1001 verhalen

Een zeldzame vrouw bereikt de staat van verlichting

Osho heeft het over acceptatie en de boeddhistische non Rengetsu.
In de eerste plaats moet je het leven accepteren zoals het is. Als je het accepteert verdwijnen verlangens, als je het accepteert zoals het is verdwijnt de ontevredenheid. Als je het accepteert zoals het is begin je jezelf heel blij te voelen en zomaar zonder reden. Het duurt meestal niet zo lang als er een reden is voor blijdschap. Het zal altijd blijven als de blijdschap er zonder reden is.

Je kunt er op twee manieren zijn. Als je gaat in de richting van meer dingen krijgen, dan ga je tegen Boeddha in, tegen tao, tegen zen. De mens die teveel bezig is met meer dingen te krijgen is een werelds iemand.
En de mens die zegt dat het goed is, wat er ook is, die relaxt, die zich niet druk maakt over meer geld, meer macht, meer prestige, meer aanzien, die relaxt in tathata, zo-heid, is-heid, die wordt een religieus mens. Hij beweegt naar binnen toe.
Als je bezig bent met meer te krijgen, beweeg je naar buiten toe. Als je bezig bent met krijgen, beweeg je naar buiten toe. Als je niet meer bezig bent met krijgen, beweeg je naar binnen naar zijn. En zijn is Boeddha.

Het gebeurde in het leven van een heel beroemde zen vrouw, haar naam was Rengetsu. Heel weinig vrouwen hebben de hoogste staat van zen bereikt. Dit is een van die zeldzame vrouwen.
Ze maakte een pelgrimstocht en kwam tegen zonsondergang aan bij een dorp en bedelde om onderdak voor de nacht, maar de dorpelingen sloegen hun deuren dicht. Ze waren tegen zen. Zen is zo revolutionair, zo totaal rebels dat het moeilijk te accepteren valt. Als je het accepteert zal je getransformeerd worden. Als je het accepteert zal je door een vuur heen gaan, zal je nooit meer dezelfde zijn.
Daarom zijn traditionele mensen altijd tegen alles geweest wat waar is in religie. Traditie is alles wat onwaar is in religie. Dus dat waren vast traditionele boeddhisten daar in dat dorp en ze stonden haar niet toe om daar te blijven. Ze gooiden haar eruit. De nacht was koud en de oude vrouw had geen onderdak … en honger. Ze moest een schuilplek maken onder een kersenboom in het veld. Het was echt heel koud en ze kon niet goed slapen. Het was er ook nog gevaarlijk – wilde dieren en zo.
Midden in de nacht werd ze wakker –omdat het te koud was- en ze zag, als het ware, in de lucht van de lentenacht, de volle kersenbloesems lachen naar de mistige maan. Overweldigd door deze schoonheid stond ze op en maakte een buiging in de richting van het dorp…
Dat is nou tathata.
Overweldigd door deze schoonheid stond ze op en maakte een buiging in de richting van het dorp:

Door me zo vriendelijk hun onderdak te weigeren
kwam ik onder de bloesems terecht
in de nacht van deze mistige maan.

Ze voelt zich dankbaar. Ze uit haar diepe dankbaarheid naar die mensen die haar onderdak hebben geweigerd. Anders lag ze onder een gewoon dak te slapen en had ze heel deze zegening gemist, deze kersenbloesems en dit gefluister met de mistige maan en deze stilte van de nacht, deze volslagen stilte van de nacht.
Ze is niet boos, ze accepteert het. Ze accepteert het niet alleen, ze verwelkomt het. Ze voelt zich dankbaar.
Een mens wordt een boeddha zodra hij alles wat het leven brengt met dankbaarheid accepteert. Hij is op de Weg, hij is op Tao. En hij wordt meditatief.

Ōtagaki Rengetsu (1791 – 1875) was een boeddhistische non die alom wordt beschouwd als een van de grootste Japanse dichters van de 19e eeuw. Ze was ook een vakkundige pottenbakster en schilderes en een expert in kalligraferen. Ze woonde en stierf in Kyoto.

Osho: Zen: The Path of Paradox, Vol. 3, # 5.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti.
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com.

Meester Eckhart ligt op sterven

Waar kan het geheel heen?

Een Duitse mysticus, Eckhart, lag op zijn sterfbed. Een discipel – een nieuwsgierige, onderzoekende man, een filosofiestudent – vroeg hem: ‘Meester, ik weet dat u stervende bent, maar ik zou graag één vraag beantwoord willen hebben voordat u het lichaam verlaat, anders zal die me heel mijn leven achtervolgen.’
Eckhart deed zijn ogen open en zei: ‘Wat is je vraag?’
De man zei: ‘Waar ga je heen als je sterft?’
Eckhart zei: ‘Je hoeft nergens heen.’
En hij sloot zijn ogen en stierf.

‘Het is niet nodig om ergens heen te gaan,’ zei hij. Ik denk niet dat daarmee de vraag van de man bevredigend werd beantwoord, maar er werd wel een prachtig antwoord gegeven. Het vereist een heel diep begrip. Eckhart zei: ‘Je hoeft nergens heen.’
Het betekent: Ik ben nu overal. Waar is de noodzaak om ergens heen te gaan?


‘Het belangrijkste uur is altijd het nu,
de belangrijkste persoon is altijd degene die voor je staat,
en het meest noodzakelijke werk is altijd de liefde.’
Meister Eckhart, c. 1260 – c. 1328.

Ze stelden Boeddha steeds weer dezelfde vraag – als een boeddha sterft waar gaat hij dan heen? Boeddha lachte altijd en zweeg.
Op het laatste moment werd de vraag opnieuw gesteld en Boeddha zei: ‘Breng eens een kaarsje.’
De kaars werd gebracht en Boeddha zei: ‘Steek de kaars eens aan.’
De kaars werd aangestoken en toen zei Boeddha: ‘Breng eens dichterbij.’
De kaars werd dichterbij en dichterbij gebracht en toen blies hij hem plotseling uit en zei: ‘Nou vraag ik jullie waar dit kaarslicht is gebleven; waar is de vlam gebleven?’ De discipelen stonden sprakeloos.

In het Sanskriet wordt het verdwijnen van een vlam ‘nirvana’ genoemd.
Dus zei Boeddha: ‘Precies zo, wanneer Boeddha sterft, verdwijnt hij. Hij wordt één met het geheel. Het maakt dus niet uit waar hij heengaat, want waar kan het geheel heengaan? Waar is deze vlam naartoe? Die is één geworden met het geheel. Nu bestaat deze niet meer als een individuele vlam, de individualiteit is verdwenen.’

Daarom werd het woord nirvana zo belangrijk in de boeddhistische terminologie. Het betekent de verdwijning van een vlam, de totale verdwijning van een vlam. Het blijft, want wat is, blijft, maar je kunt het niet vinden.
Waar vind je een vlam die er niet meer is? Individualiteit is verloren, vorm is verloren. Waar zul je het vinden? Maar kun je zeggen dat het er niet meer is? Dat is het wel, want hoe kan iets wat er was er niet meer zijn? Het is verdwenen, natuurlijk; het is één geworden met het vormloze, natuurlijk; het is één geworden met het geheel, natuurlijk – maar het is er wel. Nu bestaat het als het geheel.

Osho: Tao – The Three Treasures, Talks on Fragments from Lao Tzu’s Tao Te Ching, Vol. 1 # 8.

Uit de serie 1001 verhalen van Shanti.

Afbeelding: Wikimedia Commons.

Vorige verhalen

Het leven is en-en

 

Olifanten op olifanten

 

Socrates en de angst voor de dood

 

De zoektocht van Milarepa

De kunstenaar en de Dood

 

Het leven is en-en

Het leven is niet of-of. Het leven is en-en.

Ik heb eens gehoord… Bernard Synon schrijft: Denk aan een man die een landweggetje heuvel op rijdt, die bij het bereiken van de top zijn auto tot stilstand brengt en naar een nabijgelegen hek met vijf spijlen loopt.
Hij leunt erop en kijkt met plezier naar het uitzicht dat zich voor hem uitstrekt. Er is een lucht van ademloos blauw, vol met vogels die lui rondvliegen in de warme zon. Smaragdgroene velden kabbelen in de zachte bries, terwijl op de hellingen koeien en schapen vredig grazen.
Het hele tafereel is er een van verstilde schoonheid en de man haalt diep adem en zegt: ‘Het is echt prachtig.’

Begeyn, Abraham; herderstafereel, National Trust, Ham House.

Op dat moment komt er een andere auto aanrijden en de eerste man krijgt gezelschap van iemand anders. ‘Mooi, hè?’ mompelt de eerste man.
De andere man zwijgt even en zegt dan bedachtzaam: ‘Heb je er ooit bij stilgestaan wat er daar echt gebeurt? Die sierlijke vogels die in de lucht rondvliegen zijn op zoek naar voedsel. Hoe sierlijk zien ze eruit voor de insecten die ze opslokken? Of naar de kronkelende wormen die ze met wrede en verscheurende snavels uit de aarde sleuren?’

De eerste man schuift ongemakkelijk opzij: ‘Ach, kom nou!’
De andere man begint weer: ‘Die schapen die zo vredig grazen – ze worden vetgemest en zullen spoedig naar het slachthuis worden gesleept, trillend van angst als ze de met bloed besmeurde vloer ruiken waarop ze zullen sterven. Hun lammetjes zullen worden weggerukt om aan de haken van de slagers te bengelen.’

De eerste man zwijgt terwijl de stem verder gaat: ‘Die smaragdgroene gratie kabbelt in de zon – daarbinnen vinden voortdurend moord en doodslag plaats terwijl spinnen vliegen verslinden en grote insecten de kleinere verslinden.
Als de geluiden konden worden geïnterpreteerd en uitvergroot, zou het geschreeuw van pijn en angst door deze weelderige weide galmen.’

De eerste is een dichter; hij kijkt door de ogen van positiviteit.
De tweede is een criticus; hij kijkt door de ogen van negativiteit.
Bernard Synon eindigt deze kleine parabel hier.
Ik wil graag nog een andere man, de mysticus, inbrengen.

Er komt een derde auto waar een mysticus uitstapt die naar de verhalen van beide mannen luistert en lacht.
En hij zegt: ‘Het leven is niet of-of. Het leven is en-en. Jullie hebben allebei gelijk, maar het leven is meer dan dat. Ja, er is donkere nacht en er is heldere dag, er is zomer en er is winter, en er is leven en er is dood. Jullie hebben allebei gelijk, maar jullie hebben het ene standpunt tegen het andere gekozen.
Je ziet maar de helft van het leven en je probeert die helft op te leggen aan het geheel. Dan ga je de fout in. Ik kies niet, ik accepteer gewoon zoals het is.’

Osho: Sufis, the People of the Path – Talks on Sufism, Vol. 2, p. 90-91.

Afbeelding: Wikimedia Commons, Abraham Begeyn (1637/38-1697) – Pastoral Scene with Shepherd and a Sheep, Goat and Cows.

Uit de serie 1001 verhalen van Shanti.

Vorige verhalen

Olifanten op olifanten

 

Socrates en de angst voor de dood

 

De zoektocht van Milarepa

De kunstenaar en de Dood

 

De vicieuze cirkel van negenennegentig

 

 

 

 

Olifanten op olifanten

Olifanten die op olifanten staan,
helemaal tot op de bodem.

Er was een leraar in Boeddha’s tijd in India; zijn naam was Prakuddha Katyayana. Hij was een zeldzame leraar. Hij sprak zijn leerlingen altijd aan met ‘de ouden’. Zelfs als een kind bij Prakuddha Katyayana kwam,  zei hij altijd: ‘Hoe gaat het, oude…?’
Je bent hier al sinds het bestaan er is, anders is het niet mogelijk – je kunt niet plotseling opborrelen. Hoe kun je zo plotseling ontstaan? Je bent hier al die tijd geweest.

Een van de belangrijkste Amerikaanse psychologen, William James, was een boek aan het schrijven dat een zeer belangrijke mijlpaal zou worden in de geschiedenis van psychologie en religie. De naam van het boek was ‘Varieties of Religious Experience’. Hij reisde de hele wereld af om materiaal voor het boek te verzamelen. Sindsdien zijn er veel boeken over religie geschreven, maar nog geen enkel boek heeft die hoogte bereikt. William James heeft er hard aan gewerkt. Hij kwam ook naar India, hij moest wel – als je een boek over religie schrijft, dan is India een must.

Hij kwam naar India en ging naar een wijze in de Himalaya. Hij geeft de naam niet; in feite hebben wijsgeren geen naam, dus dat is niet nodig. Hij ging naar de wijze en stelde hem een vraag. Hij had een Indiaas geschrift gelezen waarin staat dat de wereld op acht witte olifanten steunt. Het verbaasde hem – hij was een logicus – dus vroeg hij aan de wijze: ‘Dit ziet er absurd uit. Waar staan die acht olifanten op? Hoe worden die ondersteund?
De wijze zei: ‘Op nog eens acht witte en grotere olifanten.’
William James zei: ‘Maar dat lost het probleem niet op. Waar staan die grotere witte olifanten op?’
De wijze moest lachen zei: ‘Olifanten op olifanten, olifanten op olifanten, helemaal naar beneden. Je kunt blijven vragen,’ zei de wijze, ‘en ik zal hetzelfde blijven antwoorden – tot op de bodem.’

Dus dacht William James dat ook deze vraag opnieuw gesteld kon worden: ‘En waarop steunt die bodem?’
De wijsgeer zei: ‘Natuurlijk, op acht grotere olifanten.’

Het gaat maar door – natuurlijk moet het zo zijn. Als je terug uit gaat, zul je jezelf steeds opnieuw tegenkomen. Hoe zou je anders hier kunnen zijn? Je wordt gesteund door je vorige leven, daarom ben je hier. En je vorige leven wordt ondersteund door een ander vorig leven – daarom was je in je vorige leven. En dit gaat maar door en je kunt niet vragen: ‘Hoe ben ik voor het eerst gekomen?’
Je bent nooit voor de eerste keer gekomen, want zelfs daarvoor was je er al. Zelfs voor de eerste keer werd je ondersteund door een vorig leven – olifanten op olifanten, olifanten op olifanten.
Hindoes zijn echt mooi. Ze creëren absurde verhalen, maar die verhalen hebben diepe betekenissen en strekkingen.
Je bent hier alleen omdat het hele verleden – niet jouw verleden, het hele verleden van het bestaan – jou ondersteunt.

Osho: Tao, The Three Treasures, Talks on Fragments from Lao Tzu’s Tao Te Ching, Vol.1 # 6.

Afbeelding: Wikimedia Commons, View of the White Elephant from the Front Hall.

Uit de serie 1001 verhalen van Shanti.

Vorige verhalen

Socrates en de angst voor de dood

 

De zoektocht van Milarepa

De kunstenaar en de Dood

 

De vicieuze cirkel van negenennegentig

 

De mooie en de lelijke vrouw

Socrates en de angst voor de dood

Wijsheid is voorzichtig. Wijsheid aarzelt. Wijsheid is nooit zeker.

Socrates was stervende. Een leerling vroeg: ‘Waarom bent u niet bang voor de dood?’
De dood was zeker, binnen enkele minuten zou hij sterven. Het gif om hem te doden werd klaargemaakt. Maar Socrates zei: ‘Hoe kan ik bang zijn voor iets dat onbekend is? Ik zal het moeten zien. Pas als ik sterf, kan ik het zien.
Er zijn twee mogelijkheden. De ene is dat ik volledig zal sterven, er zal geen spoor van mij overblijven. Er zal dus niemand overblijven om het te weten, niemand om het te ondergaan. Er is dus geen sprake van dat ik me er zorgen over maak, als dit eerste alternatief gaat gebeuren.
En de tweede mogelijkheid is dat ik misschien doorga, alleen het lichaam zal sterven maar de ziel zal blijven. Ook dan zie ik het nut er niet van in om bezorgd te zijn. Als ik doorga, dan is de dood irrelevant. En alleen deze twee mogelijkheden bestaan.
Ik kan nu niets zeggen over wat er zal gebeuren. Ik weet het niet. Ik weet het nog niet.’

Socrates was een wijs man, geen man van kennis. Een man van kennis zou met zekerheid een antwoord hebben gegeven. Mannen van kennis hebben antwoorden met zekerheid, absolute zekerheid – dat maakt deel uit van hun domheid.
In feite kunnen alleen domme geesten zeker van hun zaak zijn. Het leven is zo’n groot mysterie, ondoorgrondelijk, onkenbaar; als je wijs bent, kun je niet zeker zijn.

Wijsheid is voorzichtig. Wijsheid aarzelt. Wijsheid is nooit zeker. Daarom kan wijsheid nooit beperkt worden tot een theorie. Alle theorieën zijn minder dan het leven, alle theorieën zijn beperkt en het leven kan er niet in – het leven is zo uitgestrekt, zo enorm uitgestrekt en oneindig.
Een wijs man weet maar één ding: dat hij niet weet. Een man van kennis weet duizend en één dingen en weet dat hij weet – en daarin ligt de dwaasheid van de man van kennis. Hij blijft maar feiten verzamelen die hij niet zelf heeft beleefd: theorieën, woorden, filosofieën – onaangeroerd door zijn eigen wezen. Hij blijft ze maar ophopen in zijn geheugen. Hij wordt een enorm reservoir van kennis, hij wordt een Encyclopedia Britannica – maar iets doods.

Hoe meer zijn geheugen gevuld raakt met kennis,
hoe minder en minder hij leeft in zijn wezen.

Hoe meer en meer hij zich in het hoofd verplaatst, een deel wordt, een fragment,
hoe minder en minder hij verbonden is met het uitgestrekte wezen
en het universum en het bestaan.

Hij wordt in zekere zin non-existentieel.
Hij is geen deel meer van dit bestaan, levend, stralend, vibrerend.
Hij is een bevroren fenomeen; hij stroomt niet meer met leven.
Hij is als een ijsberg, bevroren en ergens vastgelopen – muurvast in zijn hoofd.

Osho: Tao, The Three Treasures,Talks on Fragments from Lao Tzu’s Tao Te Ching,
Vol. 1 # 9.

Afbeelding: Wikimedia Commons, Shipping box for the Encyclopedia Britannica.

Uit de serie 1001 verhalen van Shanti.

Vorige verhalen

De zoektocht van Milarepa

De kunstenaar en de Dood

 

De vicieuze cirkel van negenennegentig

 

De mooie en de lelijke vrouw

 

Je hebt een schop onder je kont nodig!

 

De zoektocht van Milarepa

Ben ik op zoek naar een antwoord en een filosofie of ben ik op een zoektocht om mijn eigen wezen te ontdekken?

Er zijn mensen die op onderzoek uit lijken te gaan en hun onderzoek is ogenschijnlijk religieus. Op het eerste gezicht vragen ze: ‘Bestaat God? Is er moksha, verlossing?’
Maar het lijkt erop dat ze op zoek zijn naar antwoorden; iemand moet hen de antwoorden geven – dat is alles. Als de vraag enkel is om het antwoord te vinden, dan zal het antwoord vroeg of laat in een geloof veranderen, omdat de vraagsteller niet bereid is om veel moeite te doen.
Het gaat hem er simpelweg om iemand te ontmoeten in wie hij kan geloven, iemand die het antwoord kan geven en zijn nieuwsgierigheid kan bevredigen.

Ik heb voor niemand antwoorden. Ik ben niet geïnteresseerd in het geven van antwoorden. Als ik een beetje spreek in termen van het beantwoorden van de vragen, dan is dat alleen zodat de vragenstellers niet helemaal weglopen. Ik wil graag dat ze wat langer blijven, zodat ik hun verlangen om het antwoord te vinden kan vernietigen en in plaats daarvan het zaad dat naar de ervaring verlangt kan helpen om te groeien.
Mensen zijn bereid om antwoorden te krijgen, niemand wil het echt weten. Antwoorden zijn goedkoop. Je kunt ze vinden in boeken, goeroes kunnen ze geven. Antwoorden vinden is iets volkomen intellectueels; het heeft niets te maken met totaal leven. Er is een zoektocht naar ervaring nodig, een onderzoek omwille van de ervaring.
Laat me je een verhaal vertellen als voorbeeld.

In Tibet leefde een mysticus die Milarepa heette. Er was een gewoonte in Tibet dat wanneer iemand naar de meester ging, hij eerst drie keer om hem heen moest lopen, dan zeven keer voor hem moest buigen en dan eerbiedig in een hoekje moest gaan zitten totdat de meester hem riep en hem toestond om iets te vragen.
Milarepa ging recht op de meester af en greep hem bij zijn nek. Hij ging niet drie keer om hem heen, hij boog niet zeven keer en ging niet rustig in een hoekje op zijn beurt zitten wachten.  Hij pakte de meester gewoon vast en zei: ‘Vertel me snel wat je me wilt zeggen, want ik weet niet eens wat ik wil vragen. Dit weet ik wel: dat ik niets weet. Als je iets te zeggen hebt, spreek dan!’
De meester zei: ‘Wacht eens even en gedraag je. Ben je je niet bewust van de etiquette voor het stellen van een vraag? Weet je niet dat je drie keer om de meester heen moet gaan, zeven keer voor hem moet buigen en dan in een hoekje moet gaan zitten tot je geroepen wordt?’

Milarepa zei: ‘Dat zal ik later allemaal wel doen. Vertel me, in het proces van drie keer rondgaan, en zeven keer buigen, en eerbiedig in de hoek zitten, als ik zou sterven, wie zal er dan verantwoordelijk zijn? Neemt u de verantwoordelijkheid voor mijn dood of ben ik zelf verantwoordelijk? Als u me belooft dat ik niet zal sterven terwijl ik dat allemaal doe, ben ik bereid om rond te gaan en te buigen, niet slechts zeven maar zevenhonderd keer. Geef me eerst antwoord; de formaliteiten kunnen later in alle rust gedaan worden.’
De meester zei: ‘Ga zitten. Jij bent het soort persoon dat op zoek is naar een ervaring, niet naar een antwoord. Het is goed dat je niet om me heen gedraaid hebt, want dat is alleen bedoeld voor degenen die dat kunnen. Als iemand dit ronddraaien doet, weet ik dat de verkeerde is gekomen, want het laat zien dat hij nog tijd heeft om het te doen.’

Dus het eerste element waar ik naar op zoek ben in een zoeker is het element van onderzoek: de zoektocht, niet naar een antwoord, maar naar de ervaring; een zoektocht, niet om een filosofie te vinden, maar om het eigen wezen te ontdekken; een aftasten, niet alleen om te weten, maar om te bereiken; zelfs niet alleen om te bereiken, maar om te zijn. Dit is dus het eerste.

Osho: And Now, And Here, Vol. 2, p. 291-292.

Afbeelding: Wikimedia Commons, Soria Moria by Theodor Kittelsen: a hero glimpses the end of his quest.

Uit de serie 1001 verhalen van Shanti.

Vorige verhalen

De kunstenaar en de Dood

 

De vicieuze cirkel van negenennegentig

 

De mooie en de lelijke vrouw

 

Je hebt een schop onder je kont nodig!

 

Niet nog meer stenen boeddha’s hier!

De kunstenaar en de Dood

De man die zijn ademhaling kon stoppen,
maar zijn mond niet kon houden.

Ik heb ooit een mooi verhaal gehoord. Er was eens een groot beeldhouwer, een schilder, een groot kunstenaar. Zijn kunst was zo perfect dat wanneer hij een beeld van iemand maakte, het moeilijk was om te zeggen wie de man was en wie het standbeeld. Het was zo levensecht, zo levendig, zo herkenbaar.
Een astroloog vertelde hem dat zijn dood op handen was, dat hij spoedig zou sterven. Het spreekt vanzelf dat hij hier erg bang en angstig van werd, en zoals ieder mens de dood wil vermijden, wilde hij dat ook. Hij dacht erover na, ging mediteren en vond een manier. 

Hij maakte beelden van zichzelf, elf in getal, en toen de Dood op zijn deur aanklopte en de Engel des Doods binnenkwam, stond hij verborgen tussen zijn eigen elf beelden. Hij hield op met ademen.
De Engel des Doods stond perplex, kon zijn ogen niet geloven. Dit was hem nog nooit overkomen; het was zo ongewoon. God staat er niet om bekend dat hij ooit twee mensen hetzelfde heeft geschapen; hij schept altijd iets unieks.
Hij heeft nooit in enige routine geloofd. Hij is niet zoals een lopende band. Hij is absoluut tegen kopieën; Hij schept alleen originelen.

Wat was hier gebeurd? Twaalf personen in totaal, absoluut gelijk? Wie moeten we nu weghalen? Er hoeft er maar één meegenomen te worden.
De Dood, de Engel des Doods, kon geen beslissing nemen. Hij was in verwarring, verontrust en nerveus en keerde terug.
Hij vroeg aan God: ‘Wat heeft U nu gedaan? Er zijn twaalf precies dezelfde personen, en ik moet er maar één meenemen. Hoe moeten wij dan kiezen?’

God moest lachen. Hij riep de Engel des Doods dicht bij zich en sprak in zijn oren de oplossing, de tip hoe je het echte van het onechte kunt onderscheiden.
Hij gaf hem een mantra en zei tegen hem: ‘Ga gewoon naar binnen en spreek die uit in die kamer waar die kunstenaar zich tussen zijn eigen beelden verbergt.’
De Engel des Doods vroeg: ‘Hoe moet dat in zijn werk gaan?’
God zei: ‘Maak je niet druk. Ga het gewoon maar proberen.’

De engel des doods kwam, zonder te geloven dat het zou kunnen werken, maar als God eenmaal zoiets zei, moest hij dat maar doen. Hij kwam de kamer binnen, keek rond, en zonder iemand in het bijzonder aan te spreken, zei hij: ‘Meneer, alles is perfect, behalve één ding. U hebt het goed gedaan, maar u heeft één punt gemist. Er is één fout.’
De man vergat helemaal dat hij zich verstopte. Hij sprong op en zei: ‘ Wat voor fout?’
En de Dood moest lachen. En de Dood zei: “Nu heb ik u te pakken. Dit is de enige fout: u kunt uzelf niet vergeten. Kom maar mee, achter me aan.’

De dood is van het ego. Als het ego bestaat, bestaat de dood. Zodra het ego verdwijnt, verdwijnt de dood. Je gaat niet sterven, onthoud dat; maar als je denkt dat je wel bent, ga je sterven. Als je denkt dat je een wezen bent, dan ga je sterven.
Deze valse entiteit van het ego gaat sterven, maar als je aan jezelf denkt in termen van niet-zijn, in termen van niet-ego, dan is er geen dood – dan ben je al dood-loos geworden.
Je bent altijd al dood-loos geweest; nu heb je het in feite herkend.
De kunstenaar werd gepakt omdat hij niet kon verdwijnen in niet-zijn.

Afbeelding: Wikimedia Commons, Standing Moai at Ahu Tongariki, Easter Island, Pacific Ocean.

Uit de serie 1001 verhalen van Shanti.

Vorige verhalen

De vicieuze cirkel van negenennegentig

 

De mooie en de lelijke vrouw

 

Je hebt een schop onder je kont nodig!

 

Niet nog meer stenen boeddha’s hier!

 


De schoonheid van een zentuin

De vicieuze cirkel van negenennegentig

Een arme kapper was heel gelukkig, bijzonder gelukkig, zoals soms alleen arme mensen kunnen zijn. Hij had niets om zich zorgen over te maken. Hij was de kapper van de koninklijke hoogheid; hij masseerde hem, knipte zijn haar, bediende hem elke dag.
Zelfs de koning was jaloers en vroeg hem altijd: ‘Wat is het geheim van jouw geluk? Je loopt altijd te bruisen. Het lijkt wel of je niet op de aarde loopt, je vliegt gewoon. Wat is het geheim?’
De arme kapper zei: ‘Dat weet ik niet. In feite heb ik het woord ”geheim” nog niet eerder gehoord. Wat bedoelt u? Ik ben gewoon gelukkig. Ik verdien mijn brood en dat is alles… en dan trek ik me terug.’
Hij moet er wel een van Lao-Tzu zijn geweest.

Toen vroeg de koning aan zijn vizier, zijn eerste minister – want dat was een zeer kundig man – hij vroeg hem: ‘Jij moet het geheim van deze kapper kennen. Ik ben een grote koning. Ik ben niet zo gelukkig, maar deze arme man, die niets heeft, is zo gelukkig.’
De eerste minister zei: ‘Hij weet niets van de vicieuze cirkel van negenennegentig.’
De koning zei: ‘Wat is dat?’
De vizier lachte en zei: ‘U zit erin, zonder het te weten. We zullen iets doen. Vanavond zullen we een zak met negenennegentig roepie-munten in het huis van de kapper gooien, en dan maar kijken wat er gebeurt.’
Ze gooiden een zak met negenennegentig roepies in het huis.


De volgende dag was de kapper in de hel. Hij kwam heel verdrietig en bezorgd binnen.
Hij had zelfs de hele nacht niet geslapen. Hij telde de roepies in de zak steeds maar weer – negenennegentig. En hij raakte er zo opgewonden van – hoe kun je nou slapen als je opgewonden bent? Het hart bonsde, het bloed kolkte; zijn bloeddruk moet heel hoog zijn geweest, door de opwinding. En hij lag maar te woelen en draaien, en hij kon de slaap niet vatten.
Dan stond hij weer op, raakte die gouden roepies aan, en dan weer tellen… hij had nog nooit de ervaring gehad om roepies te tellen en negenennegentig was het probleem – want als je negenennegentig hebt, wil je dat het er honderd zijn. Dus maakte hij plannen om de volgende dag één roepie te krijgen.
Eén gouden roepie was moeilijk te krijgen. Hij kreeg maar een paar paisa, en dat was genoeg in die tijd. Hoe kom je aan één roepie? Want één roepie, één gouden roepie betekende bijna een maandloon. Wat moest hij doen?
Hij maakte allerlei plannen – een arme man, die niet veel van geld wist, kwam in de problemen. Hij kon maar één ding bedenken: dat hij één dag zou vasten en één dag zou eten. Op die manier kon hij beetje bij beetje één roepie vergaren. En honderd roepies zou goed zijn…

De mind heeft een stommiteit: dingen afmaken. De mind is een perfectionist.
Negenennegentig? De obsessie is gecreëerd: het moeten er honderd zijn.
Hij was verdrietig. De volgende dag kwam hij – hij vloog niet in de lucht, hij bevond zich zwaar op de aarde … niet alleen zwaar op de aarde, maar met een grote last, met iets steenachtigs dat om zijn nek hing.

De koning vroeg: ‘Wat is er met je aan de hand? Je ziet er te zorgelijk uit.”
Hij zei niets, want hij wilde niet over de zak praten. Maar elke dag werd de situatie steeds erger. Hij kon niet goed meer masseren – hij had geen energie, vanwege het vasten.
Toen zei de koning: ‘Wat ben je aan het doen? Het lijkt wel of je geen energie meer hebt. En je ziet er zo verdrietig en ellendig uit. Wat is er gebeurd?’
Dus moest hij het op een dag wel tegen de koning vertellen; de koning stond erop: ‘Zeg het me, ik kan je helpen. Vertel me gewoon wat er aan de hand is.’
Hij zei: ‘Nu ben ik het slachtoffer geworden van de vicieuze cirkel van negenennegentig.’

Wanneer je negenennegentig hebt is er een vicieuze cirkel – je wilt dat het er honderd worden…
En denk niet dat de dingen zullen stoppen als ze honderd zijn. De dingen stoppen nooit. De mind weet niet waar hij moet ophouden. Het weet niet van ophouden.
Daarom valt het. Het gaat maar door zonder ergens te stoppen, van A naar B, van B naar C, en gaat maar door tot het bij Z in de hel valt.

Osho: Tao, The Three Treasures, Talks on Fragments from Lao Tzu’s Tao Te Ching Vol.1 # 5.

Afbeelding: Wikimedia Commons, 100 Rupees old series banknote of India.

Uit de serie 1001 verhalen van Shanti.

Vorige verhalen

De mooie en de lelijke vrouw

 

Je hebt een schop onder je kont nodig!

 

Niet nog meer stenen boeddha’s hier!

 


De schoonheid van een zentuin

 

Altijd aan het concurreren!

 

De mooie en de lelijke vrouw

Dat is waar het bij verlichting allemaal om gaat: onzelfbewust zijn.

Er is een soefi verhaal: Een meester was eens op reis, en hij kwam bij een herberg om met zijn discipelen te overnachten. De herbergier vertelde hem dat hij twee vrouwen had, de ene mooi, de andere lelijk. ‘Maar het probleem is,’ zei de herbergier, ‘dat ik van de lelijke hou en ik de mooie haat.’
De meester vroeg: ‘Wat is er aan de hand? Waarom is dat zo?’
De man zei: ‘De mooie is zich te bewust van haar schoonheid; dat maakt haar lelijk’ – wanneer je je te bewust bent van schoonheid, zul je zeker lelijk worden – ‘en de ander is zich te bewust van haar lelijkheid. Dat maakt haar mooi.’


Degene die mooi was dacht er voortdurend aan dat ze mooi was – ze was arrogant geworden, héél trots. Hoe kun je mooi zijn als je arrogant bent? Arrogantie is lelijkheid. Ze was erg egoïstisch geworden. En ben je ooit een ego tegengekomen dat mooi is? Hoe kan het ego mooi zijn?
De ander, die lelijk was en zich bewust was van haar lelijkheid, was nederig geworden, en nederigheid heeft een schoonheid van zichzelf. Nederigheid, zonder enige trots, zonder enig ego, schept schoonheid.

Daarom zei de man: ‘Ik sta voor een raadsel. Ik hou van de lelijke en ik haat de mooie. En ik zou willen dat u de puzzel oplost. Wat is er aan de hand? Waarom gebeurt dit?’
De meester riep al zijn leerlingen en zei: ‘Komen jullie ook maar mee, want dit is iets om te begrijpen.’
En hij zei hetzelfde als Lao Tzu. Hij zei ook tegen zijn discipelen: ‘Wees niet trots dat je het weet. Als je weet dat je het weet, ben je onwetend. Als je weet dat je het niet weet, ben je wijs. Een absoluut eenvoudig iemand weet noch dat hij het weet, noch dat hij het niet weet. Hij leeft volledig onzelfbewust.’

Nu zou ik dat verhaal nog wat langer willen laten duren. Hier houdt het op. Zoals soefi’s het verteld hebben, houdt het daar op, maar ik zou er een diepere wending aan willen geven. Ik zou jullie willen vertellen dat ik na het bezoek van deze meester ook bij deze herberg ben geweest, vele jaren later natuurlijk. 

Toen kwam de man, de herbergier, naar me toe en zei: ‘Ik heb een raadsel. Ooit kwam er een soefimeester op bezoek en heb ik hem dit probleem voorgelegd en heeft hij het opgelost. Maar sindsdien is alles veranderd.
De lelijke vrouw is trots geworden op haar nederigheid, en nu hou ik niet meer van haar. Niet alleen haar lichaam is lelijk, nu is ze ook van binnen lelijk geworden, van binnen is ze helemaal lelijk geworden.
En die mooie vrouw, in de wetenschap dat het bewustzijn van haar schoonheid haar schoonheid vernietigde, heeft dat bewustzijn laten vallen. Nu hou ik van haar. Niet alleen haar lichaam is mooi, ze is ook van binnen mooi geworden.’
Dus zei hij tegen me: ‘Vertel me toch wat er aan de hand is.’

Maar ik zei tegen hem: ‘Wees alsjeblieft stil. Als ik nu iets zeg, dan krijgt het verhaal weer een wending. Wees stil!’

Zelfbewustzijn is de ziekte; in feite leidt het onzelfbewust zijn tot de verwezenlijking.
Dat is het waar het bij verlichting allemaal om gaat: onzelfbewust zijn.

Osho: Tao: The Three Treasures, Talks on Fragments from Lao Tzu’s Tao Te Ching, Vol. 1 # 1.

Afbeelding: Wikimedia Commons: A pretty girl and an ugly old woman both taking snuff.

Uit de serie 1001 verhalen van Shanti.

Vorige verhalen

Je hebt een schop onder je kont nodig!

 

Niet nog meer stenen boeddha’s hier!

 


De schoonheid van een zentuin

 

Altijd aan het concurreren!

 

De meester in zijn pluizige ondergoed

Je hebt een schop onder je kont van de meester nodig!

Mijn benadering is niet die van evolutie. 
Niets gaat ergens heen – alles is hier.
Dingen veranderen, zeker, maar er is geen evolutie. 

Dingen bewegen, zeker, maar er gaat niets hoger en er blijft niets achter als lager. Laat die categorieën vallen. En door ze te laten vallen zul je onmiddellijk een nieuwe wereld binnengaan. Plotseling zul je in vriendschap leven met bomen, omdat ze niet langer lager zijn. Plotseling zul je een grote affiniteit vinden met vogels, omdat ze niet langer lager zijn. Plotseling zul je in de ogen van je hond kijken, en zul je daar ook een Boeddha vinden. Dan is de pure vreugde ervan oneindig. Je zult in de ogen van je vrouw kijken en ook daar gaat een Boeddha schuil.

Ik maak alle dingen goddelijk. Ik wil niet dat je naar God gaat – ik breng God naar jou. En niet alleen naar jou – ik breng God naar het hele bestaan. 
Het is er echt. Er is geen andere werkelijkheid; dit is de enige werkelijkheid die er is. Dit is de enige dans die er is. Mis deze dans niet! Raak niet geobsedeerd door idealen, anders verpruts je een kans…
Het leven en het bestaan hebben geen doel, ze zijn een doel op zich.
Ja, dat is zo. Het is geen filosofische stelling. Ik deel gewoon mijn ervaring. Ik zeg niets wat ik niet heb gezien, gevoeld, beleefd. 
Ik open simpelweg mijn hart voor jou.
Het is zo. Het is geen argument. Ik probeer je helemaal nergens van te overtuigen. Ik maak je gewoon duidelijk wat er met mij gebeurd is.
En ik zeg je: dit is ook voor jou beschikbaar – en wel op DIT moment. Er is geen enkel moment uitstel nodig, want verlichting is een natuurlijke staat.

Relax, maak je niet druk over doelen, want alle doelen geven spanning, creëren spanning, stress, moeite, omdat je altijd vooruit moet kijken, je moet in de verte kijken. Je moet aan toekomstige zaken denken, je moet ze plannen. En je moet ernaar streven. Natuurlijk ontstaat er spanning, ontstaat er bezorgdheid, ontstaat er angst. Je bent verscheurd – je realiteit is hier en je hart is ergens anders. Je wordt schizofreen.
Als ik zeg relax, bedoel ik laat alle doelen vallen – laat ALLE idealen vallen. Relax in dit moment … luister naar dit moment, leef dit moment, proef ervan. Laat je omringen door de realiteit die er al is, en plotseling zul je dezelfde smaak hebben waar ik het over heb. Het is een ervaring, existentieel. Het is geen speculatie…

Ik leer je niets zoals het doel van de wereld. Ik leer je alleen leven, liefde, vreugde. Ik wil niet dat je geobsedeerd raakt door de toekomst. 
NU is mijn onderricht – als het een onderricht genoemd kan worden. In plaats van het een lering te noemen, zou ik het een gemeenschappelijk delen willen noemen. 
In die zin ben ik geen leraar. Ik geef je geen doctrine zodat je jezelf aan de doctrine kunt aanpassen en een volgeling kunt worden. 
Ik wil dat je mij wordt, geen volgeling. 

Maar je bent zo gierig. Niet alleen in het geven: zelfs in het nemen ben je zo gierig. Om die gierigheid te verbergen filosofeer je op allerlei manieren – dat zijn strategieën. Je bent bang om te ontspannen. 
Dus eerst was je gespannen vanwege geld, vanwege een beter huis, vanwege een betere baan, voor een mooiere vrouw. Nu ben je gespannen voor evolutie – hoe je verlicht kunt worden, hoe je een boeddha kunt worden?
Je hebt een flinke schop onder de kont nodig. Dat is precies wat er gebeurde…

Een groot zoeker, een filosoof, een denker, kwam bij Ma Tzu. Ma Tzu is een van de zeldzame zenmeesters. 
En de filosoof vroeg – hij was professor aan een universiteit – hoe je verlicht kon worden, hoe je een boeddha kon worden. 
Ma Tzu zei – hij zat in de tempel vlak naast een groot boeddhabeeld – hij zei: ‘Als we over zulke plechtige en serieuze dingen gaan praten, laten we dan op de juiste manier beginnen: eerst voor Boeddha buigen.’
Het leek zo juist om over het boeddha-zijn te praten, om over verlichting te praten … en Ma Tzu zei heel plechtig: ‘Je moet buigen voor Boeddha.’ 
Dus maakte de filosoof een buiging en Ma Tzu gaf hem een flinke schop, een geweldige schop onder zijn kont. En er gebeurde iets … niet alleen dat jullie lachen: de filosoof begon te lachen, omdat hij er de hele belachelijkheid van inzag. Zijn eerste satori – op dat moment kreeg hij een voorproefje van zijn boeddha-zijn.

Wat gebeurde er eigenlijk? Hij verwachtte zo’n schop niet van zo’n groot man, zo’n verlichte wijze. Zo iets verwacht je nooit. 
Het was zo’n schok. Voor even stond zijn denken stil. Even kon hij helemaal niet denken. Dit was zo onverwacht.
Precies op dat moment buigen voor het boeddhabeeld terwijl Ma Tzu hem zo onverwacht een schop gaf – het was als een elektrische schok. Het moet tot in de diepste kern van zijn mind zijn doorgedrongen. Heel even stopt al het denken, stopt alle tijd… terwijl hij naar het boeddhabeeld kijkt. 
Precies op dat moment, dat meditatieve moment, begon hij te lachen.

En jaren later zei hij steeds weer tegen mensen… mensen vroegen hem steeds: ‘Wat is er met jóu gebeurd? Want je bent nooit meer dezelfde geweest.’
En dan zei hij: ‘Er is iets vreemds gebeurd. Vanaf de dag dat Ma Tzu me schopte, ben ik niet meer gestopt met lachen. Altijd als ik weer voor Boeddha buig, moet ik weer aan Ma Tzu denken en is die schop er weer. Voor even stopt mijn denken en zie ik wat deze man bedoelt. Hij heeft me iets geleerd zonder ook maar één woord te gebruiken.’

Dat is precies wat jullie nodig hebbben: een schop onder je kont – een geweldige schop.
Jullie ZIJN boeddha’s! Jullie zijn het gewoon vergeten. 
Jullie hebben alleen een herinnering nodig – geen evolutie! 
Het is NIET dat je een boeddha moet worden. 
Je BENT een boeddha, in slaap gevallen. 
Iemand moet je een schop geven. 
Iemand moet tegen je SCHREEUWEN. 
Iemand moet je een klap geven. 
En dat is het doel van een meester.
Ma Tzu is een meester.

Osho: Take it Easy, Talks on Zen Buddhism, Vol. 1 # 6.

Afbeelding: Wikimedia Commons.

Uit de serie 1001 verhalen van Shanti.

Vorige verhalen

Niet nog meer stenen boeddha’s hier!

 


De schoonheid van een zentuin

 

Altijd aan het concurreren!

 

De meester in zijn pluizige ondergoed

 

De vis in de gouden kom