Een eeuwenoude boeddhistische parabel – deze komt uit de Lotus Soetra.
De zoon van een edelman is als kind verdwaald en wordt een dakloze zwerver. In de loop van de tijd vergeet hij dat hij ooit een thuis had, maar op een dag komt hij, zonder erbij na te denken, bij de poort van het huis van zijn heer. Hij heeft niet het flauwste benul dat hij daar geboren is, maar staat aan de poort te smeken om medelijden voor zijn ellende.
De edelman ziet hem van binnenuit en herkent zelfs na al die jaren zijn lang verloren zoon, maar als hij hem roept om binnen te komen wordt de ellendige bedelaar bang en wil hij dat niet.
De bedelaar probeerde zelfs weg te vluchten. En de edelman, zijn vader, was heel bang dat hij weer verloren zou raken.
‘Hoe moet ik hem overhalen om binnen te komen? Hoe moet ik hem overhalen dat dit jouw huis is, dat je niet bang hoeft te zijn – dat ik je vader ben?’
Hij was vast heel erg wijs.
Hij stuurt een bediende om de bedelaar over te halen door te zeggen: ‘We hebben een bediende in het huis nodig. Zou jij dat baantje willen hebben?’
De bedelaar heeft daar wel oren naar.
Hij krijgt wat kleine klusjes, hij wordt weer opgenomen als de nederigste bediende in het huishouden en wordt dan, beetje bij beetje, gepromoveerd totdat hij uiteindelijk weer zijn naam aanneemt als het huis met al zijn rijkdom en schatten helemaal van hem worden.
Dat is de hele functie van een meester – om een dorst te creëren, een grote drang, een verlangen om de waarheid te leren kennen, en om je, beetje bij beetje, te helpen om te begrijpen dat de waarheid niet ergens ver van je vandaan is, ze woont in jou.
Maar je zult er niet aan toe zijn om het zo direct te horen. Je zult net zo bang zijn als die bedelaar. Als de meester van het huis meteen tegen hem gezegd had: ‘Jij bent mijn zoon,’ dan zou hij zijn weggevlucht. Dan zou hij gedacht hebben: ‘Daar zit ergens een valkuil.’ Hoe kan hij nou de zoon van deze rijke man zijn? Hij is een bedelaar.
De meester was echt heel erg wijs. Hij haalt hem langzaam, langzaam over. Op weg naar een boeddha worden moet je heel erg langzaam overgehaald worden.
De meester initieert je, je wordt een sannyasin, een bhikkhu, dit en dat. Dan begin je geleidelijk aan mini-satori’s te krijgen, dan grotere satori’s, dan samadhi’s. Je wordt steeds weer gepromoveerd. Op een dag weet je ineens dat dit allemaal gewoon een trucje was. Wat je eindelijk geworden bent, ben je altijd al geweest.
Maar de meester moet heel overtuigend, verleidelijk zijn. De meester geeft je niets. Er valt niets te geven. Hij geeft je simpelweg iets wat je al hebt. In plaats van te zeggen dat de meester jou iets geeft, neemt hij in feite veel van je af. Hij neemt die dingen weg die je niet hebt maar die je denkt te hebben. En hij geeft je die dingen die je hebt maar die je denkt niet te hebben.
De hele functie van de meester is om je thuis te brengen – waar je in de eerste plaats nooit van weggeweest bent.
Osho, Zen: The Path of Paradox, Volume 3, Chapter 5.
Afbeelding:
https://www.wordonfire.org/wof-site/media/bhthe-lesson-of-the-prodigal-son.jpg
Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti.
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com.
Vorige verhalen

Zeg ‘nee’!

Stilte is de sleutel

Maulungputra komt bij Boeddha

Het advies van een vader aan zijn zoon

Een engel uit München