom zou je die man kwetsen om iets heel simpels? Wij kunnen nog drie dagen vasten.’
Maar de discipelen zeiden: ‘Maar het is een kwestie van discipline: omdat we de gelofte hadden gedaan, hadden we haar vol moeten houden.’

Junaid zei: ‘Leef bewust en leef niet volgens een dode discipline. Jullie waren geïrriteerd – ik zag het in jullie gezicht. Jullie waren boos op mij -ik zag het wel- want jullie liepen gewoon achter een dode regel aan: “Wij hebben een gelofte gedaan, dus moeten we die volgen.” Wij zijn de meesters. Wij doen de gelofte, wij kunnen haar ook breken. En de situatie was zodanig dat het juist was wat we deden. Ons vasten is maar iets gewoons, zijn liefde was echt heel heilig. Wel of niet eten maakt niet zoveel uit, maar jullie hebben zijn vreugde gemist, jullie konden niet delen in zijn extase. Jullie hebben een grote kans gemist. ‘

Als het nog een keer gebeurt,’ zei de meester, ‘want we komen nog andere discipelen tegen in andere plaatsen, maak je dan niet zo druk. Ik handel vanuit het moment. Ik zie de situatie en ik handel daarnaar – dat is mijn discipline. Ik handel niet vanuit het verleden.’

Een gedisciplineerd leven is rigide, bevroren, koud, doods. Je blijft gewoon maar automatisch dingen doen. Soms komt dat goed uit in de situatie, maar veel vaker zal het absoluut niet relevant zijn.

Dan loopt de man van discipline, de zogenaamde man van discipline, altijd achter. De situatie vergt iets anders, maar zijn discipline reageert op zijn eigen manier, daarom is hij nooit in helemaal één met de werkelijkheid. Hij is altijd geïsoleerd, vervreemd.

Osho: The Secret – Discourses on Sufism, p. 47-49.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti. 
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com.
Image by GLady from Pixabay.

Vorige verhalen


De dood komt de 100 jaar oude koning ophalen

 


De specht

 


Drie wijze mannen opgesloten

 


Geen hoofd in de spiegel



De blinde man in debat met Boeddha

De dood komt de 100 jaar oude koning ophalen

Ook al word je duizend jaar oud, dan nog worden je verlangens niet vervuld.
Dit moment, pers er alles uit!

In India hebben we een heel mooi verhaal. Een groot koning, Yayati, lag op sterven.
De dood kwam eraan…
Het is een eeuwenoud verhaal. In die dagen was alles eenvoudig en de andere wereld was niet zo ver weg. De dood kwam aan de deur kloppen. Yayati deed de deur open en zei: ‘Wat? Heb ik pas honderd jaar geleefd en bent u daar al – onaangekondigd ook nog! U moet me op zijn minst nog wat tijd gunnen. Mijn ware verlangens heb ik nog niet vervuld. Ik heb het maar uit lopen stellen: morgen, morgen. Maar nu bent u er al en zal er geen morgen zijn. Dat is wreed! Strijk over uw hart!’

De dood zei: ‘Ik moet wel iemand meenemen, ik kan niet terugkeren met lege handen. Maar gezien je ellende, je ouderdom, zal ik je nog eens honderd jaar schenken. Maar dan moet wel een van je zoons met me mee.’
Yayati had honderd zonen –hij had honderd vrouwen- dus zei hij: ‘Geen probleem.’
Maar het was niet zo makkelijk als hij dacht. Hij riep zijn honderd zonen bij zich en vroeg of iemand mee wilde gaan. ‘Red je oude vader zijn leven! Jullie hebben zo vaak gezegd: “Vader, we zijn bereid om voor u te sterven.” Nu is de tijd gekomen om dat te bewijzen.’
Maar zulke dingen worden altijd wel gezegd, uit beleefdheid, maar het stelt niets voor. De zonen begonnen elkaar aan te kijken. De ene was zeventig, de ander vijfenzeventig, iemand was zestig. Ze kwamen zelf al op leeftijd. 

De jongste was pas twintig. De jongste stond op en zei: ‘Ik ben klaar om mee te gaan.’
Niemand kon het geloven! Zijn negenennegentig broers konden het niet geloven, ze dachten: wat een dwaas. Hij had nog niet geleefd, nog helemaal niet. Hij was pas twintig, hij kwam net kijken. Zelfs de dood voelde medelijden. De dood nam de jonge man terzijde, fluisterde in zijn oor: ‘Ben jij zo dwaas? Je oudere broers zijn er niet klaar voor, ze hebben lang geleefd. De een heeft vijfenzeventig jaar geleefd, hij is er nog niet klaar voor. En jij bent er wel klaar voor? Je vader wil niet sterven. Hij is honderd jaar oud en jij bent pas twintig.’

De jonge man zei iets heel moois, iets van enorm groot belang. Hij zei: ‘Als ik zie dat mijn vader honderd jaar heeft geleefd en alles heeft wat je maar kunt hebben en nog geen voldoening heeft gevonden, zie ik hoe futiel het leven is. Wat heeft het voor zin? Al leef ik honderd jaar, dat verandert niets aan de situatie.
En als het alleen om mijn vader ging had ik gedacht “misschien is hij een uitzondering.” Maar mijn broers –vijfenzeventig, zeventig, vijfenzestig, zestig- hebben ook lang geleefd. Ze hebben van allerlei dingen kunnen genieten, wat valt er nog meer te genieten? Ze worden oud en nog hebben ze geen voldoening gevonden. Dus één ding staat vast: dit is niet de manier om voldoening te vinden. Daarom ben ik er klaar voor en ga ik met u mee, zonder enige wanhoop, maar vanuit een enorm begrip. Ik ga heel opgewekt met u mee dat ik deze marteling niet hoef te doorstaan, deze lijdensweg van honderd jaar die mijn vader heeft moeten gaan. Hij is er nog niet aan toe om met u mee te gaan.’

En het verhaal gaat verder. Er gingen weer honderd jaar voorbij, ze kwamen en gingen, niemand had iets in de gaten. Opnieuw klopte de dood aan de deur. Toen de Dood aan kwam kloppen, toen pas drong het tot Yayati door dat er weer honderd jaar verstreken waren.
Hij zei: ‘Maar ik ben er nog niet klaar voor!’
En dit ging zo maar door en iedere keer ging er een zoon met de Dood mee en Yayati leefde duizend jaar. Dit is echt een symbolisch verhaal.

Na duizend jaar kwam de Dood langs en zei: ‘Hoe denk je er nu over?’
Yayati zei: ‘Ik ga mee. Genoeg is genoeg! Ik heb ingezien dat hier nooit iets vervuld kan worden. Verlangens blijven maar groeien, je vervult er één en er komen tien andere op. Het is een proces wat eindeloos doorgaat. Nu ga ik gewillig mee en nu kan ik zeggen dat mijn eerste zoon die met u meeging en die pas twintig was intelligent was. Ik was een idioot. Ik had er duizend jaar voor nodig om tot dat inzicht te komen en hij zag het al toen hij pas twintig was. Dat is pas intelligentie.’

Als je intelligent bent begin je te leven in plaats van je daarop voor te bereiden…
Je kunt eindeloos blijven voorbereiden en nog wordt het nooit tijd om te leven.
Als je intelligent bent loop je vandaag niet mis voor morgen. Dan offer je dit moment niet op voor een ander moment, dan leef je dit moment in zijn totaliteit. Dan pers je alles uit dit moment.

Osho: The Guest – Talks on Kabir, p. 48–51.
Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti. 
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com.
Image by Foto Szop from Pixabay.

Vorige verhalen


De specht

 


Drie wijze mannen opgesloten

 


Geen hoofd in de spiegel



De blinde man in debat met Boeddha

 


Twee bronzen standbeelden

 

De specht

Wat is dit ‘Ego’? Een jonge specht legt het uit.

Een eeuwenoud verhaal: Er was eens een jonge specht die zich op een ochtend heel energiek voelde en besloot om de dag eens te beginnen met op een enorme eik te gaan pikken. Hij was net goed bezig toen een bliksemflits de boom van boven tot onder open spleet.
De vogel krabbelde onder de brokstukken vandaan, keek omhoog om te zien wat er van de boom over was gebleven en mompelde met een huivering: ‘Allemachtig! Ik ken mijn eigen krachten niet!

Dit is nou ego.
Het is een misinterpretatie – je denkt dat je iets doet wat al gebeurt.
Gewoon wat gebeurt vertalen naar iets doen is wat het ego creëert.
Let eens op, en iedere keer dat je het gevoel hebt dat je iets doet, vertaal je dat naar ‘het gebeurt. ‘Lees ‘het gebeurt’ en het ego verdwijnt.

Osho: Take It Easy – 13 Discourses Based on the Doka of the Zen Master Ikkyu, Vol. 2, p. 244.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti. 
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com.
Image by George from Pixabay.

Vorige verhalen


Drie wijze mannen opgesloten

 


Geen hoofd in de spiegel



De blinde man in debat met Boeddha

 


Twee bronzen standbeelden

 


Boeddha zoekt zijn vrouw op

 

Drie wijze mannen opgesloten

Hoe kan er een slot zitten op de deur van het bestaan? De deur is open!

Een parabel: een koning wilde de wijste man onder zijn onderdanen uitkiezen als zijn eerste minister. Toen de zoektocht zich uiteindelijk versmald had tot drie mannen, besloot hij om ze aan de ultieme test te onderwerpen. Daartoe liet hij ze plaatsnemen in een kamer in het paleis waar een slot op zat gemonteerd dat het toppunt van mechanisch vernuft was. De kandidaten kregen te horen dat wie het als eerste lukte om de deur open te krijgen tot de eervolle positie benoemd zou worden.

De drie mannen begonnen onmiddellijk aan de taak. Twee van hen begonnen meteen ingewikkelde wiskundige formules uit te werken om de juiste slotcombinatie te vinden. Maar de derde man zat gewoon in zijn stoel en deed niets. Uiteindelijk, zonder de moeite te hebben genomen om pen op papier te zetten, stond hij op, liep naar de deur, draaide aan de deurknop en de deur ging open. Al die tijd was deze niet op slot geweest!

Zó zit het in mekaar. Er zit niets op slot, de deur is open. Terwijl mensen zich het hoofd breken over hoe je het slot nu open moet krijgen. Mensen proberen allerlei methoden uit, ondernemen duizend en één dingen, om er maar uit te komen. Terwijl ze er in feite al uit zíjn.  Nooit zullen ze de waarheid van de situatie kennen als ze niet ophouden met al dat denkwerk. De mens verkeert niet in slavernij, dat denkt hij alleen maar. Omdat hij zo denkt, verkeert hij in slavernij. Er is geen verschil tussen een boeddha en een gewoon mens. Maar de gewone man denkt dat er een verschil is – en dan is het er ook. Je creëert je eigen gevangenis, je slot. En dan probeer je van alles te bedenken om eruit te komen.

Het boeddhisme snijdt met één klap de knoop door. Het boeddhisme zegt: er is geen slot, er is geen knoop om door te snijden. Dat is wat ik bedoel als ik zeg dat het boeddhisme de knoop met één klap van het zwaard doorsnijdt.
Je hoeft nergens heen, je hoeft niets te doen. Je bent er al en je bent dat al: doe gewoon je ogen open.

Denk eens aan die twee denkers -het waren vast wiskundigen, het waren vast ingenieurs- natuurlijk zijn ze tot de  conclusie gekomen dat het slot een staaltje van groot mechanisch vernuft moet zijn geweest en dat ze de juiste combinatie moesten zien te vinden. Ze begonnen eraan te werken.W el, ze hadden er een eeuwigheid aan kunnen werken – denk je dat ze er ooit waren uitgekomen? Er was met geen mogelijkheid een oplossing te vinden, want om te beginnen bestond het probleem helemaal niet.
In feite raken ze er steeds verder in verstrikt. Ze raken er steeds verder in verstrikt –niet in het probleem, want er is geen probleem, maar in de antwoorden die ze zullen verzinnen.

Dat is waar mensen vast zitten. De ene is hindoe, hij zit vast in zíj́n antwoord. De ander is christen, hij zit vast in zíj́n antwoord. Mensen zitten vast in filosofieën en filosofie heb je niet nodig. Het leven heeft genoeg aan zichzelf. Het heeft geen uitwerking nodig, het heeft geen uitleg nodig, het heeft geen analyse nodig.
Maar als je deel gaat uitmaken van een analytisch spelletje, dan kan het eindeloos door blijven gaan. Het een leidt tot het andere, en dat tot weer iets anders en dan zit je in een ketting. En omdat het probleem nooit opgelost zal worden, omdat er geen probleem is om op te lossen, moet je wel door blijven zoeken naar antwoorden.
Het boeddhisme brengt je weer met beide voeten op de grond. Het zegt: kijk eerst eens of de deur wel op slot is, of er wel een slot op de deur zit.

Die is er niet. De deur is open. Hoe kan er een slot zitten op de deur van het bestaan?Wij maken er deel van uit – wie gaat hem op slot doen? Waarom? Wie gaat er een probleem van maken? En waarvoor? Wij zíjn het bestaan: we zitten erin, het zit in ons. Als je dit ziet, ontspan je. In die ontspanning rijst de visie omhoog.
Dat is wat er met de derde man gebeurde. Hij zat niets te overwegen, te bedenken, te analyseren, uit te vinden, af te leiden. Hij zat daar gewoon in zijn stoel niets te doen. Dat is waar meditatie allemaal om draait.

Het Engelse woord ‘meditatie’ is geen goed woord, want in het Engels betekent meditatie ook ‘denken over, mediteren op.’In het Engels is er geen goed woord om dhyana te vertalen, want dhyana betekent juist ‘niet op mediteren,’ dhyana betekent juist ‘niet over denken.’

Dhyana betekent niet iets doen, gewoon ontspannen en zijn.
Als je gewoon stil bent en niets doet, is je perspectief oneindig, is je perceptie helder, kun je door en door kijken. Door stil in zijn stoel te zitten, niets te doen, kon de man zien dat er geen slot op de deur zat. Hij stond gewoon op, draaide aan de knop en ging naar buiten.

Dat heb ik ook zo ervaren. Dit is niet zomaar een parabel, niet een verzonnen parabel. Het is de parabel van alle boeddha’s: zo is het nu eenmaal. Dit is niet zomaar een verzonnen verhaal, het is de gecondenseerde ervaring, de meest essentiële ervaring van alle boeddha’s – dat er geen slot op de deur zit.
Ga gewoon stil zitten, bereik een staat van zien, van zuiverheid, waar geen gedachte je stoort, waar geen wolk van gedachte door je bewustzijn rondwaart –maak gewoon de spiegel schoon van het stof van gedachten- en plotseling kun je zien dat er geen slot is, geen deur, geen vijand, geen dood, geen geboorte. En je hoeft nergens heen en je hoeft niemand te worden. Je bent volmaakt zoals je bent.

Je zit al in die ruimte die paradijs wordt genoemd. Begin er maar eens van de genieten, maak er geen probleem van. Zo gauw je er een probleem van maakt, hou je op met genieten. Hoe kun je nou genieten als je het probleem niet oplost? En het ene probleem schept tien andere … tot je er misselijk van wordt.
Snij het eerste probleem door! Het leven is geen probleem.
Boeddha zegt: het leven is simpel.

Osho: Take It Easy – 13 Discourses Based on the Doka of the Zen Master Ikkyu, Vol. 2, p 98-101.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti. 
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com.
Image by Fabien from Pixabay.

Vorige verhalen


Geen hoofd in de spiegel


De blinde man in debat met Boeddha

 


Twee bronzen standbeelden

 


Boeddha zoekt zijn vrouw op

 


Twee werkloze acteurs

Geen hoofd in de spiegel

Nirvana –onze aangeboren perfectie- je hoeft het je alleen te herinneren.

Dit verhaal gaat over nirvana… dit oeroude boeddhistische verhaal.
Een buitengewoon mooie jonge vrouw, Enyadatta, kon nergens zo van genieten als van zichzelf in de spiegel te bekijken. Ze was, net als iedereen, een beetje gek. Toen ze een keer op een ochtend in de spiegel keek, zag ze in het glas een figuur zonder hoofd. Enyadatta werd hysterisch en begon rond te rennen en te roepen: ‘Mijn hoofd is weg, waar is mijn hoofd? Wie heeft mijn hoofd? Ik ga dood als ik hem niet vind!’
Hoewel iedereen Enyadatta verzekerde dat haar hoofd op haar schouders zat, weigerde ze het te geloven. Steeds als ze in de spiegel keek was haar hoofd daar niet, dus ging ze in alle opwinding maar door met haar zoektocht, roepend en schreeuwend om hulp.

Bezorgd om haar geestelijke gezondheid sleepten Enyadatta’s vrienden en verwanten haar naar huis en bonden haar vast aan een pilaar, zodat ze zich niet zou bezeren. Enyadatta’s vrienden bleven haar geruststellen dat haar hoofd nog steeds op haar schouders zat en langzaamaan begon ze zichzelf af te vragen of het misschien niet waar was wat ze zeiden.
Plotseling gaf een van haar vrienden haar een ferme tik op het hoofd. Ze schreeuwde het uit van de pijn en haar vriend riep uit: ‘Dat is je hoofd! Daar heb je het!’ Enyadatta besefte onmiddellijk dat ze zichzelf op een of andere manier voor de gek had gehouden met het idee dat ze geen hoofd had, terwijl ze het in feite altijd had gehad.

Zo is het ook met nirvana. Je bent er nooit uit geweest. Je bent er nooit vandaan geweest. Het zit in jou, jij zit erin. Het is reeds het geval, je moet alleen een beetje alerter worden. Je hebt een tik op je hoofd nodig. Het hoofd is daar. Je kunt het niet zien, want je kijkt de verkeerde kant op of in een verkeerde spiegel. Je kunt het niet zien omdat je niet de helderheid hebt om te zien. Anders gezegd is nirvana niet een of ander doel ergens, het is niet het hiernamaals. Het is hier-nu.
Nirvana is het goedje waar jij van gemaakt bent. Het zit in elke cel, in elke vezel van je wezen. Jij bent het. Je moet het je alleen herinneren…

Osho: The Tantra Vision – Speaking on the Royal Song of Saraha, Vol. 2, p. 319 en 320.

Een zenmeester zei altijd: ‘Het is duidelijk en daarom is het zo moeilijk om te zien. Een domkop was eens op zoek naar een vuurtje met een brandende lantaarn. Als hij geweten had wat vuur was, dan was zijn rijst veel eerder gaar geweest.’

Osho: Zen, the Path of Paradox, Vol. 1, p. 21.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti. 
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com.
Afbeelding van Aidan via Pixabay.

Vorige verhalen


De blinde man in debat met Boeddha

 


Twee bronzen standbeelden

 


Boeddha zoekt zijn vrouw op

 


Twee werkloze acteurs

 


De Lotus Sutra

De blinde man in debat met Boeddha

Ervaring komt op de eerste plaats, dat is het belangrijkste.

Op een dag werd er een blinde bij Boeddha gebracht. En de blinde was geen gewone blinde, hij was een groot wetenschapper, een groot geleerde, erg bedreven in debatteren. Hij ging het debat aan met Boeddha. Hij zei: ‘Mensen zeggen dat er licht bestaat en ik zeg van niet. Ze zeggen dat ik blind ben, ik zeg dat zij het mis hebben. Als er licht bestaat, heer, maak het dan beschikbaar voor me zodat ik het kan aanraken. Als ik het kan aanraken, of op zijn minst proeven of ruiken, dan zal ik het wel geloven. Of als u het licht als een trommel kan laten slaan, dan kan ik het horen… Dit zijn mijn vier zintuigen en het vijfde zintuig, waar iedereen het over heeft, is gewoon verbeelding. Mensen zijn misleid, niemand heeft ogen.’

Het was heel moeilijk om de man ervan te overtuigen dat licht bestaat, want je kunt licht niet aanraken, niet proeven, niet ruiken, niet horen. En deze man beweerde dat anderen het mis hadden. ‘Ze hebben geen ogen.’
Hij was weliswaar blind, maar een groot logicus. Hij zei: ‘Bewijs maar eens dat ze ogen hebben. Wat heeft u voor bewijs?’
Boeddha zei: ‘Ik ga niets zeggen, maar ik ken een dokter waar ik u naar zal verwijzen. Ik weet dat hij uw ogen wel kan genezen.’
Maar de man bleef aandringen. ‘Ik kom om erover te debatteren!’
En Boeddha zei: ‘Dit is mijn argument. Ga naar de dokter toe.’

Ze stuurden de man naar de dokter. Zijn ogen werden genezen, binnen zes maanden kon hij weer zien. Hij kon het niet geloven. Hij was extatisch van blijdschap. Hij kwam dansend naar Boeddha toe. Hij was door het dolle heen.
Hij viel voor zijn voeten neer en zei: ‘Uw argument heeft gewerkt.’
Boeddha zei: ‘Hoor eens even, het was geen argument. Als ik het debat was aangegaan had ik het verloren, want over sommige zaken kun je niet argumenteren, die kun je alleen ervaren.’

Niet ‘Boeddha heeft gelijk, daarom moet ik het ervaren.’ Dat is stommiteit. Maar liever, als ik vanuit mijn ervaring getuige kan zijn van Boeddha, dan kan ik zeggen: ‘Ja, hij heeft gelijk, want dit is ook mijn ervaring. Maar hij is secundair, mijn ervaring komt op de eerste plaats, dat is het belangrijkste. Ik ben een getuige van hem en geen volgeling.’

Osho: The Tantra Vision – Speaking on the Royal Song of Saraha, Vol. 2, p. 217 en 222.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti. 
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com.
Afbeelding van Rajesh Balouria via Pixabay.

Vorige verhalen


Twee bronzen standbeelden

 


Boeddha zoekt zijn vrouw op

 


Twee werkloze acteurs

 


De Lotus Sutra

 


Drie soorten luisteraars

Twee bronzen standbeelden

Wat je onderdrukt wordt machtig, het bouwt een macht op die buiten proporties is.


Luister eens naar deze anekdote. Diep in een prachtig bosrijk park stonden twee lieflijke bronzen standbeelden: een jongen en een meisje, hun houding straalde liefde en verlangen uit. Ze stonden daar al driehonderd jaar, hun armen vol verlangen naar elkaar uitgestrekt, maar ze hadden elkaar nog nooit aangeraakt.
Op een dag kwam er een tovenaar langs die medelijden kreeg en zei: ‘Ik heb genoeg kracht om ze een uur lang leven te geven, dus dat ga ik ook doen. Dan kunnen ze een uur lang kussen, elkaar aanraken, omhelzen, met elkaar vrijen.’

Toen zwaaide de tovenaar met zijn toverstaf. Onmiddellijk sprongen de standbeelden van hun voetstuk af en verdwenen hand in hand in de bosjes. Er was een groot tumult, hard gebonk, geschreeuw, gepiep en gefladder.
Onweerstaanbaar nieuwsgierig geworden sloop de tovenaar op zijn tenen naderbij en tuurde door de bladeren heen. De jongen hield een vogel vast op de grond en het meisje hurkte erboven. Plotseling sprong hij op. ‘Nu is het jouw beurt om hem vast te houden, dan kan ik eens op zijn kop schijten!’ riep hij uit.

Driehonderd jaar lang hadden de vogels op hen gescheten… wie maalt er dan om vrijen? Dat was wat zij onderdrukten.
Onthoud dat alles wat je onderdrukt aantrekkingskracht op je krijgt, het zal als een magneet aan je trekken. Wat je onderdrukt wordt machtig, het bouwt een macht op die buiten proporties is.

Osho: The Tantra Vision – Speaking on the Royal Song of Saraha, Vol. 2, pp. 70-71.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti. 
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com.

Image by Thomas Buchenberger from Pixabay
Image by Satish Dhuli from Pixabay

Vorige verhalen


Boeddha zoekt zijn vrouw op

 


Twee werkloze acteurs

 


De Lotus Sutra

 


Drie soorten luisteraars

 


De aap en de meester

Boeddha zoekt zijn vrouw op

Het is er overal!

Het eerste wat Gautam Boeddha zei toen hij verlicht werd was: ‘Ik zou graag Yashodhara gaan opzoeken om met haar te praten.’ Zijn vrouw…
Ananda vond het maar niets. Hij zei: ‘Wat heeft het voor zin om terug naar het paleis te gaan om met je vrouw te praten? Je hebt haar verlaten. Twaalf jaren zijn er verstreken.’ 
Maar het zat Ananda ook een beetje dwars, want hoe kan een boeddha nou met zijn vrouw bezig zijn? Boeddha’s horen niet aan zoiets te denken.
Toen de anderen weg waren zei Ananda tegen Boeddha: ‘Dit is niet goed. Wat zullen de mensen wel denken?’
Boeddha zei: ‘Wat de mensen wel zullen denken? Ik moet haar mijn dankbaarheid betuigen en ik moet haar bedanken voor alle hulp die ze mij gegeven heeft. Ik moet haar ook iets geven van wat er met mij is gebeurd – zoveel ben ik haar wel verschuldigd. Ik moet gewoon gaan.’

Hij ging terug. Hij ging naar het paleis. Hij zocht zijn vrouw op.
Yashodhara was wel degelijk boos! Die man was er op een nacht gewoon vandoor gegaan zonder ook maar iets tegen haar te zeggen. Ze zei tegen Boeddha: ‘Had je mij niet in vertrouwen kunnen nemen? Je had me kunnen vertellen dat je weg wilde gaan en ik zou de laatste vrouw ter wereld geweest zijn om jou dat te verhinderen. Had je me dat beetje vertrouwen niet kunnen geven?’
En ze stond te huilen. Twaalf jaar boosheid! En deze man was er als een dief midden in de nacht vandoor gegaan – plotseling, zonder ook maar de minste aanwijzing naar haar.
Boeddha verontschuldigde zich en zei: ‘Dat kwam voort uit onbegrip. Ik was onwetend, ik was niet bewust. Maar nu ben ik bewust en nu weet ik wel – daarom ben ik teruggekomen. Jij hebt me geweldig geholpen. Vergeet die oude dingen maar, het heeft geen zin om met gedane zaken bezig te blijven. Kijk me aan! Er is iets geweldigs gebeurd. Ik ben thuisgekomen. En ik voelde dat ik jou als eerste iets verplicht was: je op te zoeken om het over te brengen, om mijn ervaring met jou te delen.’

Nu de kwaadheid was verdwenen, de razernij was gaan liggen, keek Yashodhara door haar tranen heen. ‘Ja, deze man is geweldig veranderd.’ Dit was niet dezelfde man die ze had gekend. Dit was dezelfde man niet, helemaal niet. Dit leek wel iets groots en lichtgevends… ze kon bijna de aura zien, een licht om hem heen. En hij was zo vredig en zo stil, hij was bijna verdwenen. Zijn tegenwoordigheid was bijna afwezigheid. En toen vergat ze, in weerwil van zichzelf, waar ze mee bezig was – ze viel aan zijn voeten neer en vroeg of hij haar wilde inwijden…

Rabindranath Tagore heeft een gedicht geschreven over dit incident toen Boeddha terugkeerde. Yashodhara vroeg hem maar één ding. ‘Ik wil maar één ding weten,’ zei ze. ‘Wat je ook bereikt hebt… ik kan zien dat je iets bereikt hebt, wat het ook is. Ik weet niet wat het is – maar vertel me gewoon één ding: was het niet mogelijk om dat ook hier in dit huis te bereiken?’
En Boeddha kon geen nee zeggen. Het was wel mogelijk om het hier in dit huis te bereiken. Nu wist hij het. Want het had niets te maken met bos of stad, met gezin of ashram – het had niets te maken met een of andere plaats, het had iets te maken met je binnenste kern.
Het is er overal.

Osho: The Tantra Vision – Speaking on the Royal Song of Saraha, Vol. 2, p. 13-15.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti. 
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com

Vorige verhalen


Twee werkloze acteurs

 


De Lotus Sutra

 


Drie soorten luisteraars

 


De aap en de meester

 


Heb je al vrede gesloten met Mozes?

Twee werkloze acteurs

Dat is nou ego: jij bent de keizer en alle anderen staan in dienst van jou.

Twee acteurs zitten zonder werk en komen elkaar in het café tegen.
‘Luister eens, ik heb een idee,’ zegt de ene. ‘Waarom werken we niet samen? Maken we samen een voorstelling?’
‘Klinkt goed,’ zegt de ander. ‘Wat voor act had je in gedachten?’
‘Nou, ik kom op en ik zing. Het doek komt omlaag. Dan gaat het weer omhoog en ik kom op en doe een dans. Dan komt het omlaag. Dan gaat het weer omhoog en ik kom op en ik ga jongleren. Dan…’
‘Hee, en ik dan?’
‘Het doek gaat niet vanzelf omhoog en omlaag!’

Dat is nou ego: jij bent de keizer en alle anderen staan in dienst van jou. Jij bent het doel en iedere ander is een middel.
Dit is het belangrijkste ingrediënt van het ego, het middelpunt zelf – dat jij het middelpunt van het bestaan bent en dat iedereen hier is om jou te dienen, om door jou gebruikt te worden…
Als je van mening bent dat iedereen een doel op zich is, dan begint het ego te verdwijnen. Als je jezelf niet boven of onder de ander stelt, dan verdwijnt het ego…
Wij zijn één bestaan. Niemand is lager, niemand is hoger. Niemand is meerderwaardig, niemand is minderwaardig. Er zijn geen twee goden, hoe kan er dan minderwaardigheid of meerderwaardigheid bestaan? Het is één eenheid.
Ego maakt dat je je los voelt staan. Niet-ego verbindt je met het bestaan. Je één voelen met de kosmos is uit het ego stappen. Je los voelen staan is met het ego zijn.

Osho: Tao, The Pathless Path – Talks on Extracts from ‘The Book of Lieh Tzu’, Vol. 2, p. 508-509.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti. 
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com

Vorige verhalen


De Lotus Sutra

 


Drie soorten luisteraars

 


De aap en de meester

 


Heb je al vrede gesloten met Mozes?

 


De hofnar