1001 verhalen

Een soefi mysticus mag een wens doen

Tevreden zijn met jezelf zoals je bent is verlichting. Als je het mij vraagt is verlichting: tevreden zijn met jezelf zoals je bent. Het is niet zoiets bijzonders als wat yogi’s ervan gemaakt hebben: kundalini die omhoog rijst, licht dat verschijnt, innerlijke ervaringen, engelen en goden enzovoort. Dat is allemaal onzin als je weet waar het om gaat. Verlichting is helemaal niet zoiets. Al die dingen – kundalini en het licht en god en engelen en hemel en hel – komen uit de tas van de tovenaar. Jij wil ze hebben – hij haalt ze meteen tevoorschijn, hij levert ze. Jij schept de vraag en de tovenaar komt met het aanbod. Jij wilt iets speciaals, hij geeft het je. Hij buit je uit. Hij leeft op jouw absurde verlangens.

Lao Tse is uiterst eenvoudig. Hij heeft geen tas. Hij zegt: waarom niet gewoon ZIJN? Wat mankeert daaraan? Wat mankeert er aan dat wat je bent? Waarom zou je je inspannen? En wie gaat zich inspannen? Jij gaat je inspannen. Je inspanning kan niet boven jou uit gaan en alles wat je doet, jij doet het. Hoe kan dat nou boven jou uit gaan? Hoe kan dat er nou bovenuit stijgen? Hoe kun je door je eigen inspanning er bovenuit stijgen?
Dat is niet mogelijk, je probeert iets te doen wat onmogelijk is. Je kunt wel duizenden levens blijven springen en nog niets bereiken. Accepteer jezelf. Dat is de enge realiteit die er is, dat is de enige mogelijkheid die er is. Accepteer jezelf zoals je bent en plotseling wordt alles getransformeerd.
 
Voor Lao Tse is acceptatie het woord, niet verlichting. Totale acceptatie, wat er ook gebeurt. Verder is er niets mogelijk. Zo zitten de dingen in elkaar. Zo is het met je gebeurd in dit onmetelijke universum. Het onmetelijke universum wilde dat je zo was, accepteer dat nou maar. Je hebt maar twee keuzes: of je wijst jezelf af of je accepteert jezelf.  Als je jezelf afwijst, dan staan er weer twee mogelijkheden open voor je: je wijst het op een wereldse manier af of op een bovenaardse manier af. Als je jezelf op een wereldse manier afwijst betekent het dat je mooier zou willen zijn dan je bent, je zou sterker willen zijn dan je bent, je zou rijker willen zijn dan je bent, je zou een groter huis willen hebben dan je hebt. Zo wijs je het op een wereldse manier af.

Als je jezelf op een bovenaardse manier afwijst, de religieuze manier, betekent het dat je satori, samadhi, verlichting, nirvana wil bereiken. Je wil worden zoals Boeddha, je zou God willen bezitten, je zou in eeuwige gelukzaligheid willen leven. Zo wijs je het op een religieuze manier af. Het zijn allebei afwijzingen en allebei verkeerd. Voor Lao Tse zijn ze allebei even absurd.
Die handel van jou is een handel, je tempel maakt daar ook deel van uit. Je aardse verlangens zijn wereldse verlangens. Je bovenaardse verlangens zijn ook verlangens en aards. In feite kunnen er geen bovenaardse verlangens bestaan. Verlangen is op zichzelf aards. Verlangen betekent deze wereld.

Ik wil je graag een anekdote vertellen. Het gebeurde in het leven van een soefi. Een groot mysticus, die stilletjes op zichzelf woonde, werd op een dag plotseling gewekt door een boodschapper van God.
De boodschapper zei: ‘Uw gebeden zijn aanvaard. Nu is het Opperwezen, de Schepper, heel blij met u. U mag iets vragen en alles wat u verlangt zal worden vervuld. Vraag iets en het zal onmiddellijk vervuld worden.

De mysticus stond er een beetje verbaasd van en hij zei: ‘U komt net iets te laat. Toen ik iets nodig had, toen ik veel verlangens had, kwam u nooit opdagen. Nu heb ik geen verlangens meer, ik heb mezelf geaccepteerd, ik voel me helemaal op mijn gemak, helemaal thuis. Nu maak ik me er zelfs niet druk om of God wel bestaat of niet, ik bid niet tot hem. Ik bid omdat het goed voelt. Ik ben er helemaal mee opgehouden om over hem te denken. Mijn gebed is tot niemand meer gericht, ik bid gewoon zoals ik adem. Het is zo mooi, het maakt niets uit of God al dan niet bestaat. U komt net iets te laat. Nu heb ik geen verlangens meer.’

Maar de engel zei: ‘Daar zal God beledigd door zijn. Als hij zegt dat je om iets kunt vragen, moet je er ook om vragen.’
De man stond er verbaasd van, hij haalde zijn schouders op en zei: ‘Maar wat moet ik vragen? Kunt u mij een voorstel doen? Want ik heb alles geaccepteerd en ik voel me zo vervuld. U kunt hoogstens tegen God gaan zeggen dat ik dankbaar ben. Breng hem mijn dank over. Alles is zoals het zou moeten zijn. Er ontbreekt niets aan, alles is perfect. Ik voel me blij, gelukkig en ik weet niets over het volgende moment. Dit moment is alles, ik ben vervuld. Ga hem maar mijn dank overbrengen.’

Maar de engel was een koppige. Hij zei: ‘Nee, u zult iets moeten vragen, gewoon uit beleefdheid. Begrijp dat nou een beetje.’
Toen zei de man: ‘Als u er op staat, vraag God dan of hij mij zo verlangenloos laat zijn als ik ben. Geef me maar één ding – verlangenloosheid…’
 
… of acceptatie, beide komen op hetzelfde neer.
Verlangen betekent iets afwijzen, je wil graag iets anders zijn. Verlangenloosheid betekent acceptatie, je bent gelukkig met de dingen zoals ze zijn. In feite zijn de dingen irrelevant, jij bent gelukkig. Jij bent gelukkig, daar gaat het om.

Lao Tse zegt: wees tevreden zoals je bent, verder heb je niets nodig – en dan gebeurt het plotseling allemaal. In diepe acceptatie verdwijnt het ego. Het ego bestaat door afwijzing: altijd als je iets afwijst, bestaat het ego. Altijd als je nee zegt, wordt het ego versterkt. Maar altijd als je ja zegt, helemaal ja zegt tegen het bestaan, dat is de grootste meditatie die je kunt binnengaan. Alle andere meditaties kun je binnengaan, maar daar zal je ook weer uit moeten komen. Dit is de enige meditatie waar je binnengaat en waar je niet uit kunt komen, want als je er eenmaal binnengaat, ben je niet meer. Niemand kan eruit komen.
 
Osho: Tao: The Three Treasures, Talks on Fragments from Lao Tzu’s Tao Te Ching,Volume 1 #10, Question 2.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti. 
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com.
Image by Ghasoub Alaeddin from Pixabay.

Vorige verhalen


Ramakrishna en de man die naar de Ganges ging

 


Dale Carnegie stuurt een brief

 


De nederige keizer Akbar

 


De man met de bijl

 

Liefde is de hele Torah, de rest is commentaar

Ramakrishna en de man die naar de Ganges ging

Er zit niets dan water in de heilige poelen en alle goden die uit hout en ivoor zijn gesneden kunnen geen enkel woord uitbrengen.

Ganges festival

Op een dag ging een volgeling van Ramakrishna op een bepaalde gunstige dag op weg naar de Ganges en hij vroeg Ramakrishna toestemming… 
Hij zei: ‘Dat is goed, ga maar. De Ganges is prachtig, ze zuivert. Maar onthoud één ding: kom niet terug, blijf voor altijd in de Ganges. Want zo gauw je eruit stapt is het effect verdwenen. En heb je die bomen gezien langs de oever van de Ganges?’

En de volgeling zei: ‘Ja, er staan grote bomen langs de Ganges.’
En Ramakrishna zei: ‘Heb je je ooit afgevraagd waarom die daar staan?’
Hij zei: ‘Nee, daar heb ik nooit over nagedacht.’
Ramakrishna zei: ‘Als je in de Ganges stapt en je gaat kopje onder dan is de Ganges vanzelfsprekend zo zuiver dat je zonden je meteen verlaten. Maar ze springen in de bomen en blijven daar zitten. En als je weer naar huis gaat springen ze weer op je.’

In het Oosten heeft men eeuwenlang geloofd in de heilige poelen, dat je gezuiverd wordt als je in de Ganges stapt. Verder heb je niets nodig. Heel goedkoop, heel gemakkelijk. Maar met veel haken en ogen, de priesters nemen je in de maling.
Kabir zegt: ‘Er zit niets dan water in de heilige poelen.’
Hij pakt een hamer in zijn hand en begint je zogenaamde religie te vernietigen.


De Hindoes hebben zoveel waarde gehecht aan de heilige poelen. Het water maakt wel degelijk het lichaam schoon, maar het kan de ziel niet schoonmaken. Hoe kan het je bewustzijn schoonmaken? Je doet iets verkeerd en je stapt gewoon in de Ganges en denkt dat het daarmee opgelost is… Kijk er gewoon eens naar hoe stom de menselijke mind is. Duizenden jaren lang heeft hij geloofd dat alles goed komt als je maar naar een heilige poel, een rivier of een vijvertje gaat.

   Klaagmuur

En zo hebben anderen op die manier in andere dingen geloofd: naar heilige plaatsen gaan, Jeruzalem, of de Klaagmuur, of naar de Ka’aba gaan. Het zijn dezelfde stomme ideeën. Je wil een goedkope manier vinden om van al die dingen die je gedaan hebt af te komen, je wil niet de verantwoording ervoor op jezelf nemen. Je wil jezelf niet transformeren, daarom zoek je deze goedkope manieren. Je blijft wie je bent. De mens is niet veranderd – dat komt door deze dingen. En deze dingen zijn een grote troost geworden. Een moordenaar gaat naar de rivier, een heilige rivier, gaat er kopje in onder en voelt zich helemaal goed.

   De biecht

De christenen doen hetzelfde als ze gaan biechten. Je gaat naar de priester om te biechten en je denkt dat alles opgelost is alleen door te biechten. En de volgende dag sta je klaar om het weer te doen. En je weet dat het niet zo’n probleem is, je kunt het weer gaan doen en dan weer gaan biechten.

Je kunt elk jaar naar de Ganges gaan, erin stappen, en je bent voor een heel jaar schoon en je bent heel deugdzaam geworden. Als je er goed over nadenkt ziet het er zo stom uit. Maar zo heeft de mens tot nu toe geleefd. Uit naam van religie heeft de mens zijn transformatie gewoon maar uitgesteld. En de ware religie zou een transformerende kracht moeten zijn. Maar de zogenaamde religie is geen transformerende kracht geweest. Ze is er integendeel een hindernis voor geweest. Ze is het grootste obstakel geweest voor de mens om te veranderen.

   Ka’aba

Dus blijven religieuze mensen maar in een cirkeltje ronddraaien. Ze blijven bepaalde dingen doen in de hoop dat alles goed zal komen en ze blijven wie ze zijn. Jaar in jaar uit gaan ze naar de tempel. Ze blijven maar spelen met hun kralen, ze blijven maar heilige namen herhalen en ze blijven wie ze zijn – niet de minste verandering. Er verandert nooit iets. Wat ze geloven zijn in feite manieren om zichzelf tegen verandering te beschermen. Wat ze geloven is een verdediging, wat ze geloven is een harnas om zich heen.

Ze willen blijven wie ze zijn. Ze willen dat genoegen ook houden dat ze religieus zijn, dat ze heiliger zijn dan anderen, dat ze geen gewone mensen zijn, dat ze buitengewoon zijn. En deze dingen geven je prachtige dromen over jezelf als zijnde buitengewoon, superieur, heiliger-dan-jij. Dit zijn egotrips.

En Kabir spreekt vanuit zijn eigen ervaring. Hij was naar al die plaatsen geweest, naar de tempel en de moskee, naar de heilige rivier en de heilige plaatsen, hij had heel wat gereisd. Maar hij reisde met zijn ogen open, keek wat er gebeurde. En er gebeurde niets. Hij spreekt vanuit zijn eigen ervaring. Hij is geen theoreticus, bedenk dat altijd goed. Alles wat hij zegt, zegt hij omdat hij het ervaren heeft.

Wat hij verklaart heeft waarde, hij filosofeert niet zomaar, het is niet zomaar een idee dat er niets dan water in de heilige poelen zit. Hij zegt: ‘Ik kan het weten, ik heb erin gezwommen. En de goden die uit hout en ivoor zijn gesneden kunnen geen enkel woord uitbrengen.’

Maar jij blijft maar tot ze bidden. En kijk eens hoe absurd dat nou is, hoe belachelijk dat is: jij hebt ze geschapen! Je hebt ze op de markt gekocht en dan ga je ze aanbidden. Het zijn speeltjes, speelgoed om mee te spelen en je blijft jezelf in de maling nemen. En je kunt jezelf zo
hypnotiseren door je eigen bedrog dat je hele leven naar de haaien kan gaan zonder een glimp van de waarheid te hebben gezien.

Vernietig die afgoden allemaal. Het zal pijn doen, want ze geven je een zekere troost. Het zal heel veel pijn gaan doen, want je zult alleen achterblijven zonder god om voor te huilen, om voor te bidden. Je zult alleen achterblijven in deze uitgestrekte leegte van het bestaan. Maar dat is de eerste stap naar de werkelijkheid, naar de ware God, naar goddelijkheid. Wees naakt van ieder geloof en wees vrij van alle afgoden.

Osho: The Revolution – Discourses on Kabir, p. 20-24.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti. 
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com.
Image by Ron James from Pixabay.
Image by Richard van Liessum from Pixabay.
Image by Eveline de Bruin from Pixabay.
Image by ekrem from Pixabay.

Vorige verhalen


Dale Carnegie stuurt een brief

 


De nederige keizer Akbar

 


De man met de bijl

 


Liefde is de hele Torah, de rest is commentaar

 


Junaid verbreekt zijn vasten

 

Dale Carnegie stuurt een brief

Wees een stem en geen echo!

Het is een keer gebeurd… Een vrouw stuurde een brief naar een Amerikaanse schrijver, Dale Carnegie. Hij had over de radio gesproken over Abraham Lincoln en hij had een groot aantal jaartallen verkeerd.  De vrouw was een groot fan van Abraham Lincoln, dus schreef ze een hele boze brief: ‘U moet niet voor de radio gaan spreken over Abraham Lincoln als u de meest elementaire dingen over zijn leven nog niet weet. Dat is gewoon een belediging. Zorg eerst maar dat u goed geïnformeerd bent voordat u een lezing gaat geven.’

Dale Carnegie was een beroemdheid, had veel bestsellers geschreven. Hij was beledigd, hij werd erg kwaad. Dus schreef hij meteen een brief terug, op dezelfde toon, met dezelfde kwaadheid, dezelfde irritatie. Maar het was al laat en de bediende was naar huis, dus liet hij de brief op de tafel liggen. Hij zou hem de volgende ochtend wel up de bus doen.

Hij keek hij er nog eens naar toen hij hem de volgende ochtend in de envelop stopte. Hij dacht: ‘Dit gaat te ver. Die vrouw heeft zoiets niet geschreven, ze verdient het niet om zoveel kwaadheid van mij te krijgen.’ En in zekere zin was hij ook van mening dat ze wel gelijk had. Dus verscheurde hij de brief en schreef er nog een, die heel anders was. Er zat geen kwaadheid, geen irritatie in, eerder een houding van dankbaarheid dat ze hem bewust had gemaakt van een paar fouten, hij voelde dat hij haar wat verplicht was.
Maar toen bedacht hij: ‘Er is geen haast, als er zoveel kan veranderen in twaalf uur, kan ik nog wel een paar dagen wachten.’

Dus begon hij met een experiment. Hij liet de brief weer op tafel liggen. Tegen de avond las hij hem nog eens en wilde hij weer een paar woorden veranderen. Dat ging zo zeven dagen door. Op de zevende dag was het een liefdesbrief geworden. En Dale Carnegie vertelt dat die vrouw een van de beste vrienden is geworden die hij ooit in zijn leven heeft gehad. Wat zou er gebeurd zijn als de bediende niet was weggegaan en de brief had gepost? Hij zou een vijand hebben gemaakt.
 
Zoals we leven, leven we vanuit het verleden. Als iemand jou beledigt reageer je onmiddellijk. Die reactie komt voort uit je ervaringen in het verleden…
Bijvoorbeeld, iemand beledigt jou. Zoveel mensen hebben jou in het verleden beledigd, er is een wond in je hart gekomen, al die beledigingen hebben een wond gemaakt. Deze belediging raakt je ook in die wond en daarom reageer je. Die reactie zal niet gerechtvaardigd zijn, want deze man heeft deze wond niet gemaakt. En als de wond wordt aangeraakt wordt de pijn niet echt door zijn belediging veroorzaakt. Die komt van al die beledigingen en de reactie is een opeenstapeling. Die is niet gerechtvaardigd.

Daarom krijgt de ander altijd, als je reageert, het gevoel: ‘Waarom reageer je zo heftig? Ik heb niets gezegd.’
Je weet het ook wel: je bent je er niet van bewust dat je iets tegen iemand hebt gezegd wat hem pijn heeft gedaan en waar hij op reageert. En dan zeg je: ‘Je begrijpt me verkeerd, want ik heb niets gezegd om jou te beledigen. Waarom reageer je zo? Ben je gek geworden?’
Maar dat weet je niet. Hij heeft een wond en als je die wond raakt krijg je heel die pijn naar je toe. Die wond is misschien wel door heel veel mensen gemaakt –onbekende, bekende, niet herinnerd- maar de hele wond wordt over deze persoon uitgestort. Dat is niet gerechtvaardigd.

Wat moet je dan doen als je onmiddellijk reageert? Allereerst het verleden opzij zetten. Kijk op een alerte manier naar die man, zodat je niet door het verleden vertroebeld raakt. Kijk naar wat hij ook gezegd heeft, ontleed het, analyseer het, in het licht van het heden.
En het is beter als je er even mee kan wachten en erop kunt mediteren.
 
Osho: Vedanta, Seven Steps to Samadhi – Discourses on the Akshya Upanishad, p. 435 – 437.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti. 
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com.
Image by Pexels from Pixabay.

Vorige verhalen


De nederige keizer Akbar

 


De man met de bijl

 


Liefde is de hele Torah, de rest is commentaar

 


Junaid verbreekt zijn vasten

 


De dood komt de 100 jaar oude koning ophalen

De nederige keizer Akbar

Nederigheid is fundamenteel.
Als je nederig bent, wordt de hele wereld een leraar voor jou.

Er wordt verteld… Het gebeurde eens in het leven van Akbar, dat hij zijn negen wijze mannen bijeenriep want hij was boos en zei: ‘Hier zijn jullie dan en iedereen zegt dat jullie de wijste mensen ter wereld zijn van deze tijd, maar ik heb nog niets van jullie kunnen leren. Wat is er aan de hand? Jullie zijn er en ik blijf maar steeds dezelfde. Wat doen jullie nou eigenlijk?’


Akbar de Grote (1542-1605)

Een kind was met een wijze meegekomen. Hij wilde het hof wel eens zien. Hij moest lachen. De wijze mannen waren stil en het kind lachte.
Akbar zei: ‘Waarom lach je? Dat is een belediging voor het hof! Heb je geen manieren geleerd van je vader?’
Het kind zei: ‘Ik moet lachen omdat deze negen wijze mensen stil zijn en ik weet wel waarom ze stil zijn. En ik weet ook waarom u niet van hen heeft weten te profiteren.’

Akbar keek in het gezicht van het kind – heel onschuldig, maar ook zo eeuwenoud. Altijd als een kind onschuldig is kun je het diepe eeuwenoude in zijn ogen zien – want geen kind is een kind. Het heeft geleefd, veel ervaren. Het draagt alle kennis met zich mee van al zijn ervaringen in het verleden.
Akbar zei: ‘Kun jij me dan iets leren?’
Het kind zei: ‘Ja!’ Akbar zei: ‘Doe het dan!’
Het kind zei: ‘Dan moet u mij eens volgen. Komt u hier maar staan waar ik zit, dan zal ik op de troon gaan zitten. En dan stelt u een vraag als een discipel, niet als een meester.’

En ze zeggen dat Akbar het begreep. Die negen mannen waren volslagen waardeloos geweest. Hij kon niets leren omdat zij niets konden onderwijzen. Ze konden wel onderwijzen, maar hij was er niet klaar voor, hij was niet ontvankelijk, hij was niet nederig genoeg.
Ze zeggen dat hij ging zitten terwijl het kind op de troon zat en zei: ‘Nu vraag je als een discipel, niet als een keizer.’

Akbar heeft nooit iets gevraagd. Ze zeggen dat hij het kind heeft bedankt, zijn voeten heeft aangeraakt en gezegd heeft: ‘Ik hoef niets te vragen. Ik heb zoveel geleerd door alleen maar in een nederige houding aan je voeten te zitten.’
 
Nederigheid is fundamenteel. Ook zonder wijze man kun je veel leren, als je nederig bent. Je kunt leren van de bomen en de bronnen en de wolken en de winden. Het hele bestaan wordt een leraar voor je, als je nederig bent. Maar als je niet nederig bent, ook al is er een Boeddha, zal intimiteit nooit plaatsvinden. Je hebt een Boeddha om je heen, maar er vindt geen intimiteit plaats. Jij bent niet nederig. Je wilt wel iets leren, maar zonder te buigen, zonder je ego omlaag te brengen.

Osho: Until You Die – Discourses on the Sufi Way, pp. 188-189.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti. 
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com.
Afbeeldingen:
Akbar op latere leeftijd, Wikimedia Commons.
Jongen, Pixabay.

Vorige verhalen


De man met de bijl

 


Liefde is de hele Torah, de rest is commentaar

 


Junaid verbreekt zijn vasten

 


De dood komt de 100 jaar oude koning ophalen

 


De specht

De man met de bijl

Alles wat in de mind opkomt zal hij ook vinden.

Er was eens een man die zijn bijl kwijt was en hij begon de buurjongen te verdenken. Zijn uitdrukking, hoe hij praatte, zijn gedrag, zijn manier van doen, alles aan hem verried dat hij de bijl gestolen had. Kort daarna vond hij de bijl toen hij in zijn tuin aan het graven was.
Op een dag zag hij de buurjongen weer. Niets in zijn gedrag en manier van doen wees erop dat hij een bijl zou stelen.


 Dat is het verschil tussen een boeddha mind en een gewone mind. Een gewone mind is iets heel actiefs. Ze is niet zoals een spiegel. Ze laat niet gewoon zien wat er aan de hand is, nee, ze dringt op een actieve manier door. Ze neemt haar eigen ideeën mee naar de werkelijkheid. Ze geeft de werkelijkheid kleur, ze geeft er vorm aan. Ze geeft een vorm aan de werkelijkheid die er niet is, die door de mind zelf is ingebracht…

Soefi’s zeggen dat de mind de ziekte is. En iedereen die geweten heeft is het met hen eens. De truc zit hem hierin dat de mind alles zal vinden waar het ook maar aan denkt. Want eerst stop je iets in de werkelijkheid en dan lees je het. Met je rechterhand stop je het erin en met je linkerhand lees je het en je denkt dat je de werkelijkheid leest…

De jongen blijft dezelfde. De jongen heeft niet eens in de gaten wat er aan de hand is. Hij was een dief geworden en nu is hij geen dief meer – een mooie jongen, een brave jongen, heel goed! Kijk eens hoe hij loopt, zo onschuldig. De jongen is hetzelfde gebleven, maar de mind van de man is veranderd. Als je je mind meeneemt naar de werkelijkheid, zie je iets wat er niet is. Misschien mis je wel iets wat er wel is.

De hindoes noemen dit inbrengen van de mind in de werkelijkheid maya. Dit is de grondoorzaak van iedere illusie. Als je het hindoe concept van maya wil begrijpen, dit is de basis. Als je door de mind leeft leef je in maya, leef je in illusie, leef je binnen je eigen projecties en ideeën. Lagen van je gedachten verbergen jou voor de werkelijkheid en verbergen de werkelijkheid voor jou. Als je de mind laat vallen laat je de maya vallen, de basis van alle hallucinatie.

Als de mind er eenmaal niet is wordt plotseling alles wat er is ontsluierd.

Osho: Just Like That, Talks on Sufi Stories, p.196, 203-204, 213-214 en 222.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti. 
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com.
Image by Victoria from Pixabay.

Vorige verhalen


Liefde is de hele Torah, de rest is commentaar

 


Junaid verbreekt zijn vasten

 


De dood komt de 100 jaar oude koning ophalen

 


De specht

 


Drie wijze mannen opgesloten

Liefde is de hele Torah, de rest is commentaar

Er staat een prachtig verhaal in de Talmoed. Er kwam eens een heiden bij Hillel –een groot Joods mysticus- en hij vroeg hem op cynische toon: ‘Leer mij nou eens de hele Torah terwijl ik op één been sta.’
Dit is nou iets onmogelijks, de Torah is een uitgebreid geschrift – het duurt echt jaren voordat je hem onder de knie krijgt. En deze cynicus, deze sceptische persoon, zegt tegen Hillel: ‘Als u de Torah nou begrepen hebt, geef mij dan de kern, de samenvatting, de essentie ervan. Terwijl ik op één been sta vertelt u me alles wat er in de Torah staat.’ 

En deze scepticus was ook bij andere mystici langs geweest, maar dat waren vast geen mystici, het waren grote theologen, filosofen, denkers, pandits, geleerden. Ze hadden het allemaal geweigerd.
Ze hadden gezegd: ‘Dat is onmogelijk, voor de Torah moet je jarenlang studeren, levenslang studeren. Je kunt de Torah niet condenseren in een paar zinnen, dat zou heiligschennis zijn. Dat is onmogelijk.’
Maar Hillel ging akkoord en gaf meteen antwoord: ‘Doe een ander niet aan wat je niet wil dat een ander jou aandoet. Dit is de hele Torah, de rest is commentaar.’

Liefde is de hele Torah, de rest is commentaar.
En wat is liefde?
Doe een ander niet aan wat je niet wil dat een ander jou aandoet.
 
Dit is het criterium voor liefde:
Doe anderen aan wat je graag wilt dat anderen jou aandoen.
Wat je voor jezelf vraagt, gun dat ook aan een ander.
Wat je niet wilt dat met jou gebeurt, doe dat een ander dan ook niet aan.

Osho: The Divine Melody – Discourses on Songs of Kabir, p. 219.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti. 
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com.
Afbeelding van falco via Pixabay.

Vorige verhalen


Junaid verbreekt zijn vasten

 


De dood komt de 100 jaar oude koning ophalen

 


De specht

 


Drie wijze mannen opgesloten

 


Geen hoofd in de spiegel

 

Junaid verbreekt zijn vasten

Wij zijn de meesters, wij kunnen een gelofte doen, wij kunnen haar ook breken.

Op een goede dag vertrok een soefi mysticus, Junaid, op een bedevaart, een heilige bedevaart naar de Kaäba. Hij zei tegen zijn discipelen: ‘We hebben een maand nodig om de Kaäba te bereiken en we gaan vasten, zodat onze lichamen helemaal gezuiverd zijn tegen de tijd dat we bij de Kaäba aankomen.’
De discipelen waren het ermee eens. Ze gingen op reis. Op de derde dag kwamen ze in een dorp aan. Het hele dorp liep uit om hen te ontvangen, want Junaid had daar een discipel, een heel erg arme man. Omdat Junaid voor de eerste, en misschien wel de laatste, keer naar zijn dorp kwam en bij hem te gast zou zijn, had hij zijn land verkocht, zijn huis, alles, om een feest te geven voor het hele dorp. Hij had niet in de gaten dat Junaid aan het vasten was met honderden discipelen in zijn gevolg.


Junaid zag de blijdschap van de discipel. Hij was gewoon in extase, hoewel hij alles op het spel had gezet gewoon om een feest voor het hele dorp te geven, om zijn meester welkom te heten. Junaid zei niets – hij sprak er met geen woord over dat hij aan het vasten was. Toen Junaid niets zei, hielden de discipelen ook hun mond, maar van binnen kookten ze.
Het feest begon. Junaid at er goed van en dankte de discipel, zegende de discipel.
De andere discipelen moesten ook wel iets eten, omdat Junaid iets at. Ze konden niet zeggen ‘wij zijn aan het vasten,’ als de meester zelf het vasten vergeten was. Bovendien was het eten overheerlijk en ze hadden al drie dagen honger geleden! Maar diep van binnen waren ze ook boos: ‘Wat is dit nou voor een discipline?’

Toen ze vertrokken was het eerste wat ze onderweg deden aan de meester vragen: ‘Daar snappen we nou niets van. Was u het vasten nou helemaal vergeten? U heeft er met geen woord over gerept.’
Hij zei: ‘Nee, zoiets vergeet ik nooit, maar hij was zo blij en zo extatisch… het zou hem zoveel pijn in zijn hart gegeven hebben als ik had gezegd: “Ik ga niets eten.” Hij had het eten met zoveel liefde klaargemaakt.’
‘Het is geen probleem,’ zei Junaid, ‘we kunnen nog drie dagen vasten. Vergeet die drie dagen maar – we beginnen vanaf vandaag te vasten en we houden dat een maand lang vol. Geen probleem. Waarom zou je die man kwetsen om iets heel simpels? Wij kunnen nog drie dagen vasten.’
Maar de discipelen zeiden: ‘Maar het is een kwestie van discipline: omdat we de gelofte hadden gedaan, hadden we haar vol moeten houden.’

Junaid zei: ‘Leef bewust en leef niet volgens een dode discipline. Jullie waren geïrriteerd – ik zag het in jullie gezicht. Jullie waren boos op mij -ik zag het wel- want jullie liepen gewoon achter een dode regel aan: “Wij hebben een gelofte gedaan, dus moeten we die volgen.” Wij zijn de meesters. Wij doen de gelofte, wij kunnen haar ook breken. En de situatie was zodanig dat het juist was wat we deden. Ons vasten is maar iets gewoons, zijn liefde was echt heel heilig. Wel of niet eten maakt niet zoveel uit, maar jullie hebben zijn vreugde gemist, jullie konden niet delen in zijn extase. Jullie hebben een grote kans gemist. ‘

Als het nog een keer gebeurt,’ zei de meester, ‘want we komen nog andere discipelen tegen in andere plaatsen, maak je dan niet zo druk. Ik handel vanuit het moment. Ik zie de situatie en ik handel daarnaar – dat is mijn discipline. Ik handel niet vanuit het verleden.’

Een gedisciplineerd leven is rigide, bevroren, koud, doods. Je blijft gewoon maar automatisch dingen doen. Soms komt dat goed uit in de situatie, maar veel vaker zal het absoluut niet relevant zijn.

Dan loopt de man van discipline, de zogenaamde man van discipline, altijd achter. De situatie vergt iets anders, maar zijn discipline reageert op zijn eigen manier, daarom is hij nooit in helemaal één met de werkelijkheid. Hij is altijd geïsoleerd, vervreemd.

Osho: The Secret – Discourses on Sufism, p. 47-49.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti. 
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com.
Image by GLady from Pixabay.

Vorige verhalen


De dood komt de 100 jaar oude koning ophalen

 


De specht

 


Drie wijze mannen opgesloten

 


Geen hoofd in de spiegel



De blinde man in debat met Boeddha

De dood komt de 100 jaar oude koning ophalen

Ook al word je duizend jaar oud, dan nog worden je verlangens niet vervuld.
Dit moment, pers er alles uit!

In India hebben we een heel mooi verhaal. Een groot koning, Yayati, lag op sterven.
De dood kwam eraan…
Het is een eeuwenoud verhaal. In die dagen was alles eenvoudig en de andere wereld was niet zo ver weg. De dood kwam aan de deur kloppen. Yayati deed de deur open en zei: ‘Wat? Heb ik pas honderd jaar geleefd en bent u daar al – onaangekondigd ook nog! U moet me op zijn minst nog wat tijd gunnen. Mijn ware verlangens heb ik nog niet vervuld. Ik heb het maar uit lopen stellen: morgen, morgen. Maar nu bent u er al en zal er geen morgen zijn. Dat is wreed! Strijk over uw hart!’

De dood zei: ‘Ik moet wel iemand meenemen, ik kan niet terugkeren met lege handen. Maar gezien je ellende, je ouderdom, zal ik je nog eens honderd jaar schenken. Maar dan moet wel een van je zoons met me mee.’
Yayati had honderd zonen –hij had honderd vrouwen- dus zei hij: ‘Geen probleem.’
Maar het was niet zo makkelijk als hij dacht. Hij riep zijn honderd zonen bij zich en vroeg of iemand mee wilde gaan. ‘Red je oude vader zijn leven! Jullie hebben zo vaak gezegd: “Vader, we zijn bereid om voor u te sterven.” Nu is de tijd gekomen om dat te bewijzen.’
Maar zulke dingen worden altijd wel gezegd, uit beleefdheid, maar het stelt niets voor. De zonen begonnen elkaar aan te kijken. De ene was zeventig, de ander vijfenzeventig, iemand was zestig. Ze kwamen zelf al op leeftijd. 

De jongste was pas twintig. De jongste stond op en zei: ‘Ik ben klaar om mee te gaan.’
Niemand kon het geloven! Zijn negenennegentig broers konden het niet geloven, ze dachten: wat een dwaas. Hij had nog niet geleefd, nog helemaal niet. Hij was pas twintig, hij kwam net kijken. Zelfs de dood voelde medelijden. De dood nam de jonge man terzijde, fluisterde in zijn oor: ‘Ben jij zo dwaas? Je oudere broers zijn er niet klaar voor, ze hebben lang geleefd. De een heeft vijfenzeventig jaar geleefd, hij is er nog niet klaar voor. En jij bent er wel klaar voor? Je vader wil niet sterven. Hij is honderd jaar oud en jij bent pas twintig.’

De jonge man zei iets heel moois, iets van enorm groot belang. Hij zei: ‘Als ik zie dat mijn vader honderd jaar heeft geleefd en alles heeft wat je maar kunt hebben en nog geen voldoening heeft gevonden, zie ik hoe futiel het leven is. Wat heeft het voor zin? Al leef ik honderd jaar, dat verandert niets aan de situatie.
En als het alleen om mijn vader ging had ik gedacht “misschien is hij een uitzondering.” Maar mijn broers –vijfenzeventig, zeventig, vijfenzestig, zestig- hebben ook lang geleefd. Ze hebben van allerlei dingen kunnen genieten, wat valt er nog meer te genieten? Ze worden oud en nog hebben ze geen voldoening gevonden. Dus één ding staat vast: dit is niet de manier om voldoening te vinden. Daarom ben ik er klaar voor en ga ik met u mee, zonder enige wanhoop, maar vanuit een enorm begrip. Ik ga heel opgewekt met u mee dat ik deze marteling niet hoef te doorstaan, deze lijdensweg van honderd jaar die mijn vader heeft moeten gaan. Hij is er nog niet aan toe om met u mee te gaan.’

En het verhaal gaat verder. Er gingen weer honderd jaar voorbij, ze kwamen en gingen, niemand had iets in de gaten. Opnieuw klopte de dood aan de deur. Toen de Dood aan kwam kloppen, toen pas drong het tot Yayati door dat er weer honderd jaar verstreken waren.
Hij zei: ‘Maar ik ben er nog niet klaar voor!’
En dit ging zo maar door en iedere keer ging er een zoon met de Dood mee en Yayati leefde duizend jaar. Dit is echt een symbolisch verhaal.

Na duizend jaar kwam de Dood langs en zei: ‘Hoe denk je er nu over?’
Yayati zei: ‘Ik ga mee. Genoeg is genoeg! Ik heb ingezien dat hier nooit iets vervuld kan worden. Verlangens blijven maar groeien, je vervult er één en er komen tien andere op. Het is een proces wat eindeloos doorgaat. Nu ga ik gewillig mee en nu kan ik zeggen dat mijn eerste zoon die met u meeging en die pas twintig was intelligent was. Ik was een idioot. Ik had er duizend jaar voor nodig om tot dat inzicht te komen en hij zag het al toen hij pas twintig was. Dat is pas intelligentie.’

Als je intelligent bent begin je te leven in plaats van je daarop voor te bereiden…
Je kunt eindeloos blijven voorbereiden en nog wordt het nooit tijd om te leven.
Als je intelligent bent loop je vandaag niet mis voor morgen. Dan offer je dit moment niet op voor een ander moment, dan leef je dit moment in zijn totaliteit. Dan pers je alles uit dit moment.

Osho: The Guest – Talks on Kabir, p. 48–51.
Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti. 
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com.
Image by Foto Szop from Pixabay.

Vorige verhalen


De specht

 


Drie wijze mannen opgesloten

 


Geen hoofd in de spiegel



De blinde man in debat met Boeddha

 


Twee bronzen standbeelden

 

De specht

Wat is dit ‘Ego’? Een jonge specht legt het uit.

Een eeuwenoud verhaal: Er was eens een jonge specht die zich op een ochtend heel energiek voelde en besloot om de dag eens te beginnen met op een enorme eik te gaan pikken. Hij was net goed bezig toen een bliksemflits de boom van boven tot onder open spleet.
De vogel krabbelde onder de brokstukken vandaan, keek omhoog om te zien wat er van de boom over was gebleven en mompelde met een huivering: ‘Allemachtig! Ik ken mijn eigen krachten niet!

Dit is nou ego.
Het is een misinterpretatie – je denkt dat je iets doet wat al gebeurt.
Gewoon wat gebeurt vertalen naar iets doen is wat het ego creëert.
Let eens op, en iedere keer dat je het gevoel hebt dat je iets doet, vertaal je dat naar ‘het gebeurt. ‘Lees ‘het gebeurt’ en het ego verdwijnt.

Osho: Take It Easy – 13 Discourses Based on the Doka of the Zen Master Ikkyu, Vol. 2, p. 244.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti. 
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com.
Image by George from Pixabay.

Vorige verhalen


Drie wijze mannen opgesloten

 


Geen hoofd in de spiegel



De blinde man in debat met Boeddha

 


Twee bronzen standbeelden

 


Boeddha zoekt zijn vrouw op

 

Drie wijze mannen opgesloten

Hoe kan er een slot zitten op de deur van het bestaan? De deur is open!

Een parabel: een koning wilde de wijste man onder zijn onderdanen uitkiezen als zijn eerste minister. Toen de zoektocht zich uiteindelijk versmald had tot drie mannen, besloot hij om ze aan de ultieme test te onderwerpen. Daartoe liet hij ze plaatsnemen in een kamer in het paleis waar een slot op zat gemonteerd dat het toppunt van mechanisch vernuft was. De kandidaten kregen te horen dat wie het als eerste lukte om de deur open te krijgen tot de eervolle positie benoemd zou worden.

De drie mannen begonnen onmiddellijk aan de taak. Twee van hen begonnen meteen ingewikkelde wiskundige formules uit te werken om de juiste slotcombinatie te vinden. Maar de derde man zat gewoon in zijn stoel en deed niets. Uiteindelijk, zonder de moeite te hebben genomen om pen op papier te zetten, stond hij op, liep naar de deur, draaide aan de deurknop en de deur ging open. Al die tijd was deze niet op slot geweest!

Zó zit het in mekaar. Er zit niets op slot, de deur is open. Terwijl mensen zich het hoofd breken over hoe je het slot nu open moet krijgen. Mensen proberen allerlei methoden uit, ondernemen duizend en één dingen, om er maar uit te komen. Terwijl ze er in feite al uit zíjn.  Nooit zullen ze de waarheid van de situatie kennen als ze niet ophouden met al dat denkwerk. De mens verkeert niet in slavernij, dat denkt hij alleen maar. Omdat hij zo denkt, verkeert hij in slavernij. Er is geen verschil tussen een boeddha en een gewoon mens. Maar de gewone man denkt dat er een verschil is – en dan is het er ook. Je creëert je eigen gevangenis, je slot. En dan probeer je van alles te bedenken om eruit te komen.

Het boeddhisme snijdt met één klap de knoop door. Het boeddhisme zegt: er is geen slot, er is geen knoop om door te snijden. Dat is wat ik bedoel als ik zeg dat het boeddhisme de knoop met één klap van het zwaard doorsnijdt.
Je hoeft nergens heen, je hoeft niets te doen. Je bent er al en je bent dat al: doe gewoon je ogen open.

Denk eens aan die twee denkers -het waren vast wiskundigen, het waren vast ingenieurs- natuurlijk zijn ze tot de  conclusie gekomen dat het slot een staaltje van groot mechanisch vernuft moet zijn geweest en dat ze de juiste combinatie moesten zien te vinden. Ze begonnen eraan te werken.W el, ze hadden er een eeuwigheid aan kunnen werken – denk je dat ze er ooit waren uitgekomen? Er was met geen mogelijkheid een oplossing te vinden, want om te beginnen bestond het probleem helemaal niet.
In feite raken ze er steeds verder in verstrikt. Ze raken er steeds verder in verstrikt –niet in het probleem, want er is geen probleem, maar in de antwoorden die ze zullen verzinnen.

Dat is waar mensen vast zitten. De ene is hindoe, hij zit vast in zíj́n antwoord. De ander is christen, hij zit vast in zíj́n antwoord. Mensen zitten vast in filosofieën en filosofie heb je niet nodig. Het leven heeft genoeg aan zichzelf. Het heeft geen uitwerking nodig, het heeft geen uitleg nodig, het heeft geen analyse nodig.
Maar als je deel gaat uitmaken van een analytisch spelletje, dan kan het eindeloos door blijven gaan. Het een leidt tot het andere, en dat tot weer iets anders en dan zit je in een ketting. En omdat het probleem nooit opgelost zal worden, omdat er geen probleem is om op te lossen, moet je wel door blijven zoeken naar antwoorden.
Het boeddhisme brengt je weer met beide voeten op de grond. Het zegt: kijk eerst eens of de deur wel op slot is, of er wel een slot op de deur zit.

Die is er niet. De deur is open. Hoe kan er een slot zitten op de deur van het bestaan?Wij maken er deel van uit – wie gaat hem op slot doen? Waarom? Wie gaat er een probleem van maken? En waarvoor? Wij zíjn het bestaan: we zitten erin, het zit in ons. Als je dit ziet, ontspan je. In die ontspanning rijst de visie omhoog.
Dat is wat er met de derde man gebeurde. Hij zat niets te overwegen, te bedenken, te analyseren, uit te vinden, af te leiden. Hij zat daar gewoon in zijn stoel niets te doen. Dat is waar meditatie allemaal om draait.

Het Engelse woord ‘meditatie’ is geen goed woord, want in het Engels betekent meditatie ook ‘denken over, mediteren op.’In het Engels is er geen goed woord om dhyana te vertalen, want dhyana betekent juist ‘niet op mediteren,’ dhyana betekent juist ‘niet over denken.’

Dhyana betekent niet iets doen, gewoon ontspannen en zijn.
Als je gewoon stil bent en niets doet, is je perspectief oneindig, is je perceptie helder, kun je door en door kijken. Door stil in zijn stoel te zitten, niets te doen, kon de man zien dat er geen slot op de deur zat. Hij stond gewoon op, draaide aan de knop en ging naar buiten.

Dat heb ik ook zo ervaren. Dit is niet zomaar een parabel, niet een verzonnen parabel. Het is de parabel van alle boeddha’s: zo is het nu eenmaal. Dit is niet zomaar een verzonnen verhaal, het is de gecondenseerde ervaring, de meest essentiële ervaring van alle boeddha’s – dat er geen slot op de deur zit.
Ga gewoon stil zitten, bereik een staat van zien, van zuiverheid, waar geen gedachte je stoort, waar geen wolk van gedachte door je bewustzijn rondwaart –maak gewoon de spiegel schoon van het stof van gedachten- en plotseling kun je zien dat er geen slot is, geen deur, geen vijand, geen dood, geen geboorte. En je hoeft nergens heen en je hoeft niemand te worden. Je bent volmaakt zoals je bent.

Je zit al in die ruimte die paradijs wordt genoemd. Begin er maar eens van de genieten, maak er geen probleem van. Zo gauw je er een probleem van maakt, hou je op met genieten. Hoe kun je nou genieten als je het probleem niet oplost? En het ene probleem schept tien andere … tot je er misselijk van wordt.
Snij het eerste probleem door! Het leven is geen probleem.
Boeddha zegt: het leven is simpel.

Osho: Take It Easy – 13 Discourses Based on the Doka of the Zen Master Ikkyu, Vol. 2, p 98-101.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti. 
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com.
Image by Fabien from Pixabay.

Vorige verhalen


Geen hoofd in de spiegel


De blinde man in debat met Boeddha

 


Twee bronzen standbeelden

 


Boeddha zoekt zijn vrouw op

 


Twee werkloze acteurs