1001 verhalen

Niet nog meer stenen boeddha’s hier!

Verharden tot een Boeddha is verkeerd:
des te meer denk ik er zo over
als ik naar een stenen Boeddha kijk.  

Ikkyū (一休宗純 Ikkyū Sōjun, 1394-1481).

Ik heb eens gehoord over Ikkyu, een jonge monnik kwam hem opzoeken en de meester vroeg: ‘Wat verlang je van mij?’
De jonge monnik zei: ‘Ik kom op zoek naar verlichting.’
Ikkyu vroeg hem: ‘Waar ben je eerder geweest? Ben je bij iemand anders geweest?’
Hij zei: ‘Ja, ik ben bij een bepaalde meester geweest.’
‘En wat heb je daar geleerd?’
De monnik zei: ‘Ik zal het u laten zien – ik heb yogahoudingen geleerd.’

En hij ging in een siddhasana zitten – in een boeddhahouding – met de ogen gesloten, onbeweeglijk.
Ikkyu moest lachen, gaf hem een harde klap op zijn hoofd en zei: ‘Jij dwaas! We hebben niet nog meer Boeddha’s nodig – we hebben al een heleboel stenen Boeddha’s op deze plek. Ga hier weg. Niet nog meer stenen boeddha’s hier!’
En het was waar, want hij was de bewoner van een tempel waar tienduizend stenen boeddha’s waren.
Hij zei: ‘We hebben er genoeg van om voor die tienduizend te zorgen. Nu willen we er niet nog meer. Ga weg!’

Maar dat is wat mensen leren in de naam van religie – ze worden stenen Boeddha’s. 
Voor mij is het belangrijk dat je zacht, open, vrouwelijk, als een bloem, vloeiend bent. Hoe vloeiender je bent, hoe gevoeliger je bent, hoe levendiger je bent, hoe meer je hier nu kunt zijn. En hier nu zijn is werkelijk een Boeddha zijn.
Boeddhaschap is niet een soort verharding. Dus waar je iemand hard vindt, waar je een mahatma ook maar helemaal hard vindt, weet dan dat dit de verkeerde plek is om te zijn. Zoek naar zachtheid, naar liefde, naar mededogen – want uit een hard persoon kan alleen geweld voortkomen.
En soms komt het voor: iemand gelooft misschien in geweldloosheid, maar uit een hard persoon komt alleen geweld voort, geweldloosheid is dan niet mogelijk. 

Wat ik van Jain monniken begrijp – en ik heb er veel gezien – is dat ze geweldloosheid prediken, maar dat zij diep in het geweld leven. En natuurlijk doden ze anderen niet, maar ze doden zichzelf – dat komt op hetzelfde neer. 
Ze zijn niet agressief ten opzichte van anderen; ze hebben hun agressie op zichzelf gericht; ze zijn hun eigen vijanden geworden. Ze martelen zichzelf en genieten van die marteling. Het zijn masochisten. Ze hebben psychiatrische behandeling nodig. 


Een echte man van verlichting is niet hard, hij is niet bevroren. Hij is gesmolten. Het ijs is opgegaan in water. En uiteindelijk gaat het water over in damp. Het eerste stadium van boeddhaschap is het smelten van het ijs als water, en het tweede stadium is zelfs van water tot damp verdwijnen. 
Dan wordt je deel van de hemel. Dan ben je thuisgekomen.

Osho: Take it easy, Talks on Zen Buddhism, Vol. 1 # 13.

 Afbeelding: Sense_All_is_Void van Pixabay.

Uit de serie 1001 verhalen van Shanti.

Vorige verhalen


De schoonheid van een zentuin

 

Altijd aan het concurreren!

 

De meester in zijn pluizige ondergoed

 

De vis in de gouden kom

 

Boeddha’s grootste geschenk

 

De schoonheid van een zentuin

Het gebeurde eens: een grote keizer was in de leer bij een zenmeester over zen-tuinieren. Drie jaar lang was hij aan het leren en hij maakte een prachtige tuin; hij had duizenden tuinmannen aan het werk. Hij leerde van de meester en paste alles toe wat hij leerde. Na drie jaar kwam de meester – dat was het examen. De keizer huiverde, want in deze drie jaar had hij de man al leren kennen, hij was onverbiddelijk. 
En je kon hem niet om de tuin leiden. Alles was uitgeprobeerd, alles wat hij gezegd had was uitgevoerd, maar toch was de keizer bang – omdat hij het geheim nog niet ontdekt had. Hij was nog steeds rationeel, hij was dingen aan het systematiseren, hoewel hij een zeer asymmetrische tuin had gemaakt – maar in de asymmetrie zelf zat een logica, er ging symmetrie achter schuil.

De meester kwam. Hij keek rond en glimlachte geen seconde. Urenlang liep hij maar rond en rond. Hij bekeek de hele tuin en de keizer liep te zweten, hij had gefaald. De meester had geen woord uitgebracht. En toen zei hij eindelijk: ‘Ik zie geen enkel dood blad in de tuin. Waar zijn alle dode bladeren? Hoe kan zo’n grote tuin zonder dode bladeren zijn?!’
En de keizer zei: ‘Ik heb tegen mijn dienaren gezegd dat ze alle dode bladeren moesten weghalen omdat u eraan kwam.’
Hij zei: ‘Zeg tegen ze dat ze alle dode bladeren terug moeten brengen!’

Ze gingen de tuin uit, ze brachten alle dode bladeren terug, en de meester strooide de dode bladeren in de tuin. En de wind begon met de dode bladeren te spelen en nam ze overal mee naartoe. 
En hij moest lachen en zei: ‘Nu is het goed – nu is het natuurlijk. Maar u hebt gefaald. Over drie jaar kom ik weer.’

Osho: Take it Easy, Talks on Zen Buddhism, Vol. 1 # 4.

Uit de serie 1001 verhalen van Shanti.

Vorige verhalen

Altijd aan het concurreren!

 

De meester in zijn pluizige ondergoed

 

De vis in de gouden kom

 

Boeddha’s grootste geschenk

 

Naar binnen kijken

 

Altijd aan het concurreren!

Je bent altijd aan het concurreren. Iemand anders is je voor. Je wilt hem graag op een achterstand zetten; je wilt hem graag inhalen. Je rent hard. Je doet alles wat je kan – rechtvaardig/onrechtvaardig, goed/fout. Je vergeet alles; je wilt hem gewoon onderuit halen, bewijzen dat hij gefaald heeft. 
Maar op deze manier ga je je diepste werkelijkheid niet bereiken. Op deze manier verkrijg je een beetje meer versiering van het ego. Je hebt er één overwonnen, je hebt er duizenden overwonnen, je hebt er miljoenen overwonnen – en je blijft maar bewegen en bewegen. Er zal zich steeds meer ego ophopen. Je zult meer overbelast raken. Je zult meer en meer de weg kwijt zijn, je zult verdwaald zijn in een bos.


Concurrentie is een van de meest on-religieuze zaken ter wereld, maar dat is wat iedereen doet. De een heeft een groot huis. Je begint onmiddellijk naar een groter huis te verlangen. Een ander heeft een mooie auto. Onmiddellijk verlang je naar een andere, een grotere. Weer iemand heeft een mooie vrouw, een mooi gezicht of een mooie stem. Onmiddellijk komt het verlangen op.
Het verlangen komt op met het idee dat je moet wedijveren met anderen en dat je iets moet bewijzen tegenover anderen, dat je moet strijden, dat je iets moet bereiken. 

Je weet niet wat het is, maar je blijft je voortbewegen in een donker dal, met het idee dat er ergens een doel moet zijn. Je kunt levens aaneen mee doorgaan. Dat is wat je tot nu toe hebt gedaan. Je zult nooit ergens belanden. Je zult altijd blijven rennen en nooit iets bereiken omdat het doel binnen in je is. Maar om dat te zien, moet je alle concurrentie en ambitie laten vallen.
En onthoud dat het heel gemakkelijk is om je competitiedrang te veranderen in een nieuwe competitiedrang, om het oude te laten vallen en weer iets nieuws te hebben op dezelfde manier, dezelfde ambitie. 
Je bent ambitieus in de wereld. Dan laat je dat varen. Dan word je ambitieus in de naam van religie, spiritualiteit; dan concurreer je weer. Dan komt weer hetzelfde ego naar binnen. 

Ik heb eens een anekdote gehoord. Luister er heel aandachtig naar.
Twee broers kwamen tegelijkertijd te overlijden en kwamen samen bij de hemelpoort aan, waar ze werden ondervraagd door Petrus. Hij zei tegen de eerste broer: ‘Ben je braaf geweest tijdens je leven op aarde?
En hij antwoordde: ‘O ja, Uwe Heiligheid, ik ben eerlijk, nuchter en ijverig geweest, en ik heb nooit gerotzooid met vrouwen.’
‘Brave jongen,’ zei Sint Pieter, en gaf hem een prachtige glanzende witte Rolls-Royce. ‘Daar is je beloning omdat je een brave jongen bent geweest.’
Toen zei hij tegen de andere broer: ‘En hoe zit het met jou?’
Hij slaakte een zucht: ‘Nou, ik ben altijd heel anders geweest dan mijn broer. Ik ben misdadig geweest, dronken, lui – en een duivel voor vrouwen.’
‘Ach,’ zei Petrus, ‘jongens zullen jongens zijn, en je hebt het tenminste toegegeven. Dan mag je dit hebben.’ 
En hij gaf hem de sleutels van een Mini-Minor.

De twee broers wilden net in hun autos gaan stappen toen de stoute begon te bulderen van de lach. 
De ander zei: ”Wat is er zo grappig dan?’
Hij zei: ‘Ik heb net de dominee op een fiets zien rijden!’

Heel je plezier is altijd alleen maar een kwestie van vergelijken. Vergelijking geeft je een gevoel van waar je bent – achter de man die een Rolls-Royce heeft maar voor de man die een fiets heeft. Het geeft je exact de plaats aan waar je bent. Je kunt jezelf op de kaart nauwkeurig aanwijzen, maar dit is niet de juiste manier om te weten waar je bent, want je staat nergens op de kaart. De kaart is een illusie. Je staat ergens buiten de kaart. Er staat niemand voor je en er staat niemand achter je. Je bent alleen – ontzettend alleen. Je bent uniek, je bent alleen, je bent één. En er is niemand anders om mee te worden vergeleken.

Osho: Yoga, The Alpha and the Omega – Discourses on the Yoga Sutras of Patanjali, Vol. 8 #10

Uit de serie 1001 verhalen van Shanti.

Vorige verhalen

De meester in zijn pluizige ondergoed

 

De vis in de gouden kom

 

Boeddha’s grootste geschenk

 

Naar binnen kijken

 

De playboy en de Rohrschach test

 

De meester in zijn pluizige ondergoed

Luister eens naar dit verhaal. Het was een plechtige, waardige bijeenkomst van diep bezorgde mensen, bij elkaar gekomen om de Waarheid te leren kennen. Ze waren bijeengekomen, zo geloofden ze, om de laatste geheimen van het universum te horen. Eindelijk stonden ze oog in oog met het Absolute, het Ultieme, eindelijk dachten ze de juweeltjes van wijsheid te horen waar prins en pauper sinds het begin der tijden voor hebben geworsteld. Stel je de waardigheid van dit alles voor, de plechtigheid, de sfeer van verwachting die de kamer vulde toen de Meester binnenkwam. 

Een geëlektriseerde stilte daalde neer. De kamer werd een kathedraal.  Alle ogen waren op de Meester gericht en er waren mensen die dachten dat ze zijn aura zagen. Er waren er die engelen in de buurt zagen zweven.
De Meester ging zitten en maakte zich klaar om te spreken. Het publiek leunde naar voren en bereidde zich met ingehouden adem voor om elk woord van hem op te vangen. 
Eindelijk, na wat een eeuwigheid leek, deed de Meester der Gerechtigheid zijn mond open en onderrichtte hen zeggende: ‘Vandaag,  precies op dit moment, heb ik pluizig ondergoed aan.’ 
En dat was alles wat hij die dag onderrichtte.

Zen heeft een totaal andere benadering van het leven. 
Het gelooft niet in het heilige, het gelooft niet in het profane. 
Het gelooft nergens in – het is allemaal één. 

Hond en God – het is allemaal één. 
Boeddha, geen Boeddha – het is allemaal één. 
De onwetende, de wijze – het is allemaal één. 
De zondaar en de heilige – het is allemaal één.

Osho: Take it easy, Talks on Zen Buddhism, Vol. 1 # 1.

Uit de serie 1001 verhalen van Shanti.

Vorige verhalen

De vis in de gouden kom

 

Boeddha’s grootste geschenk

 

Naar binnen kijken

 

De playboy en de Rohrschach test

 

Jezus en Gepetto van Pinokkio

 

De vis in de gouden kom

Er is een oude soefi-parabel. Een man gaf een soefi mysticus een geschenk, een gouden kom met een prachtige vis erin. De soefi keek naar de kom en de vis en kreeg medelijden met de vis. Hij ging naar het meer en voelde zich heel blij toen hij de vis bevrijdde. Hij gooide de vis in het meer. 

Hij was blij dat de vis nu tenminste het hele meer kon hebben, de grote vrijheid, de ruimte die echt van haar is. Een gouden kom, hoewel van goud, is toch een gevangenschap. Toen bedacht hij: wat moet ik nou met deze kom doen? Dus gooide hij de kom ook in het meer.

De volgende ochtend ging hij eens kijken hoe het met de vis ging. Hij stond versteld: de vis zat in de kom en de kom zat in het meer. Wat was er met de vis gebeurd? Ze had weer voor de kom gekozen. Nu lag de kom in het meer, maar de vis was niet in het meer; de vis was weer in de kom gegaan. Ze had er zo lang in geleefd, het was haar thuis. 

De mysticus denkt dat het een gevangenis was, maar de vis niet; misschien was ze wel bang voor de vrijheid. Mensen worden heel bang van vrijheid, banger dan van wat dan ook. Het zal je verbazen te weten dat mensen wel over vrijheid praten, maar als die vrijheid echt aan hen gegeven wordt, worden ze bang, angstig, verschrikt, want vrijheid is enorm, onbeheersbaar, oncontroleerbaar.

Osho: The Dhammapada – The Way of the Buddha, Series 8, pp. 192-193.

Afbeelding: Wikimedia Commons

Uit de serie 1001 verhalen van Shanti.

Vorige verhalen

Boeddha’s grootste geschenk

 

Naar binnen kijken

 

De playboy en de Rohrschach test

 

Jezus en Gepetto van Pinokkio

 

De laatsten zullen de eersten zijn

 

Boeddha’s grootste geschenk

Boeddha’s grootste geschenk aan de wereld: vipassana, een truc om naar je adem te kijken, een spiegel die je innerlijke wezen toont. Het bestaan heeft je de magische spiegel gegeven – die zit in jou.

Ik heb eens een prachtige parabel gehoord; het moet wel een parabel zijn, het kan niet iets historisch zijn. Toen Alexander de Grote naar India kwam, verzamelde hij vele waardevolle schatten. En toen hij wegging kwam hij een fakir tegen, een naakte fakir.
Hij vroeg hem: ‘Zie je al die schatten van mij? Heb je ooit iemand met zoveel schatten gezien?’
De fakir zei: ‘Al die schatten van jou stellen niets voor, maar ik kan je één ding geven dat je echt rijk zal maken!’
Alexander kon zich niet voorstellen wat deze naakte fakir hem kon geven. 

In zijn bedelnap had hij een klein spiegeltje. Hij gaf het spiegeltje aan Alexander.
Alexander zei: ‘Moet dit spiegeltje mij de rijkste man ter wereld maken? Wat ben jij voor een dwaas!’
De fakir zei: ‘Kijk eerst eens in de spiegel.’
En Alexander keek in de spiegel: die toonde niet zijn gezicht – die toonde zijn innerlijke wezen, die toonde zijn innerlijkheid, die toonde zijn subjectiviteit. Zijn wezen werd weerspiegeld in de spiegel.

Hij raakte de voeten van de fakir aan en zei: ‘Je hebt gelijk – al mijn schatten zijn niets vergeleken met deze spiegel.’
En er wordt gezegd dat hij die spiegel voortdurend bij zich hield.

De parabel is prachtig. Die spiegel vertegenwoordigt meditatie. De fakir moet hem een of andere meditatie gegeven hebben, want alleen meditatie kan je bewust maken van wie je bent.

Maar Boeddha zegt dat meditatie iets constants moet worden. Boeddha brengt een totaal nieuwe kijk op meditatie in de wereld. Vóór Boeddha was meditatie iets dat je één of twee keer per dag moest doen, één uur ‘s ochtends, één uur ‘s avonds, en dat was alles.
Boeddha gaf een totaal nieuwe interpretatie aan het hele meditatieproces. Hij zei: ‘Dit soort meditatie dat je één uur ‘s ochtends doet, één uur ‘s avonds, ook al doe je het vier of vijf keer op een dag, heeft niet zo veel waarde. Meditatie kan niet iets zijn dat je een uur of een kwartier los van het leven kunt doen. 

Meditatie moet iets worden dat synoniem is met je leven; het moet zijn zoals ademhalen. Je kunt niet één uur ‘s ochtends en één uur ‘s avonds ademen, anders komt de avond nooit. Het moet zoiets zijn als ademhalen: zelfs als je slaapt gaat het ademen door. Je kunt in coma raken, maar de ademhaling gaat door. Boeddha zegt dat meditatie zoiets constants moet worden; alleen dan kan het je transformeren. 
En hij ontwikkelde een nieuwe meditatietechniek… Vipassana betekent simpelweg je ademhaling observeren, kijken naar je ademhaling.

Het is niet zoals Yoga Pranayama: het is niet het veranderen van je ademhaling in een bepaald ritme – diep ademhalen, snel ademhalen. Nee, het verandert je ademhaling helemaal niet; het heeft niets te maken met de ademhaling.
Ademhaling moet alleen als een truc gebruikt worden om te kijken, omdat het iets constants in jou is. Je kunt er gewoon naar kijken, en het is het meest subtiele fenomeen.

Osho: The Dhammapada – The Way of the Buddha, Series 11, p.103-105.

Afbeelding: oshoworld.com/osho-vipassana-group

Uit de serie 1001 verhalen van Shanti.

Vorige verhalen

Naar binnen kijken

 

De playboy en de Rohrschach test

 

Jezus en Gepetto van Pinokkio

 

De laatsten zullen de eersten zijn

 

Als je gaat douchen, gewoon douchen

 

 

Naar binnen kijken

Zoals we naar buiten kunnen kijken,
zo kunnen we ook naar binnen kijken.

De hele boodschap van Gautama de Boeddha is om naar binnen te keren. De boodschap is eenvoudig, maar de uitvoering is ingewikkeld. Het is ingewikkeld omdat we vele levens lang naar buiten hebben geleefd, we hebben het leven van een extravert geleefd. We zijn volledig vergeten hoe we om moeten gaan met ons eigen wezen, hoe we onszelf moeten zijn. We zijn het pad, de taal, de methode vergeten. En dat niet alleen, we zijn ons er volledig onbewust van geworden dat we een innerlijkheid hebben. We denken alsof we alleen een buitenkant hebben.
Dat is stom. De buitenkant kan alleen bestaan met een binnenkant; zonder de binnenkant is de buitenkant onmogelijk. Als we naar buiten kunnen kijken, kunnen we ook naar binnen kijken. 

In feite is naar binnen kijken gemakkelijker, omdat we daar geworteld zijn. Maar als we nooit naar binnen kijken, rennen we alle kanten uit en doen we van alles, zonder te weten waarom, alleen maar omdat anderen het doen. We imiteren, we volgen. We worden kopieën. Dat is het lelijkste wat er is in het leven: een kopie zijn. 
De mens kan nooit gelukzalig zijn als hij niet origineel is, als hij zijn oorspronkelijke gezicht niet kent.

Ik heb een heel mooi verhaal gehoord. Misschien is het waar, misschien is het niet waar. De waarheid is niet historisch, maar, veel belangrijker, ze is metaforisch.
Het verhaal gaat: Alexander de Grote was onderweg naar India. Hij kwam een fakir tegen die langs de weg zat met een rond, klein, kristalachtig voorwerp in zijn hand.”Wat is dat?” vroeg Alexander.
‘Dat ga ik u niet vertellen,’ zei de fakir, ‘maar ik durf te wedden dat het zwaarder is dan al dat goud, zilver en juwelen van u.’
Alexander liet een enorme weegschaal brengen, samen met al zijn schatten. Aan de ene kant van de weegschaal legde hij alle schatten; de fakir legde zijn kleine ronde kristal aan de andere kant en zie, het was zwaarder. Het ging omlaag en de enorme schatten werden de lucht in getild. Alexander stond stomverbaasd.

Toen zei de fakir: ‘Ik zal u nog iets laten zien.’
Hij nam een beetje stof en strooide dat over het kristal heen. Het werd onmiddellijk licht, ging de lucht in en de schatten kwamen omlaag.
Alexander kon zijn stomme verbazing niet meer bedwingen en vroeg aan de fakir: ‘Alstublieft, u moet het me vertellen. Wat is dit voorwerp?’
Zei de fakir: ‘Het is niets bijzonders. Het is alleen maar een menselijk oog.’

De mens heeft het vermogen om ook zichzelf te zien, maar dat vermogen zit vol stof. We hebben ook een innerlijk oog – het derde oog – maar dat oog functioneert niet, en we hebben het zo lang niet gebruikt dat het volledig buiten werking is geraakt; het is een verlamd deel van ons wezen geworden.
Nu hebben zelfs fysiologen een bepaald deel in de menselijke hersenen ontdekt dat helemaal overbodig lijkt te zijn. Ze zijn verbaasd, want de natuur schept nooit iets overbodigs. Het moet een doel hebben, maar het lijkt geen doel te hebben. Het kan verwijderd worden en dat zal helemaal geen invloed op je hebben.

Maar alle mystici door de eeuwen heen hebben hetzelfde gezegd. Niet in wetenschappelijke terminologie natuurlijk, ze zeggen het op hun eigen manier. Ze noemen het het derde oog. Een bepaald deel van je mind is in staat om alleen maar op een introverte manier te functioneren. Meditatie creëert de juiste atmosfeer, het juiste klimaat om het te laten functioneren. Meditatie betekent simpelweg het stof verwijderen dat de fakir op het oog heeft geworpen. 

En het stof is niets anders dan het hele mentale proces van gedachten, verlangens, verbeelding, geheugen. Als een paar intervallen je lukken, tussenpozen, waarin alle gedachteprocessen ophouden … dan ben je er opeens en is er van binnen niets te zien. 
Dan gebeurt het omdraaien; dan is er onmiddellijk een radicale verandering in je zienswijze, je gestalt verandert. De buitenwereld verdwijnt en de binnenwereld verschijnt.

Osho: The Dhammapada – The Way of the Buddha, Series 11, p. 4-6.

Afbeelding: Wikimedia Commons / Third_eye_(7452194144).jpg

Uit de serie 1001 verhalen van Shanti.

Vorige verhalen

De playboy en de Rohrschach test

 

Jezus en Gepetto van Pinokkio

 

De laatsten zullen de eersten zijn

 

Als je gaat douchen, gewoon douchen

 

De kleren van Lelijkheid en Schoonheid

 

De playboy en de Rohrschach test

Een hitsige playboy reageert op een Rorschach test.

Harvey Pincus, de hitsige playboy van het Park der Verwachtingen, zich niet bewust van menselijke beperkingen, gaf gas toen hij af had moeten remmen. Tot zijn verbazing en ontzetting werd hij drie dagen later in het Bellevue ziekenhuis wakker, waar hij op een streng dieet werd gezet van rauwe eieren en oesters met tarwekiemen, gegarneerd met ginseng en soja sprouts.
Een week later keerden zijn fysieke verlangens terug en nadat hij was afgepoeierd door verpleegsters van Bellevue van verschillende soorten, maten, leeftijden en nationaliteiten, eiste hij dat hij onmiddellijk zou worden vrijgelaten, zodat hij zijn ‘al fresco’ rondsluipen in de omgeving van het Park der Verwachtingen zou kunnen hervatten.

Pincus werd al snel geconfronteerd met Dr. Siegel, de psychiater van het ziekenhuis. ‘Voordat we u vrijlaten, moet u een Rohrschach test doen,’ legde de arts uit.
‘Wat is dat?’ vroeg Pincus achterdochtig.
‘Een soort persoonlijkheidsmeter. Ik laat u een aantal inktvlekken zien en u vertelt me wat elke inktvlek bij u oproept. Begin dus maar met de test.’
Dr Siegel overhandigde hem de eerste vlek. ‘Wat roept dit bij je op?’
‘Niet zo moeilijk,’ antwoordde Pincus meteen, zijn ogen stralend van plezier. ‘Het zijn de heupen van een meisje.’
‘En dit?’ vroeg de psychiater terwijl hij hem een andere inktvlek gaf.
‘Een vrouwenborst. Ook heel mooi.’
‘Hmm – en deze?’
‘Wauw, dokter, wat een mooie benen!’

Siegel had al een duidelijke conclusie getrokken over de neigingen van zijn patiënt, maar hij ging, om er zeker van te zijn, verder met nog een paar inktvlekken. Toen Pincus bleef reageren alsof alle ‘plaatjes’ seksuele symbolen waren, tot aan de laatste vlek, leunde de dokter achterover in zijn stoel en stelde zijn diagnose.
‘Beste kerel,’ begon hij, enigszins streng, ‘voor het geval niemand het je ooit verteld heeft, je hebt een abnormale fixatie op seks.’
‘Wat betekent dat, als ik vragen mag?’
‘Het betekent, meneer,’ legde Siegel botweg uit, ‘dat u een smerige mind heeft.’
‘Hoor nou eens wie dat zegt!’ schreeuwde Pincus verontwaardigd.  ‘U laat me al die vieze plaatjes zien en ik heb een smerige mind!’

Wat je in de wereld ziet, is er niet echt; het is jouw projectie. Hoe de wereld is zul je alleen kunnen zien wanneer je mind geleerd heeft stil te zijn, te kijken, te reflecteren. Dan zul je weten wat er is. 
Wat je weet is op dit moment niets anders dan je eigen mind die geprojecteerd wordt op het scherm van de wereld. Alles functioneert als een scherm voor jou en jij blijft je ideeën projecteren; vandaar dat Boeddha er de nadruk op legde om de mind volkomen stil te maken.
Wanneer de mind stil is, stopt de projector, wordt het scherm leeg, en dan zie je voor het eerst de glorie van het bestaan. Dan word je je voor het eerst bewust van de pracht en de gelukzaligheid en de vrede die alles omringt. 
Je wordt je bewust van goddelijkheid die overal overvloeit. Alles wordt dan gekend in zijn authentieke werkelijkheid, zonder vervorming door jou.

Osho: The Dhammapada – The Way of the Buddha, Series 10, p.106-107.

Afbeelding: Wikimedia Commons/ Rorschach blot 09

Uit de serie 1001 verhalen van Shanti.

Vorige verhalen

Jezus en Gepetto van Pinokkio

 

De laatsten zullen de eersten zijn

 

Als je gaat douchen, gewoon douchen

 

De kleren van Lelijkheid en Schoonheid

 

Jezus en Gepetto van Pinokkio

Jezus ontmoet Geppetto van Pinokkio. Zijn zij Vader en Zoon?
Je kunt niet geloven dat iemand als Jezus fouten kan maken, omdat je niet kunt geloven dat Jezus een mens is zoals jij. En tenzij je gelooft dat Jezus een mens is zoals jij, kun je het andere deel van het verhaal niet geloven, namelijk dat jij net zo goddelijk bent als Jezus.
Onthoud dat dit twee kanten van dezelfde medaille zijn. Als je kunt geloven dat Jezus een mens is zoals jij, dan kun je ook geloven dat je hetzelfde potentieel hebt als Jezus. Als hij een Christus kan worden, dan kun jij dat ook worden.

Een kleine inleiding voor de grap. Dit is een Italiaans verhaal, het verhaal van Pinokkio. Een timmerman, Geppetto genaamd, voelt zich erg eenzaam en wil graag een kind. Met wat houten stokjes maakt hij een pop – met een rode hoed en een heel spitse neus – en noemt hem Pinokkio. 

   Gepetto en Pinokkio

Hij is nog maar net klaar of Pinokkio schopt hem tegen zijn been – en door deze schop realiseert Gepetto zich dat deze ‘zoon’ hem alleen maar problemen zal geven. In feite vraagt Pinokkio onmiddellijk iets om te eten, en Geppetto, hoewel erg arm, slaagt erin wat eten voor hem te vinden en gaat zelf zonder eten naar bed. 
Pinokkio gaat, zonder hem zelfs maar te bedanken, naar buiten en zo martelt hij jarenlang zijn schepper. Hij blijft het ene na het andere kattenkwaad uithalen totdat hij uiteindelijk door een walvis in de oceaan wordt opgeslokt.

Vergeet nu deze inleiding alsof ik het je helemaal niet verteld heb; alleen dan zul je de grap begrijpen. Ik moest het je vertellen; zonder dat zou je de grap niet begrijpen – en dat moet ik je vertellen. Vergeet het nu maar. Ik heb je geen inleiding verteld.
Nu de grap….

Na veertig jaar hard werken komt een oude timmerman te sterven en gaat naar de hemel. Als hij bij de hemelpoort aankomt, klopt hij op de deur. Sint Petrus doet open en zegt: ‘Ja?’
De oude timmerman legt uit: ‘Ik ben een oude timmerman. Ik heb veertig jaar hard gewerkt, ik heb nooit iemand kwaad gedaan, en ik ben hier voor mijn beloning.’
Sint Petrus antwoordt: ‘Dat weet ik zo net nog niet. Wacht hier maar eventjes, dan ga ik informatie over je inwinnen.’
Hij gaat naar binnen en staat op het punt om met de baas, God, te gaan praten als hij Jezus tegen het lijf loopt. 
Jezus zegt: ‘Waar ben je zo opgewonden over?’ 
Dus vertelt Petrus hem het hele verhaal: een oude timmerman, veertig jaar hard gewerkt, nooit iemand kwaad gedaan.

Jezus luistert met stijgende belangstelling naar het verhaal en vraagt door: ‘Had hij grijs haar?’ 
Petrus zegt: ‘Ja!’
‘Kleine bril met chroom montuur?’
‘Ja!’
‘Zo lang ongeveer? Droeg hij een vest, was hij een beetje gezet?’ 
‘Ja, ja, ja!’ zegt Petrus.

Jezus rent naar de hemelpoort, gooit de deur open, kijkt naar de kleine oude man en roept uit volle borst: ‘Papa!’
En de timmerman kijkt hem aan en roept blij uit: ‘Pinokkio!’

Osho: The Dhammapada, The Way of the Buddha, Series 8, p. 298-300.

Afbeelding: Pinocchio en Geppetto van Nacasona, Wikimedia.

Uit de serie 1001 verhalen van Shanti.

Vorige verhalen

De laatsten zullen de eersten zijn

 

Als je gaat douchen, gewoon douchen

 

De kleren van Lelijkheid en Schoonheid

 

Pas op voor experts!

De laatsten zullen de eersten zijn

De eerste of de laatste willen zijn: hetzelfde ego, dezelfde competitie, dezelfde strijd, hetzelfde conflict. Jezus zegt: Onthoud, zij die de eersten zijn in deze wereld zullen de laatsten zijn in mijn koninkrijk van God, en zij die de laatsten zijn zullen de eersten zijn. 
Hij heeft je de fundamentele wet gegeven – ‘Aes Dhammo Sanantano’ – hij heeft je de onuitputtelijke, eeuwige wet gegeven: Hou op met proberen de eerste te zijn.
Maar onthoud wel iets wat heel goed mogelijk is, want de mind is zo sluw dat hij elke waarheid kan verdraaien. Je kunt gaan proberen de laatste te zijn, maar dan mis je het hele punt. Dan begint er een andere competitie: dat ik de laatste moet zijn, en als iemand anders zegt ‘ik ben de laatste,’ dan heb je weer die strijd, dan heb je weer dat conflict.

Nadir Shah van Perzië (1732-1747).

Ik heb eens een Soefi-parabel gehoord: Een grote keizer, Nadirshah, was aan het bidden. Het was vroeg in de ochtend, de zon was nog niet op, het was nog donker. Nadirshah zou die dag beginnen aan een nieuwe verovering van een nieuw land. Natuurlijk bad hij tot God voor zijn zegeningen om te zegevieren. 
Hij zei tegen God: ‘Ik ben niemand, ik ben slechts een dienaar – een dienaar van uw dienaren. Zegen mij. Ik ga UW werk doen, dit is UW overwinning. En ik ben niemand, onthoud dat. Ik ben slechts een dienaar van uw dienaren.’

De priester was ook aan zijn zijde, om hem te helpen in het gebed, als een bemiddelaar in functie tussen hem en God. En toen hoorden ze plotseling in de duisternis een andere stem. Een bedelaar uit de stad was ook aan het bidden, en hij zei tegen God: ‘Ik ben ook niemand, een dienaar van uw dienaren.’
De koning zei tegen de priester: ‘Kijk die bedelaar nou eens! Hij is een bedelaar die tegen God zegt dat hij niemand is! Hou op met die onzin! Wie ben jij om te zeggen dat je vóór mij niemand bent? Ik ben niemand, en niemand anders kan dit beweren. En ik ben de dienaar van zijn dienaren – en wie ben jij om te zeggen dat jij de dienaar van de dienaren bent?’

Nou zie je, de competitie is er nog steeds, dezelfde competitie, dezelfde domheid. Er is niets veranderd. Dezelfde berekening: ‘Ik moet de laatste zijn. Niemand anders mag de laatste zijn.’

Osho: The Dhammapada – The Way of the Buddha, Series 8, p.110-111.

Afbeelding: Wikipedia.

Uit de serie 1001 verhalen van Shanti.

Vorige verhalen

Als je gaat douchen, gewoon douchen

 

De kleren van Lelijkheid en Schoonheid

 

Pas op voor experts!

 

Gewoon spelers van een spel