1001 verhalen

De meester en de dienaar

Dienaren hebben hun eigen slinkse manieren om meesters te worden.

Niets hoeft uit je systeem gegooid te worden; alles moet getransformeerd en geabsorbeerd worden. De mind is niet lelijk; je gebruik van de mind is lelijk. Verander het gebruik ervan. De mind is niet lelijk – jij bent onbewust. De wagen is mooi, het is een gouden wagen, maar de wagenmenner is dronken en ligt vast te slapen; en hij scheldt de wagen uit, geeft de schuld aan de wagen. Als hij in een greppel terechtkomt, slaat hij de paarden, geeft hij de schuld aan hij de wagen, geeft hij de schuld aan de wagenmaker, en hij denkt nooit dat het niet de fout van de wagen is, niet de fout van de paarden, niet de fout van de wagenmaker. Het is zijn schuld – hij was dronken, hij lag vast te slapen. Het spreekt vanzelf als de wagen in een greppel terecht komt, de verantwoordelijkheid ligt helemaal bij jou.

Het is geen kwestie van de mind vernietigen of de mind eruit gooien. De mind is een prachtig mechanisme, het mooiste mechanisme dat er bestaat, maar je bent een dienaar van de mind geworden. Jij bent de meester maar de meester functioneert als een dienaar; de mind is een dienaar en jij hebt van de dienaar de meester gemaakt.

De dienaar gaat boven de meester: satire van de Reformatie van Christus op een ezel en de paus op een paard.
Hier bij so schijnttet dat in staet, den knecht booven de meester gaet. 

Ik heb eens een oud verhaal gehoord: Een koning was heel gelukkig met een van zijn dienaren. Hij was heel erg toegewijd, zo totaal toegewijd aan de koning, hij was altijd bereid om zijn leven op te offeren voor de koning. De koning was enorm gelukkig, want vele malen had hij de koning gered, met gevaar voor eigen leven. Hij was de lijfwacht van de koning.
Op een dag voelde de koning zich zo gelukkig met de man, dat hij zei: ‘Als je iets wenst, als je een verlangen hebt, zeg het me en ik zal het vervullen. Je hebt zoveel voor me gedaan dat ik je nooit mijn dankbaarheid kan tonen. Ik kan je nooit terugbetalen, maar vandaag zou ik graag een van je wensen vervullen, wat het ook is.’
De dienaar zei: ‘U heeft me al zo veel gegeven. Ik ben zo gezegend alleen al door altijd bij u te zijn – ik heb niets nodig.’

Maar de koning drong aan. Hoe meer de bediende zei ‘ik heb niets nodig,’ hoe meer de koning aandrong. 
Uiteindelijk zei de dienaar: ‘Dan is het goed. U maakt mij voor vierentwintig uur koning en u bent de bewaker.’
Het maakte de koning een beetje beducht, angstig, maar hij was een man van zijn woord en hij moest de wens vervullen.
Dus werd hij voor vierentwintig uur de lijfwacht en de lijfwacht werd de koning. En weet je wat de lijfwacht deed? Het eerste wat hij deed, was de koning ter dood veroordelen!
De koning zei: ‘Wat doe je nou?’
Hij zei: ‘Hou je mond! Je bent gewoon de lijfwacht en verder niets. Het is mijn wens en nu ben ik de koning!’
De koning werd ter dood gebracht en de dienaar werd voor altijd de koning.

Dienaren hebben hun eigen slinkse manieren om meester te worden. De mind is een van de mooiste, meest complexe, meest geëvolueerde mechanismen. Hij heeft je goed gediend, hij dient je goed. 
Vanwege zijn diensten heb je hetzelfde verhaal in je leven herhaald, iedereen heeft hetzelfde verhaal herhaald: je hebt van de mind de meester gemaakt en nu behandelt de meester jou als een dienaar.
Dit is het probleem, niet dat je de mind eruit moet gooien. Als je de mind eruit gooit, zul je krankzinnig worden.

Osho: The Dhammapada, The Way of the Buddha, Series 6, p.270-271.

Afbeelding: Wikimedia Commons/The_servant_goes_above_the_master.

Uit de serie 1001 verhalen van Shanti.

Uit de serie 1001 verhalen van Shanti.

Vorige verhalen

De kleren van Lelijkheid en Schoonheid

 

Pas op voor experts!

 

Gewoon spelers van een spel

 

Wees een licht voor jezelf

 


Maar één van de honderd

 

Als je gaat douchen, gewoon douchen

Breng bewustzijn in elke handeling. Als je over straat loopt, loop volledig alert; als je eet, eet met bewustzijn. Wat je ook doet, laat het verleden en de toekomst je niet hinderen. Wees in het heden. Daar draait het om bij bewustzijn. Als je gaat douchen, gewoon douchen. Laat de mind niet dwalen, naar het verleden, naar de toekomst. Sta de mind deze verre excursies, deze reizen niet toe. Als je gaat douchen, gewoon douchen.

Bokuju, een groot zenmeester, kreeg de vraag: ‘Wat is uw fundamentele leer? Wat is uw fundamentele praktijk? Hoe bent u verlicht geworden?’
Hij zei: ‘Mijn leer is simpel: Als je honger hebt, eet dan; als je slaap hebt, slaap dan.’
De man was verbaasd. Hij zei: ‘Ik heb nog nooit van zo’n praktijk gehoord. Ik vraag naar de fundamentele praktijk en u heeft het over “als je honger hebt, eet dan en als je slaap hebt, slaap dan.” Wat is dit voor onderricht?’
Bokuju zei: ‘Dat weet ik niet, maar dat is hoe ik verlicht ben geworden, en dat is hoe veel van mijn leerlingen verlicht worden. Je kunt het ze gaan vragen.’

Maar de man zei: ‘Dat is wat we allemaal doen. Als we honger hebben, eten we. Slaperig, slapen we.’
Bokuju zei: ‘Nee, er is een verschil en een groot verschil. Als ik eet, eet ik gewoon en doe ik niets anders. Wanneer jij eet, doe je duizend en één dingen in je hoofd – behalve eten; je doet al het andere. Eten gebeurt mechanisch. Wanneer je slaapt, slaap je dan echt? 
Hoe kun je slapen als je droomt? Je droomt zoveel, de hele nacht door; golven op golven van dromen blijven maar komen. Slechts voor een paar minuten, hier en daar, houdt het dromen op en val je diep in slaap; anders gaat het dromen door. Dromen is een slaapafleiding: je wordt door duizend en één dingen afgeleid. Maar je slaapt niet. Je doet niet alleen maar één ding.’

Om bewust te zijn…moet je één ding tegelijk doen. 
En doe het met volledig bewustzijn, oplettendheid.

Osho: The Dhammapada – The Way of the Buddha, Series 6, p. 153-154.

Afbeelding: Wikimedia Commons

Uit de serie 1001 verhalen van Shanti.

Vorige verhalen

De kleren van Lelijkheid en Schoonheid

 

Pas op voor experts!

 

Gewoon spelers van een spel

 

Wees een licht voor jezelf

 


Maar één van de honderd

 

De kleren van Lelijkheid en Schoonheid

Lelijkheid gemaskeerd als Schoonheid en Schoonheid in de kleren van Lelijkheid.

Een oude parabel: De wereld werd geschapen en God zond elke dag nieuwe dingen naar de wereld. Op een dag stuurt hij Schoonheid en Lelijkheid naar de wereld. Het is een lange reis van het paradijs naar de aarde. Als ze aankomen is het vroeg in de ochtend, de zon komt net op. Ze landen bij een meer en besluiten allebei een bad te nemen omdat hun hele lichaam, hun kleren, alles onder het stof zit. Zonder de wegen van de wereld te kennen – ze zijn zo nieuw – trekken ze hun kleren uit; helemaal naakt springen ze in het koele water van het meer. De zon komt op, mensen beginnen te komen.


Edvard Munch, Jealousy, Munch Museum.

Lelijkheid haalt een streek uit: als Schoonheid ver weg in het meer gaat zwemmen, komt Lelijkheid aan wal, trekt de kleren van Schoonheid aan en maakt zich uit de voeten. Tegen de tijd dat Schoonheid zich ervan bewust wordt dat er mensen aankomen en dat ze naakt is, kijkt ze om zich heen… haar kleren zijn weg. 
Lelijkheid is weg maar zij staat naakt in de zon en de menigte komt dichterbij. Omdat ze geen andere manier ziet, trekt ze de kleren van Lelijkheid aan en gaat ze op zoek naar Lelijkheid zodat ze van kleren kunnen wisselen.
Het verhaal gaat dat ze nog steeds op zoek is… maar Lelijkheid is sluw en blijft ontsnappen. Lelijkheid is nog steeds in de kleren van Schoonheid, gemaskerd als Schoonheid, en Schoonheid loopt rond in de kleren van Lelijkheid.

Het is een geweldig mooie parabel. Jaloezie doet zich voor als liefde, bezitsdrang creëert een masker van liefde… en dan ben je op je gemak. Je houdt niemand anders voor de gek… alleen jezelf…
Het is niet de liefde die jaloers is. Zie, kijk, observeer opnieuw. Wanneer je jaloers bent, is het niet de liefde die jaloers is; liefde heeft nooit iets van jaloezie gekend. Net zoals de zon nooit iets van duisternis heeft gekend, heeft liefde nooit iets van jaloezie gekend.
Het is het ego dat zich gekwetst voelt, het is het ego dat zich competitief voelt, constant in strijd. Het is het ego dat ambitieus is en hoger wil staan dan anderen, die iemand speciaal wil zijn. Het is het ego dat zich jaloers en bezitterig gaat voelen – want het ego kan alleen bestaan met bezit. 

Hoe meer je bezit, hoe meer het ego wordt versterkt; zonder bezit kan het ego niet bestaan. Het leunt op bezittingen, het is afhankelijk van bezittingen. Dus als je meer geld hebt, meer macht, meer aanzien, een mooie vrouw, een mooie man, mooie kinderen, dan voelt het ego zich enorm gevoed. 
Wanneer bezittingen verdwijnen, wanneer je helemaal niets bezit, zul je het ego vanbinnen niet vinden. Er zal niemand zijn die ‘ik’ kan zeggen.
En als je denkt dat dit je liefde is, dan zal zeker ook je liefde verdwijnen. Jouw liefde is niet werkelijk liefde. Het is jaloezie, bezitterigheid, haat, woede, geweld; het zijn duizend en één dingen – behalve liefde. 
Het doet zich voor als liefde. Omdat al deze dingen zo lelijk zijn, kunnen ze niet zonder masker bestaan.

Osho: The Dhammapada, The Way of the Buddha, Vol. 3, p. 82-84.

Afbeelding: Wikimedia Commons

Uit de serie 1001 verhalen van Shanti.

Vorige verhalen

Pas op voor experts!

 

Gewoon spelers van een spel

 

Wees een licht voor jezelf

 


Maar één van de honderd

 

Een ossenkar die vliegt!

Pas op voor experts!

Een man liep mank over straat en kronkelde van de pijn. Een dokter hield hem tegen en zei: ‘Als ik jou was, zou ik me laten onderzoeken – je blindedarm moet eruit.’ Dus liet hij zijn blindedarm verwijderen. 
Vervolgens ging hij naar een andere dokter die beweerde dat hij nog steeds dezelfde problemen had, dus hij kreeg een kalmeringskuur. Dit hielp niet en hij ging naar een ziekenhuis waar ze hem een dieet en corrigerende oefeningen voorschreven.

Een paar weken later moest hij naar een andere chirurg omdat die medicijnen helemaal niet hielpen. De chirurg zei: ‘Je amandelen moeten verwijderd worden…’ En dus werden zijn amandelen verwijderd.
En zo bleef hij van de ene dokter naar de andere gaan, van de ene chirurg naar de andere, en langzaam verdwenen er delen van zijn lichaam. Maar het probleem bleef!


Op een dag liep hij op de markt toen een van de artsen zag hem. Hij zei: ‘Blij je te zien – je ziet er beter uit! Je ziet er perfect uit!’ zei de arts. ‘Hoe is dat zo gekomen? Wie heeft je uiteindelijk geholpen? Want we hadden allemaal gefaald. Heeft mijn ingreep jou geholpen?’
‘Wat ingreep!’ zei de patiënt. ‘Zowel de pijn als het mank lopen verdwenen zodra ik die spijker uit mijn schoen haalde!’

Soms zijn de dingen erg klein, maar als je naar mensen met kennis gaat, kijken ze met een vergrootglas; ze maken alles groter. Ze zijn slim en efficiënt in het creëren van problemen, omdat ze de oplossingen kennen. Hun oplossingen zijn alleen nuttig als ze problemen creëren.
Ga naar een willekeurige expert en hij zal je onmiddellijk zoveel problemen vertellen waar jij je nooit bewust van was. Hij moet wel, want heel zijn expertise hangt af van het feit dat jij veel problemen hebt en hoe ingewikkelder ze zijn, hoe blijer hij is omdat hij nu de kans heeft om zijn kennis en kunde te laten zien.

Osho: The Dhammapada – The Way of the Buddha, Series 3, p.17-18.

Afbeelding: Wikimedia Commons

Uit de serie 1001 verhalen van Shanti.

Vorige verhalen

Gewoon spelers van een spel

 

Wees een licht voor jezelf

 


Maar één van de honderd

 

Een ossenkar die vliegt!

 


De kleren van Ghalib

 

Gewoon spelers van een spel

Muso, de nationale leraar en een van de meest illustere meesters van zijn tijd, verliet de hoofdstad in gezelschap van een discipel voor een verre provincie. Bij het bereiken van de Tenryu rivier moesten ze een uur wachten voordat ze aan boord van de veerboot konden gaan.
Net toen de veerboot de oever wilde verlaten, kwam er een dronken samoerai aanrennen die in de volgepakte boot sprong en deze bijna onder water zette. Hij wankelde wild toen het kleine vaartuig de rivier overstak.

De veerman vreesde voor de veiligheid van zijn passagiers en smeekte hem rustig te blijven staan.
‘We zitten hier als sardientjes opgepakt,’ zei de samoerai nors.
Toen, wijzend naar Muso: ‘Waarom gooien we de bonzae er niet uit?’
‘Heb geduld,’ zei Muso, ‘we zullen spoedig de overkant bereiken.’
‘Wat!’ brulde de samoerai, ‘ik geduld hebben? Hoor eens even, ik zweer dat ik je zal verzuipen als jij niet van dit ding springt.’

De kalmte van de meester maakte de samoerai zo woedend dat hij Muso met zijn ijzeren waaier op het hoofd sloeg zodat het ging bloeden. Muso’s discipel had er nu genoeg van en omdat hij een machtig man was, wilde hij de samoerai uitdagen. ‘Ik kan niet toestaan dat hij hierna nog leeft,’ zei hij. 
‘Waarom maak je je zo druk om een kleinigheid?’ zei Muso met een glimlach. ‘Juist in dit soort zaken bewijst de training van de bonzae zich. Geduld, moet je onthouden, is meer dan alleen een woord.’
Toen reciteerde hij spontaan een waka, een kort gedicht:

De winnaar, de verliezer
gewoon spelers van een spel
vluchtig als een droom.

Toen de boot de oever bereikte en Muso en zijn leerling van boord gingen, kwam de samoerai aangerend en knielde aan de voeten van de meester neer. Daar ter plekke werd hij een discipel.

Dit is waar het bij getuigen om gaat. Als je een getuige kunt worden in een situatie, sta je er plotseling buiten, maak je er geen deel meer van uit. Als je je getuige zijn verliest, word je er zelfs in een droom deel van.
Je gaat naar de film, je kijkt naar de film. Je bent daar gewoon een toeschouwer, maar vroeg of laat vergeet je dat je een toeschouwer bent – je wordt deel van het verhaal. Je lacht, je huilt, je weent, je wordt boos, je raakt geagiteerd – en er is niets op het scherm, alleen maar schaduwen die voorbijgaan, maar je bent het getuigen kwijt. Je bent nu bijna geïdentificeerd. Je maakt nu deel uit van het verhaal. Dan worden zelfs schaduwen die op het scherm voorbijgaan werkelijkheid.

Het omgekeerde gebeurt ook: als je langs de kant van de weg staat en gewoon toekijkt hoe mensen passeren, zul je plotseling zien dat echte personen vluchtig zijn geworden, schaduwen op het scherm.
Alles hangt van jou af. Als je geïdentificeerd bent, wordt iets onwerkelijks echt. Als je niet geïdentificeerd bent, wordt zelfs iets echts onwerkelijk. Voor iemand die te weten komt wat getuigen is, is dit hele leven niets anders dan een grote droom, een groot drama.

Osho: Nirvana, The Last Nightmare #3.

Afbeelding: https://www.deviantart.com/b-nine/art/drunken-samurai

Vorige verhalen

Wees een licht voor jezelf

 


Maar één van de honderd

 

Een ossenkar die vliegt!

 


De kleren van Ghalib

 

Keizer Akbar en Farid

Wees een licht voor jezelf

De laatste uitspraak van Gautama de Boeddha aan zijn discipelen was: ‘Wees een licht voor jezelf.’
Ze huilden en weenden, natuurlijk – de meester ging weg en ze hadden bijna veertig jaar met de meester geleefd; een paar oudere discipelen hadden al die tijd met hem geleefd. 
Deze veertig jaren waren van enorme vreugde, van geweldige ervaringen. Deze veertig jaren waren de mooiste tijd geweest die menselijkerwijs mogelijk was. Deze veertig jaren waren dagen van paradijs op aarde geweest. En nu ging de meester weg! Vanzelfsprekend begonnen ze te huilen en te wenen.

Boeddha opende zijn ogen en zei: ‘Hou op met huilen en wenen! Hebben jullie nog niet naar me geluisterd? Waarom huilen jullie?’
Zijn voornaamste leerling, Ananda, zei: ‘Omdat je weggaat, omdat ons licht weggaat. We zien, we voelen duisternis op ons neerdalen. Ik ben nog niet verlicht en jij gaat weg. Als ik niet verlicht kon worden toen jij nog leefde, wat voor hoop rest mij nu jij er niet meer bent? Ik ben in diepe wanhoop, mijn angst is niet te overzien, ik heb deze veertig jaar verspild. Ik heb je als een schaduw gevolgd, het was geweldig mooi om bij je te zijn, maar nu ga je weg. Wat gaat er met ons gebeuren?’

Boeddha zei: ‘Jullie huilen omdat jullie me nog niet gehoord hebben. Ik heb het jullie keer op keer gezegd: Geloof niet in mij – maar jullie hebben niet geluisterd. Omdat jullie in mij geloofd hebben, valt jullie hele bouwwerk, nu ik sterf, uit elkaar. 
Als je naar me geluisterd had, als je een licht in je wezen had geschapen in plaats van door mij een geleerde te willen worden, als je je eigen zelf ervaren had, dan was het niet nodig geweest om te huilen.
Kijk eens naar Manjushree!’ zei hij.
Manjushree was een andere discipel van Boeddha, een van de grootste. Hij zat vlakbij onder een boom, met zijn ogen dicht, zo sereen, zo stil, zo volkomen gelukzalig, dat Boeddha zei: ‘Kijk eens naar Manjushree! Ga hem maar eens vragen waarom hij niet huilt.’

Ze vroegen het aan Manjushree. Hij lachte en zei: ‘Wat is er voor reden om te huilen? Boeddha heeft me geholpen om mijn eigen licht te leren kennen. Ik ben dankbaar, erkentelijk, maar er daalt geen duisternis neer. En hoe kan Boeddha sterven? Ik weet dat ik niet kan sterven – hoe kan Boeddha sterven? Hij zal hier zijn.
Net zoals een rivier in de oceaan verdwijnt, zal hij in de kosmos verdwijnen. Maar hij zal hier zijn! Hij zal over de hele kosmos verspreid zijn. Het zal iets enorm moois worden. Boeddha was beperkt tot een klein lichaam; nu zal zijn geur vrijkomen, hij zal het hele bestaan doordringen. 
Ik ben enorm blij dat Boeddha nu over de hele ruimte verspreid zal zijn. Ik zal hem kunnen zien opkomen in de zon en ik zal hem kunnen zien vliegen in een vogel en ik zal hem kunnen zien in de golven van de oceaan … en ik zal hem overal kunnen zien. Hij verlaat gewoon zijn lichaam. Het was een opsluiting. 
En hoe weet ik dat? Ik weet het omdat ik mijn eigen ziel heb gekend. Ik heb naar hem geluisterd en jullie hebben niet naar hem geluisterd – daarom huilen jullie.’

Boeddha zei: ‘Laat me het nog een keer herhalen: Appa Dipo Bhava – wees een licht voor jezelf.’
Toen sloot hij zijn ogen en verdween in de kosmos. Maar zijn laatste uitspraak was ook zijn eerste uitspraak. In feite was dat zijn hele boodschap – zijn hele leven herhaalde hij dezelfde boodschap keer op keer…
Wanneer Boeddha zegt ‘volg mij’, bedoelt hij niet dat je hem moet imiteren. Als hij zegt ‘volg mij’, dan zegt hij niet dat je hem een voorbeeld voor je moet laten zijn, maak je leven volgens zijn leven – nee, helemaal niet. Hem ‘volgen’ heeft een totaal andere betekenis.

Er is een Zen-verhaal: 
Een zen mysticus vierde een bepaald festival dat alleen gevierd wordt op de verjaardag van je meester. Maar de mensen waren verbaasd. 
Ze vroegen hem: ‘Voor zover we weten heeft u nooit een meester gehad. We hebben zelfs geruchten gehoord dat u een grote meester, Bokuju, vele malen benaderd heeft, maar dat hij altijd weigerde om u als discipel te accepteren. Dat niet alleen, hij joeg u altijd zijn hut uit. 
We hebben ook gehoord dat hij u, vanwege uw voortdurende volharding, een paar keer heeft geslagen en dat hij u een keer fysiek uit het raam van zijn hut heeft gegooid. Hij heeft u nooit geaccepteerd, hij heeft u nooit ingewijd – waarom viert u deze dag? Dit moet alleen gevierd worden op de verjaardag van je meester.’

En de mysticus zei: ‘Toch was hij mijn meester. Zijn weigering, het feit dat hij me eruit gooide, zijn voortdurende afwijzing, was zijn inwijding. Hij zei: “Wees een licht voor jezelf – je hoeft me niet te volgen.” Door zijn voortdurende weigering ben ik verlicht geworden, zittend onder een boom. Er was niemand om je aan vast te klampen.
De enige mooie man die ik gekend heb was Bokuju. Als hij het had toegestaan, zou ik een schaduw voor hem zijn geworden. Als hij het had toegestaan, zou ik een andere Bokuju zijn geworden. Ik heb van de man gehouden, ik zou hem tot in detail geïmiteerd hebben. Ik zou dezelfde dingen gegeten hebben, ik zou op dezelfde manier hebben gelopen, ik zou dezelfde dingen gezegd hebben … Ik zou een kopie van hem zijn geweest.

Maar hij was geweldig, hij was mijn meester – hij weigerde. Hij wist waar de valkuil lag. Zodra hij in mijn ogen keek wist hij mijn toekomst, dat ik nooit een authentiek individu zou zijn als hij mij toestond om een pseudo-fenomeen te worden. Dit wetende was hij erg hard voor mij. 
Maar nu weet ik dat zijn hardheid voortkwam uit zijn compassie. Dankzij hem ben ik verlicht geworden. Daarom vier ik deze dag – het is de verjaardag van mijn meester.’

Iemand vroeg hem: ‘Maar uw levensstijl vertoont niets wat op Bokuju lijkt. Uw uitspraken zijn totaal anders – niet alleen anders maar soms zelfs tegenstrijdig aan zijn uitspraken. Hoe kunt u zeggen dat hij uw meester was en dat u zijn volgeling bent?’
En de mysticus zei: ‘Ja, ik zeg dat hij mijn meester was, hoewel hij me nooit formeel heeft ingewijd. Maar formele inwijding is onbelangrijk, irrelevant. En ik zeg nog steeds dat ik zijn volgeling ben, hoewel ik het met geen enkel document kan bewijzen – maar het is niet nodig om het aan iemand te bewijzen. Ik weet het, dat is alles. Ik ben zijn volgeling!’

De mensen drongen aan: ‘Hoe kunt u dat nou zeggen?’
En de mysticus zei: ‘Hij volgde nooit zijn meester; ik volg hem nooit. Dat was zijn basiskenmerk: hij volgde nooit zijn meester. En ik volg hem nooit – dat is hoe ik hem volg. Ik ben een volgeling en hij was mijn meester.’

Geheimen van onschatbare waarde! Ja, dit zijn geheimen van onschatbare waarde. 
Het leven van een echte zoekende is geen gewoon leven. Het kan niet beperkt worden tot een bepaald patroon, Het kan niet beperkt worden tot een bepaalde levensstijl – christelijk, hindoeïstisch, mohammedaans. Het leven van een echte zoekende is het leven van vrijheid.

En wanneer Boeddha zegt volg hem, volg de weg … bedoelt hij niet dat je een kopie moet worden, hij bedoelt gewoon: probeer zijn leven te begrijpen. Kijk, analyseer, mediteer, en laat dan je meditatie, je waakzaamheid, je getuige zijn, de weg worden.

En de wijze man volgen is eigenlijk niet de wijze man zelf volgen, maar de weg – de weg die hem wijs heeft gemaakt. 
Wat is die weg die iemand wijs maakt?
Twee dingen … ten eerste het negatieve: laat kennis vallen. 
En ten tweede het positieve: ga in meditatie.

Osho, The Dhammapada – The Way of the Buddha, Series 3, p.13-16.

Afbeelding: Wikimedia Commons/ Nehan, Death of the Buddha – 1921.161 – Art Institute of Chicago.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti. 

Vorige verhalen


Maar één van de honderd

 

Een ossenkar die vliegt!

 


De kleren van Ghalib

 

Keizer Akbar en Farid

 


Mahavira en Bimbisara

Maar één van de honderd

Honderden gaan, maar zelden bereikt een enkeling het.

Ik moet denken aan een oud Tibetaans verhaal. Er waren twee kloosters: het ene klooster lag in Lhasa, in de hoofdstad van Tibet, en een van de dependances lag diep in de bergen. De lama die de leiding had over dat klooster werd oud, en hij wilde dat er iemand uit het hoofdklooster werd gestuurd om zijn opvolger te zijn. Hij stuurde een boodschap.

Een lama ging erheen – het was een paar weken lopen. Hij zei tegen het hoofd van het klooster: ‘Onze meester is erg ziek, oud, en het is heel goed mogelijk dat hij niet lang meer te leven heeft. Vóór zijn dood wil hij dat u een andere monnik stuurt, goed opgeleid, om de leiding van het klooster over te nemen.’
Het hoofd zei: ‘Morgenochtend neem je ze allemaal mee.’
De jongeman zei: ‘Ze allemaal meenemen? Ik ben gekomen om er maar één mee te nemen. Wat bedoelt u, neem ze allemaal mee?’
Hij zei: ‘Je begrijpt het niet. Ik zal honderd monniken sturen.’
‘Maar,’ zei de jongeman, ‘dat is te veel. Wat moeten we daarmee? Wij zijn arm en in die streken is het klooster arm. Honderd monniken zullen een last voor ons zijn, en ik ben hier gekomen om maar om één te vragen.’
Het hoofd zei: ‘Maak je niet druk, één zal het maar bereiken. Ik zal er honderd sturen, maar negenennegentig zullen onderweg verloren gaan. Je mag al van geluk spreken als er één aankomt.’

Hij zei: ‘Vreemd…’
De volgende dag ging een lange processie op weg, honderd monniken, en ze moesten door heel het land trekken. Iedereen had ergens wel zijn huis onderweg en de mensen begonnen zich te verspreiden… ‘Ik kom wel. Gewoon een paar dagen bij mijn ouders … Ik ben er al jaren niet meer geweest.’
Binnen een week waren er nog maar tien mensen.
De jongeman zei: ‘Het oude hoofd had misschien wel gelijk. Laten we eens zien wat er met deze tien mensen gebeurt.’

Net toen ze een stad binnentrokken, kwamen er een paar monniken vertellen dat hun hoofd gestorven was: ‘Dan zal het wel heel vriendelijk van jullie zijn – jullie zijn met zijn tienen, jullie kunnen het je veroorloven om ons een lama als hoofd te geven – en wij zijn bereid om alles te doen wat jullie maar willen.’ 
Nu was iedereen bereid om het hoofd te worden. Uiteindelijk kozen ze één persoon en die werd achtergelaten.
In een andere stad kwamen de mannen van de koning vertellen: ‘Wacht, we hebben drie monniken nodig want de dochter van de koning gaat trouwen, en we hebben drie priesters nodig. Dat is onze traditie. Dus of jullie gaan vrijwillig mee, of we nemen jullie onvrijwillig mee.’
Drie mannen verdwenen; er bleven er maar zes over. En zo bleven ze verdwijnen. Uiteindelijk waren er nog maar twee personen over.

En toen ze dichter bij het klooster kwamen… het was avond en een jonge vrouw kwam hen op de weg tegemoet. Ze zei: ‘Jullie zijn zulke medelevende mensen. Ik woon hier in de bergen – daar is mijn huis. Mijn vader is een jager, mijn moeder is overleden. Mijn vader is weg, en hij had beloofd vandaag weer terug te zijn, maar hij is niet teruggekomen. En ik ben heel erg bang om ‘s nachts alleen te blijven … één monnik maar, voor één nachtje maar.’
Allebei wilden ze blijven! De jonge vrouw was zo mooi dat het een grote strijd werd. De jonge man die als boodschapper was gekomen had die honderd mensen zien verdwijnen, en nu tenslotte …
Uiteindelijk zeiden ze tegen de vrouw: ‘Je kunt een van de twee kiezen, want anders wordt er onnodig gevochten. En wij boeddhistische monniken horen niet te vechten.’
Ze koos de jongste, de mooiste monnik, en verdween haar huis in. De andere monnik zei tegen de jongeman: ‘Ga nu maar mee. Die komt niet meer terug; vergeet hem maar.’

De jongeman zei: ‘Maar nu sterk blijven – het klooster is heel dichtbij.’
En vlak voor het klooster, in het laatste dorp, daagde een atheïst de monnik uit: ‘Er is geen ziel, geen God. Dat is allemaal fictie, dat is alleen maar om mensen uit te buiten. Ik daag je uit voor een publiek debat.’
De jongeman zei: ‘Ga dit publieke debat nou niet aan, want ik weet niet hoe lang het gaat duren. En mijn hoofd zit vast te wachten – misschien is hij al overleden.’
De monnik zei. ‘Dit wordt een nederlaag, een nederlaag voor het boeddhisme. Ik kan ik deze plaats niet verlaten tenzij ik deze man versla. Het publieke debat zal plaatsvinden, laat het hele dorp het dus maar weten.’
De jongeman zei: ‘Dit gaat te ver! Want je meester heeft gezegd dat tenminste één het zou bereiken, maar het ziet er naar uit dat ik het alleen zal bereiken.’
Hij zei: ‘Ga maar weg. Ik ben een logicus en ik kan zo’n uitdaging niet verdragen. Het zal maanden duren. We gaan alles tot in detail bediscussiëren, want dat weet ik wel, ik heb over deze man gehoord. Hij is ook een hele intellectuele, filosofische man. Ga jij maar, en ik kom wel als ik het debat win. Als ik verslagen word, dan zal ik zijn volgeling moeten worden; wacht dan maar niet op mij.’

Hij zei: ‘Dit gaat te ver.’
Hij kwam bij het klooster aan. De oude man zat te wachten en zei: ‘Je bent er weer? Hoeveel zijn er op weg gegaan?’
Hij zei: ‘Honderd en één, mezelf inbegrepen.’
De oude man zei: ‘Dat is helemaal goed. Jij bent tenminste teruggekomen. Jij bent mijn opvolger; niemand van die honderd zal nu komen.’
En de meester wist het wel, dat er maar één het zou bereiken.

Het is een oud gezegde in Tibet dat honderden gaan maar dat zelden een enkeling het bereikt – ook dat, zelden.

Osho: The Osho Upanishad, p. 671-674.

Afbeelding van Rishabh Dharmani op Unsplash.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti. 

Vorige verhalen

Een ossenkar die vliegt!

 


De kleren van Ghalib

 

Keizer Akbar en Farid

 


Mahavira en Bimbisara

 

Nagarjuna en de dief

 

Een ossenkar die vliegt!

Je hebt vleugels, maar dat ben je vergeten.

Een klein vliegtuigje werd achtergelaten in de jungle van Birma toen Japan werd verslagen; de Japanners lieten het daar achter. De aboriginals die in het bos leefden vonden het. Ze waren echt heel nieuwsgierig, opgewonden – wat is het?

Maar toen ze de wielen zagen … ze bedachten dat het een soort ossenkar was, maar een stel idioten moeten dat gemaakt hebben, want dit is niet hoe je een ossenkar maakt. Ze begonnen dat vliegtuig, dat kleine vliegtuig, te gebruiken als een ossenkar. 
Toevallig zag een man, een jager, ze. Hij kon zijn ogen niet geloven – een vliegtuig dat gebruikt werd als een ossenkar!
Hij vroeg hen: ‘Hebben jullie dat gemaakt?’
Ze zeiden: ‘Nee, zo idioot zijn wij niet, waarom zouden we dat maken? We hebben het gevonden. Maar we genieten er wel van.’
De jager kwam uit een nabijgelegen dorp waar hij bussen en auto’s had gezien. Hij zei: ‘Het lijkt wel een soort auto. Het is geen ossenkar. Wacht maar; ik neem een van mijn vrienden mee die iets van bussen weet.’
Hij werkte voor een busdienst. Dus haalden ze wat benzine, en het werkte als een kleine bus.

En de mensen vonden het hilarisch. Ze zeiden: ‘Dus we hadden het mis, het is geen ossenkar, het is een bus. Geweldig idee!’ Ze genoten ervan.
Maar toen zei de monteur die was gekomen: ‘Ik weet niet veel van vliegtuigen, maar voor zover ik het kan bekijken is het geen bus. Ik heb vliegtuigen alleen in de lucht gezien. Mijn dorp is klein. Er komen bussen naar mijn dorp en ik heb aan bussen gewerkt, dus ik kan helpen met dit vliegtuig – maar dit is een vliegtuig omdat je de vleugels kunt zien. Ik ken iemand in de stad -ik zal hem wel gaan zoeken en hierheen brengen- die verstand heeft van vliegtuigen.’

En de man die uit de stad kwam zei: ‘Wat is dit voor onzin? Jullie gebruiken een prachtig vliegtuig als bus, en dat ook nog eens in de jungle waar er geen weg is, niets. Jullie slepen het gewoon door modderige wegen voort. Het kan vliegen.’
De aboriginals zeiden: ‘Kan het vliegen? Is het een vogel?’
Hij zei: ‘Het is een vogel – hebben jullie geen stalen vogels zien vliegen?’
Ze zeiden: ‘Die hebben we wel gezien, maar we hebben ze nog nooit op grond zien staan.’
Het lukte de man … hij nam een paar aboriginals mee en het vliegtuig functioneerde zoals het hoorde te functioneren – het begon te vliegen. En het hele dorp stond te dansen, ze sloegen op hun trommels, en zongen: ‘Dit is geweldig! Een ossenkar die vliegt!’

De mens is niet slechts een alledaags fysiek, materieel fenomeen. 
Hij is niet slechts een ossenkar, maar dat is wel hoe we hem gebruiken. 
We gebruiken onszelf allemaal als ossenkarren. 
We kunnen bussen zijn… maar we zijn ook geen bussen. 
We zijn vliegtuigen. Ik kan je helpen vliegen.

De mens kan op vele niveaus bestaan. Er zijn niveaus en niveaus daarboven.
Mystiek betekent simpelweg… je gebruikt je potentieel niet in zijn totaliteit.
Je gebruikt het slechts gedeeltelijk, een heel klein deel, een fragment. 

En als je je potentieel niet in zijn totaliteit gebruikt, zul je je nooit vervuld voelen.
Dat is de ellende, dat is de oorzaak van angst.

Jullie zijn geboren om mystici te zijn. Tenzij je een mysticus bent, tenzij je het bestaan hebt leren kennen als een mysterie – voorbij woorden, voorbij rede, voorbij logica, voorbij verstand – ben je de uitdaging van het leven niet aangegaan, ben je een lafaard geweest. 

Je hebt vleugels, maar dat ben je vergeten.

Osho: The Osho Upanishad, p. 626-628.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti. 

Vorige verhalen


De kleren van Ghalib

 

Keizer Akbar en Farid

 


Mahavira en Bimbisara

 

Nagarjuna en de dief

 


Overgave

 

De kleren van Ghalib

Niet jij, maar je jas wordt herkend door anderen; dus ga je door met het borduren van je jas, met jezelf aan te kleden.

Op een goede dag werd een groot Urdu dichter, Ghalib, door de keizer uitgenodigd voor een diner. Veel andere mensen waren uitgenodigd, bijna vijfhonderd. Ghalib was een arme man, het is heel moeilijk voor een dichter om rijk te zijn – rijk in de ogen van anderen.
Vrienden deden een voorstel: ‘Ghalib, je kunt kleren lenen, schoenen, een goede paraplu… want je paraplu is zo verrot, je jas is versleten, bijna weg, en met deze kleren en deze schoenen die zoveel gaten hebben, ziet het er niet goed uit!’
Maar Ghalib zei: ‘Als ik iets leen, zal ik me van binnen heel ongemakkelijk voelen, want ik heb nog nooit van iemand geleend. Ik heb op mijn eigen benen geleefd, ik heb op mijn eigen manier geleefd. Het is niet goed om met een levenslange gewoonte te breken alleen voor een etentje.’

   Vers van Mirza Ghalib

Dus ging hij in zijn eigen kleren naar het hof van de keizer. 
Toen hij zijn uitnodiging aan de wachter liet zien, keek de man hem aan, lachte en zei: ‘Waar heb je dit gestolen? Maak onmiddellijk dat je wegkomt, anders grijpen we je!’
Ghalib kon het niet geloven. Hij zei: ‘Ik ben uitgenodigd – ga maar aan de keizer vragen!’
De wachter zei: ‘Iedere bedelaar denkt dat hij uitgenodigd is. En je bent niet de eerste, vele anderen hebben al eens eerder aan de deur geklopt. Maak dat je wegkomt! Blijf hier niet staan, want zo meteen komen de gasten eraan.’

Dus ging Ghalib terug. Zijn vrienden wisten dat dit zou gaan gebeuren, dus hadden ze een jas, wat schoenen en een paraplu voor hem geregeld – een paar geleende spullen. Toen trok hij die geleende spullen aan en ging terug.
De bewaker maakte een buiging en zei: ‘Kom binnen.’

Ghalib was een heel bekende dichter en de keizer hield van zijn poëzie, dus mocht hij naast de keizer zitten. 
Toen het feest begon deed Ghalib iets heel vreemds, en de keizer vond dat wel een beetje raar – hij begon zijn jas te voeren en zei: ‘Jas van me, eet op! Want eigenlijk ben jij binnengekomen, niet ik.’
De keizer zei: ‘Wat doe je nou, Ghalib? Ben je gek geworden?’
Ghalib zei: ‘Nee – eerst kwam ik, maar toen werd de toegang me geweigerd. Toen kwam deze jas – ik ben er gewoon bij omdat de jas niet alleen kon komen – anders had ik niet kunnen komen!’

We bestaan in de ogen van anderen: onze identiteit bestaat uit de mening van anderen; de ogen van anderen zijn de spiegels, we bekijken ons gezicht in de ogen van anderen. Dat is het probleem – omdat anderen je innerlijke wezen niet kunnen zien. Je innerlijke mens kan in geen enkele spiegel weerspiegeld worden. Alleen je uiterlijk kan gereflecteerd worden: reflecties zijn alleen van het uiterlijk, van het fysieke. Zelfs als je voor een spiegel staat, de beste spiegel, zal alleen het fysieke deel van jou weerspiegeld worden. Geen enkel oog kan je innerlijke deel weerspiegelen.

Dus de ogen van anderen weerspiegelen je rijkdom, je prestaties in de wereld, je kleren; ze kunnen jou niet weerspiegelen. En wanneer je ziet dat anderen denken dat je arm bent – dat betekent dat je geen goede kleren, geen goed huis, geen goede auto hebt – begin je naar deze dingen toe te gaan. 
Je verzamelt dingen alleen maar om te zien dat je rijk bent in de ogen van anderen. Dan beginnen de ogen van anderen te weerspiegelen dat je steeds rijker wordt, dat je macht en aanzien krijgt. Je identiteit bestaat uit je weerspiegeling; maar anderen kunnen alleen dingen weerspiegelen, ze kunnen jou niet weerspiegelen. 

Daarom is meditatie heel erg noodzakelijk. Meditatie betekent je ogen sluiten; niet naar het spiegelbeeld kijken, maar naar je eigen wezen kijken. Anders ben je de hele dag met anderen bezig. Ook ‘s nachts, als je slaapt, ben je ofwel bewusteloos als je diep slaapt, of je bent weer met anderen bezig in je dromen. 
Voortdurend leven met de ander is het probleem: je wordt geboren in een samenleving, je leeft in een samenleving, je sterft in een samenleving – je hele bestaan bestaat uit het sociale. En samenleving betekent ogen overal om je heen.
Wat die ogen ook weerspiegelen, ze maken indruk op je. 

Als iedereen zegt dat je een goed mens bent, begin je je goed te voelen. 
Als iedereen je een slecht mens vindt, begin je je slecht te voelen. 
Als iedereen zegt dat je ziek bent, begin je je ziek te voelen. 
Je identiteit hangt af van anderen, het is een hypnose door anderen. 
Stap over naar eenzaamheid – leef met de anderen, maar put jezelf niet uit met de anderen.

Sluit tenminste één uur per dag je ogen – je ogen sluiten betekent dat je afgesloten bent van de maatschappij, er bestaat geen maatschappij, alleen jij – zodat je jezelf direct onder ogen kunt zien.
Trek eens per jaar een paar dagen de heuvels in, de woestijn, waar niemand is, alleen jij, en zie jezelf zoals je bent…
Niet jij, maar je jas wordt herkend door anderen; dus ga je door met het borduren van je jas, met jezelf aan te kleden.

Meditatie is nodig om je een pauze te geven van de anderen, de ogen van anderen, de spiegel van anderen. Vergeet ze! Kijk een paar minuten naar binnen – dan zul je de innerlijke pijn en het lijden voelen, dat je daar leeg bent. Dan begint een transformatie: dan begin je te zoeken naar de innerlijke rijkdom, de schatkist die in je bestaat – niet naar de schatten die overal verspreid liggen.

Osho: The Mustard Seed – The Revolutionary Teachings of Jesus. Commentaries on the Gnostic Gospel of Thomas, p. 115-117.

Afbeelding: Wikimedia Commons/ Painting by A R Chughtai, 1927.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti. 

Vorige verhalen

Keizer Akbar en Farid

 


Mahavira en Bimbisara

 

Nagarjuna en de dief

 


Overgave

 

De polowedstrijd

 

Keizer Akbar en Farid

Een verlangende mind is de mind van een bedelaar.

Er woonde eens een Mohammedaans mysticus, Farid, in een klein dorpje in de buurt van Delhi. Keizer Akbar was een van Farid’s volgelingen. Akbar kwam vaak bij hem en Farid was een arme fakir. Op een dag, toen de stad te weten kwam dat Akbar naar Farid ging, kwamen de dorpelingen bijeen en zeiden tegen Farid: ‘Akbar komt naar jou toe, vraag dan eens iets voor ons. We hebben echt een school nodig, een ziekenhuis. En alleen al als jij het vraagt zal de wens worden vervuld, want de keizer komt uit zichzelf naar jou toe.’


Abu’l-Fath Jalal ud-din Muhammad Akbar, 15 oktober 1542-1605.

Het dorp was arm, analfabeet en er was geen ziekenhuis, dus Farid zei: ‘Goed, maar ik ben niet zo bedreven om ergens naar te vragen omdat ik het al zo lang niet meer heb gedaan. Maar als jullie dat willen, dan ga ik wel.’
Dus ging hij naar het paleis. In de ochtend kwam hij bij het paleis aan. Iedereen wist dat Akbar zijn volgeling was, dus hij mocht meteen naar binnen. 
Akbar was in zijn heiligdom. Hij had een klein heiligdom gemaakt waar hij altijd ging bidden – en hij was net aan het bidden, hij was in gebed, dus ging Farid vlak achter hem staan. Als het gebed klaar was, zou hij het vragen.
Akbar was zich er niet van bewust dat Farid achter hem stond. Hij zei het gebed op en aan het einde zei hij: ‘Almachtige God, maak mijn rijk nog groter, geef me meer rijkdom.’

Farid hoorde dat en draaide zich om. Akbar was klaar met zijn gebed, en keek achterom – Farid liep de trap af. 
Hij riep: ‘Hoe ben je gekomen? En waarom ga je weg?’
Farid zei: ‘Ik was gekomen om een keizer te ontmoeten, maar ik vind hier ook een bedelaar. Het heeft dus geen zin! En als u het aan God vraagt, waarom zou ik het dan niet rechtstreeks aan hem vragen? Waarom aan een tussenpersoon? En Akbar, ik dacht dat u een keizer was, maar ik heb me vergist.’
Akbar heeft het verhaal verteld in zijn autobiografie, en hij zegt: ‘Op dat moment begreep ik: het maakt niet uit wat je ook krijgt, want de mind blijft om meer en meer vragen.’

Je bent arm, een bedelaar, omdat je altijd verlangt, altijd vraagt om meer te krijgen. Verlangen is bedelen en een verlangende mind is de mind van een bedelaar. 
Je kunt een keizer zijn, dat maakt niets uit – je wordt gewoon een grote bedelaar, dat is alles, een geweldige bedelaar, dat is alles. Maar je blijft vorderen.

Osho: The Mustard Seed – The Revolutionary Teachings of Jesus. Commentaries on the Gnostic Gospel of Thomas, p. 61.

‘Wat een grap! Wat een spel!
Keizers blijven bedelen
en in de oceaan hebben vissen dorst!’

Osho: A Cup of Tea, p.101.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti. 

Vorige verhalen


Mahavira en Bimbisara

 

Nagarjuna en de dief

 


Overgave

 

De polowedstrijd