1001 verhalen

Bloemen kun je niet opsparen…

Ik heb eens een oude parabel gehoord…
Er was eens een grote koning die drie zonen had en hij wilde er eentje uitkiezen om zijn opvolger te worden. Dat was heel moeilijk, want ze waren alle drie heel intelligent, heel moedig. En het was een drieling, even oud, dus je kon ze helemaal niet uit elkaar houden. Wie moest hij nou kiezen? Dus ging hij te rade bij een grote wijze en de wijze deed hem een suggestie aan de hand.
Toen ging de koning naar huis en vroeg of al zijn drie zoons bij hem wilden komen. Hij gaf ze allemaal een zakje bloemzaad en zei dat hij op een pelgrimstocht ging – een Teertha Yatra. ‘Het kan wel een paar jaar duren – een, twee, drie, misschien wel meer. Dit is een soort van test voor jullie. Jullie moeten mij die zaadjes teruggeven als ik weer thuis kom. En degene die het best voor ze zorgt wordt mijn opvolger.’ Toen ging hij op pelgrimstocht.

De eerste zoon dacht bij zichzelf: ‘Wat zal ik met die zaden doen?’
Hij sloot ze op in een ijzeren kluis, want als zijn vader terugkwam moest hij ze teruggeven zoals ze waren.
De tweede zoon dacht: ‘Als ik ze opsluit, precies zoals mijn broer heeft gedaan, gaan die zaadjes dood. En een dood zaadje is helemaal geen zaadje. Dan kan mijn vader zo redeneren van “Ik heb je levende zaadjes gegeven, ze hadden de kans om te groeien – maar deze zaadjes zijn dood, ze kunnen niet meer groeien. Je geeft me dus niet hetzelfde terug als wat ik jou gegeven heb.”’ 
Dus ging naar de markt, verkocht de zaadjes en bewaarde het geld. Hij dacht bij zichzelf: ‘Als mijn vader terugkomt, ga ik naar de markt, koop ik nieuwe zaadjes en geef die terug aan hem, beter dan de vorige.’
Maar de derde was de beste. Hij ging terug de tuin in en strooide de zaadjes overal uit.

Toen de vader na drie jaar terugkwam deed de eerste zoon zijn kluis open. De zaadjes waren allemaal dood, ze stonken. De vader zei: ‘Wat! Zijn dit de zaadjes die ik jou gegeven heb? Ze hadden de kans om als bloemen tot bloei te komen en een geweldige geur af te geven – terwijl deze zaadjes stinken. Dit zijn mijn zaadjes niet!’
Waarop de zoon zei: ‘Vader, het zijn dezelfde zaadjes.’
De vader zei: ‘Jij bent een materialist.’
Hij ging naar de tweede zoon. Deze snelde naar de markt, kocht daar zaadjes, kwam weer thuis en zei: ‘Dit zijn de zaadjes.’
De vader zei: ‘Maar dit zijn niet dezelfde, dit zijn niet precies dezelfde. Je bent beter dan de eerste, maar toch niet zo capabel als ik zou willen. Jij bent een psycholoog.’
Ja, een beetje beter dan het lichaam is de mind – een beetje beter dan de materialist is degene die in de mind gelooft.

Hij ging naar de derde toe. Hij koesterde veel hoop maar was ook bang: ‘Wat zou hij hebben gedaan?’
En de derde nam hem mee naar achteren in de tuin waar miljoenen plantjes in bloei stonden, miljoenen bloemetjes alom. De zoon zei: ‘Dit zijn de zaadjes die u mij gegeven heeft. Spoedig zal ik de zaadjes verzamelen om ze aan u terug te geven. Op dit moment zijn ze bijna klaar om verzameld te worden.’ 
De vader zei: ‘Jij bent de spiritualist. Jij bent mijn opvolger. Zo moet je met zaadjes omgaan.’

Met sparen zal je het leven niet begrijpen en met berekenen zal je het ook mislopen. Alleen een creatieve geest kan het begrijpen. Dat is het mooie van bloemen, je kunt ze niet opsparen… Ze weerspiegelen de liefde: liefde kun je niet opsparen.
Het is geen toeval dat de bloem altijd een symbool voor de liefde is geweest, door de eeuwen heen, in alle landen, in allerlei vormen van samenleving. Het is niet gewoon toevallig. Liefde is als een bloem – als ze in je tot bloei komt, moet je haar verspreiden, moet je haar delen, moet je geven. Je moet mensen vinden om ervan te genieten. En als iemand jouw liefde in ontvangst neemt, voel je een diepe dankbaarheid naar hem toe. Anders zou die bloem gestorven zijn – onbekend, niet gewaardeerd. En hoe meer je geeft, hoe meer de liefde groeit.

Osho: Zen, The Path of Paradox -Talks on Zen, Vol. 2, p 43–45.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti.
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com.

Vorige verhalen

De parabel van God en de boer

 

Alexander ontmoet Diogenes – twee keer!

 

De mysterieuze bedelnap

 

Zes blinde mannen en de olifant

 

Parabels

De parabel van God en de boer

Geniet van elk klimaat. Geniet van elke stemming van de natuur. Ze zijn allemaal diep in harmonie. Alles is nodig om van deze wereld iets perfects te maken. Alleen maar zon is niet genoeg.


Ik heb eens een oude parabel gehoord – het moet wel een heel oude zijn, want God leefde toen nog op aarde. Geleidelijk aan begon hij genoeg te krijgen van de mens, want mensen bleven hem voortdurend lastig vallen. Midden in de nacht klopte er dan iemand bij hem aan om te zeggen: ‘Waarom hebt u dit gedaan? Waarom doet u het niet zo?’
Iedereen gaf advies, iedereen zegde zijn gebeden op en die gebeden spraken elkaar tegen. De ene kwam langs en zei: ‘Laat vandaag de zon schijnen want ik ga mijn kleren wassen.’ Dan kwam iemand anders langs die zei: ‘Laat het vandaag regenen, want ik ga bomen planten.’
Wat moest hij nou doen? Ze maakten God helemaal gek! Hij moest wel van de aarde verdwijnen. Hij moest wel ontsnappen om te overleven. Hij moest wel onzichtbaar worden.

Op een dag kwam er een boer langs, een oude boer, die zei: ‘Luister eens, u bent misschien wel God en u hebt de wereld geschapen, maar er is één ding wat gezegd moet worden: u bent geen boer en u weet nog niet het ABC van het boerenbedrijf. Heel de natuur en hoe ze in elkaar zit is zo absurd, en dit zeg ik vanuit mijn levenslange ervaring. U hebt nog iets te leren.’
God zei: ‘Wat raadt u me aan?’
De boer zei: ‘Geef me één jaar de tijd en laat mij de dingen bepalen, moet u eens kijken wat er gebeurt. Dan is er nergens meer armoede!’
God wilde wel meewerken en de boer kreeg een jaar. Nu gebeurde alles zoals hij het wilde. Het sprak vanzelf dat hij om het beste vroeg – geen donder, geen harde wind, geen gevaar voor het gewas. Alles comfortabel, knus, en hij was heel blij.

Het graan groeide zo hoog! Er waren geen gevaren, er was geen hinder. Alles gebeurde zoals hij het verlangde. Als hij zon wilde hebben, was er zon. Als hij regen wilde hebben, was er regen, zoveel hij maar wilde. In vroegere tijden viel er soms zoveel regen en dan stroomden de rivieren over en vernietigden ze het gewas.  En andere keren viel er niet genoeg regen, dan bleef het land droog en ging het gewas dood… en soms gebeurde er iets anders… en soms weer iets anders. Het kwam zelden voor, heel zelden, dat alles klopte. Maar dit jaar klopte alles, als een bus.

Het graan groeide zo hoog, dat de boer er heel blij van werd. Hij ging naar God en zei: ‘Kijk nou! Dit keer is het gewas zodanig, dat er voor tien jaar genoeg te eten zal zijn, ook al werken de mensen niet.’
Maar toen het gewas geoogst werd… zat er geen graan in.
Hij stond verbaasd – wat was er nu gebeurd?
Hij vroeg aan God: ‘Wat is er nu gebeurd? Wat is er misgegaan?’
God zei: ‘Omdat er geen uitdaging was, omdat er geen moeilijkheden waren, omdat er geen conflict was, geen wrijving, omdat alles goed was, omdat u alles wat verkeerd was heeft vermeden, is het graan impotent gebleven. Een klein beetje inspanning is noodzakelijk. Je hebt stormen nodig, donder, bliksem. Ze schudden de ziel op die in het graan zit.’

Een verstandig mens gaat met de rivier mee, stroomt met de stroom mee, stroomt met de wind mee… De dingen volgen simpelweg hun natuur. Lao Tse noemt deze natuur Tao. Boeddha noemt deze natuur Dhamma. Mahavir heeft religie gedefinieerd als de natuur van de dingen…
En die overgave brengt geweldig veel zegening met zich mee.

Osho, The Perfect Master -Talks on Sufi stories, Vol. 2, p 307–310.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti.
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com.

Vorige verhalen

Alexander ontmoet Diogenes – twee keer!

 

De mysterieuze bedelnap

 

Zes blinde mannen en de olifant

 

Parabels

 

De grote pelgrimstocht, van hier naar hier

Alexander ontmoet Diogenes – twee keer!

Osho vertelt een zeldzaam verhaal over een tweede ontmoeting tussen Alexander en Diogenes.

Daarom hebben miljoenen mensen God ontkend – omdat het hele bestaan van God, het hele idee van God, hen angst inboezemt. Het betekent dat je hem vroeg of laat wel moet tegenkomen, vroeg of laat moet je hem wel in de ogen kijken. Dat is wat mensen veel angst inboezemt. Ze beginnen te beven – het idee alleen: God in de ogen kijken! Waar ben je dan mee bezig? Is het dat wel waard? Kun je wel tegen God zeggen dat je daar mee bezig bent geweest? Dat je daar je leven mee hebt vergooid? Dat je minister-president bent geweest? Dat je zo stom bent geweest om je hele leven te verdoen met machtspolitiek? Dat je rijk bent geweest, dat je je hele leven hebt verprutst met rotzooi te verzamelen? Ben je wel in staat om God in de ogen te kijken.?
Alles wat je in je leven hebt bereikt blijft hier achter. Je kunt je geld en je macht niet meenemen. Je staat naakt, in diepe schaamte.


Er is een prachtig verhaal:
Toen Alexander de Grote naar India ging, kwam hij onderweg een merkwaardige man tegen, Diogenes. Diogenes is een van die zeldzame gevallen waar het menselijk bewustzijn tot bloei is gekomen. Alexander raakte geïntersseerd in die man, hij had veel over hem gehoord. Hij was bang om hem te ontmoeten. Het was beneden zijn stand, het ging tegen zijn ego in. Maar toen hij door India ging hoorde hij onderweg dat hij daar vlakbij langs de rivier woonde. Toen kon hij de verleiding niet weerstaan en zei: ‘Thuis zal niemand te weten komen dat ik Diogenes ben gaan opzoeken. En ik kan altijd zeggen dat ik hem toevallig ben tegengekomen toen ik voorbij ging.’

Hij ging Diogenes opzoeken. Het was een winterse ochtend, er waaide een koele bries en Diogenes lag op de zandbank langs de rivier, naakt te zonnen. Hij was een prachtige man. Waar een prachtige ziel is, rijst er een schoonheid op die niet van deze wereld is – die onlogisch is.
Als Alexander er prachtig uitziet, is dat logisch, bedenk dat wel, want hij bezit alles wat je je maar voor kunt stellen. Hij bezit macht, rijkdom, hij heeft alles wat je maar kunt bedenken. Zijn schoonheid is gebaseerd op bezit.
Nu lag hier een man naakt, met niets – hij bezat niets, zelfs geen bedelnap. Boeddha had tenminste nog een bedelnap. Diogenes had geen bedelnap omdat hij op zekere dag, toen hij onderweg naar de rivier was om wat te gaan drinken, een hond naar de rivier zag rennen. De hond was er natuurlijk het eerst en sprong de rivier in om te drinken. Diogenes moest lachen en zei: ‘Die hond heeft me een lesje geleerd. Als hij zonder bedelnap kan leven, waarom zou ik het dan niet kunnen?’ Hij gooide zijn bedelnap weg, sprong net als de hond de rivier in om te gaan drinken. Sinds die tijd bezat hij niets. En die hond moet wel iets voor Diogenes gevoeld hebben, want ze werden vrienden, ze gingen bij elkaar wonen.

Alexander kwam langs. Hij kon zijn ogen niet geloven, zo gracieus was die man. Hij had nog nooit iemand gezien met zoveel gratie, zoveel totale schoonheid, iets uit het onbekende, iets onlogisch… want er is geen enkele reden voor! Je kunt je vinger er niet op leggen waar het vandaan komt. Hij was diep onder de indruk en zei: ‘Heer…’ Hij had in zijn hele leven nog nooit ‘Heer’ tegen iemand gezegd.
Hij zei: ‘Heer, ik ben diep onder de indruk van hoe u bent en ik zou graag iets voor u willen doen. Is er iets wat ik voor u kan doen?’ Diogenes zei: ‘Even een stapje opzij doen, want u staat tegen de zon in, dat is alles. Meer heb ik niet nodig.’
Alexander zei: ‘Als ik de kans krijg om nog een keer op aarde te komen zal ik aan God vragen of hij Diogenes van me wil maken in plaats van opnieuw Alexander.’
Diogenes moest lachen en zei: ‘Dat gaat u echt niet vragen, want wie staat er nú in uw weg? U kunt nu Diogenes worden. Waar gaat u naar toe? Al maandenlang zie ik hier al maar legers voorbijtrekken – waar gaat u naar toe? En waarvoor?’
Alexander zei: ‘Ik ben onderweg naar India om de hele wereld te veroveren.’ ‘En wat gaat u dan doen?’ vroeg Diogenes. Alexander zei: ‘Dan ga ik uitrusten.’

Diogenes moest weer lachen en zei: ‘U bent een dwaas – want ik rust nu al uit, en ik heb de wereld niet veroverd. Ik zie er de noodzaak niet van in. Als u uiteindelijk gewoon wilt gaan uitrusten en relaxen, waarom niet meteen? Wat heeft het voor verband? Wie heeft u verteld dat u, voordat u uit kunt rusten, eerst de wereld moet veroveren? En ik zal u vertellen, als u nu niet uitrust, dan rust u nooit uit. Het lukt u nooit om de wereld te veroveren, want er zal altijd wel iets overblijven om te veroveren… het leven is kort en de tijd vliegt. Halverwege de reis gaat u dood – iedereen gaat halverwege de reis dood.’
Alexander zei: ‘Ik zal daar altijd aan denken, maar nú kan ik dat niet. Maar heel hartelijk bedankt voor uw advies.’
En Alexander ging halverwege dood. Hij kwam nooit meer thuis, hij stierf onderweg. Toen hij tergugkwam uit India ging hij onderweg dood. Die dag herinnerde hij zich Diogenes. Hij dacht alleen aan Diogenes – hij kon nooit rust vinden in zijn leven… en die man had rust.

Toen raakte er in de loop van de eeuwen een merkwaardig verhaal in omloop, dat Diogenes ook op diezelfde dag is gestorven. En onderweg naar God zijn ze elkaar tegengekomen, net toen ze de grensrivier gingen oversteken. Alexander liep voorop, een paar meter vooruit, toen hij achter zich iemand hoorde. Hij keek om in verbazing – in verbazing en in schaamte. Het was Diogenes, diezelfde prachtige man.
Alexander probeerde zijn schaamte te verbergen. Hij zei: ‘Zo komen we elkaar dus weer tegen, de keizer en de bedelaar.’
En Diogenes zei: ‘Dat is waar. Maar er is één ding wat u niet heeft begrepen: u weet niet wie de bedelaar is en wie de keizer. U bent de bedelaar, ik ben de keizer, want ik heb mijn leven totaal geleefd, ik heb ervan genoten. Ik kan naar God toe gaan en hem in de ogen kijken. U kunt hem niet in de ogen kijken, want ik kan zien dat  u mij niet eens in de ogen kunt kijken! U beeft helemaal, u schaamt zich. U kunt mij niet in de ogen kijken – wat gebeurt er wel niet als u God onder in de ogen moet kijken? Uw hele leven is voor niets geweest.’

Osho, Take It Easy – Talks on Zen Buddhism Vol 1 # 4.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti.
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com.

Vorige verhalen

De mysterieuze bedelnap

 

Zes blinde mannen en de olifant

 

Parabels

 

De grote pelgrimstocht, van hier naar hier

 

De schaduw van de zweep

De mysterieuze bedelnap

Blijf er maar wat in gooien,
blijf er maar werelden in gooien
en ze vervluchtigen en verdwijnen.

Er is een heel beroemd soefi verhaal. Een bedelaar kwam een keizer tegen. Gewoon bij toeval kwam de keizer zijn paleis uit voor zijn ochtendwandeling. En de bedelaar stond daar, dus de keizer vraagt: ‘Wat wil je?’
De bedelaar lachte. Hij zei: ‘U vraagt of u mijn verlangens kunt vervullen! “Wat wil je?” zegt u!’
De koning voelde zich beledigd, uitgedaagd. Hij zei: ‘Ja, ik kan je verlangens vervullen. Waar verlang je naar? Vertel het maar.’
En de man zei: ‘Denk nog eens goed na voordat u iets belooft.’

Het was geen gewone bedelaar, de bedelaar was de meester van de keizer uit een vorig leven. En de meester had beloofd: ‘In je volgende leven kom ik opnieuw proberen om je wakker te maken. In dit leven heb je het gemist, maar ik kom terug.’
Maar de koning was het helemaal vergeten – wie herinnert zich zijn vorige levens? Daarom bleef hij aandringen: ‘Zeg het maar en ik zal het vervullen. Zeg het maar. Ik ben zo’n grote keizer, wat zou jij kunnen verlangen wat ik je niet kan geven?’
En de bedelaar zei: ‘Het is iets heel simpels wat ik verlang. Ziet u deze bedelnap? Kun u hem ergens mee vullen? Maakt niet uit wat. Ik vraag niet om diamanten en ik vraag niet om goud – maakt niet uit! Kunt u hem vullen?’
En de keizer zei: ‘Ja! Je lijkt wel gek! Hoezo, niet kunnen vullen?’
Hij riep een van zijn viziers en zei tegen hem: ‘Vul jij deze man zijn bedelnap met geld.’

En de vizier begon. Het was maar een kleine bedelnap, maar de koning kreeg het al gauw benauwd. Ze goten er geld in maar het verdween zo gauw je het erin goot. En de bedelnap bleef leeg… en bleef leeg… en bleef leeg.
Het hele paleis kwam kijken. Zo zoetjes aan ging het gerucht rond in de hoofdstad. Van alle kanten kwamen mensen toestromen. Er ontstond een grote menigte en de eer van de keizer stond op het spel. Maar hij was een man van zijn woord.
Hij zei tegen zijn viziers: ‘Ook al gaat het hele rijk verloren, ik ben bereid om het te verliezen, maar deze bedelaar gaat me niet verslaan. De bedelnap heeft iets magisch maar ik zal hem moeten bewijzen dat ik ook wel iets heb om hem te vullen.’

Zijn schatkamers begonnen leeg te raken. En mensen liepen af en aan uit het paleis om te proberen die bedelnap te vullen. Maar die bedelnap leek wel bodemloos, alles verdween onmiddellijk daarin. Je kon het niet meer zien, als het eenmaal weg was, was het ook voorgoed verdwenen. Het vervluchtigde gewoon, of wat?
Toen diamanten en parels en smaragden… en ze begonnen te verdwijnen. Al gauw zei de vizier tegen de koning: ‘Dit kan helemaal niet. U zult uw verlies moeten toegeven. Dit lijkt ook geen gewone bedelaar, dat kan gewoon niet. Er zit een of andere boodschap in. Geeft u zich nu maar over aan deze man!’
Het was avond en heel de hoofdstad was daar bijeengekomen, mensen stonden daar in volslagen stilte.
Iedereen was zo opgewonden: ‘Wat gaat er nu gebeuren?’

Uiteindelijk viel de koning voor de voeten van de bedelaar neer en zei: ‘Vergeef me, heer. Het was verkeerd van me om te doen alsof ik iets heb. Ik heb niets om uw bedelnap mee te vullen.
Eén ding maar: wat is het geheim van uw bedelnap? Zeg me maar één ding. Ik ben verslagen, u heeft gezegevierd. Maar voordat u weggaat, gewoon om mijn nieuwsgierigheid te bevredigen: hoe is die bedelnap gemaakt, waarvan?’
En de bedelaar begon te lachen en zei: ‘Herinnert u zich dan helemaal niets? Bent u mij helemaal vergeten? Kijk in mijn ogen! Ik ben uw oude meester. En dit is wat ik u in uw vorige leven ook heb geleerd, maar u heeft niet geluisterd.
De bedelnap heeft niets magisch! Het is gewoon gemaakt van het hart van de mens.
Er is niets geheimzinnigs aan, zo is het hart van de mens nu eenmaal.’

Osho, Zen, The Path of Paradox -Talks on Zen, Volume 2, pp. 208 – 210

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti.
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com.

Vorige verhalen

Zes blinde mannen en de olifant

 

Parabels

 

De grote pelgrimstocht, van hier naar hier

 

De schaduw van de zweep

 

Ashtavakra en de ‘schoenmakers’

Zes blinde mannen en de olifant

‘Mensen lezen boeken, vinden daar fragmenten, maken filosofieën van die fragmenten. Zo hebben alle religies zich ontwikkeld, alle theologie en alle filosofie. Het is allemaal fragmentair,’ zegt Osho.


Ik heb eens een prachtige anekdote gehoord. Misschien ken je hem wel. Er bestaan vele versies van, maar ik denk dat je deze versie nog niet hebt gehoord.
Er zaten eens zes blinde medicijnstudenten aan de poort van een grote stad toen een olifant langzaam voorbij werd geleid. Geïnspireerd door de hoogste mate van wetenschappelijke nieuwsgierigheid, haastten de zes blinde studenten zich naar voren om het grote beest te betasten om erachter te komen wat het voor iets was.
De eerste man kwam met zijn handen op de slagtanden van de olifant. ‘Aha,’ zei hij, ‘dit schepsel is iets van been, ze komen zelfs door zijn huid heen.’ Jaren later is deze man orthopeed geworden.
Tegelijkertijd greep de tweede blinde medicijnstudent de olifant bij de slurf en stelde vast waar het voor diende. ‘Wat een neus!’ riep hij uit. ‘Dit is vast het belangrijkste deel van  het dier.’ Daarom is hij KNO arts geworden.
De derde man stuitte toevallig op de grote flapoor en kwam tot een soortgelijke conclusie: voor hem was het oor alles, daarom is hij uiteindelijk otoloog geworden.
De vierde liet zijn handen op de grote borst en buik van de olifant rusten. ‘De inhoud van deze ton is vast enorm groot,’ dacht hij, ‘en de pathologische afwijkingen ervan zijn vast eindeloos en gevarieerd.’ Er zat niets beters op voor hem dan internist te worden.
Een van de blinden kreeg de staart van de olifant te pakken. ‘Dit lijkt wel een nutteloos aanhangsel. Misschien leidt het wel tot problemen. Het is beter om het eraf te halen.’ De blinde man is chirurg geworden.

Maar de laatste van de zes liet het niet van de tastzin afhangen. In plaats daarvan luisterde hij alleen maar. Hij had de olifant aan horen komen, het geratel van de kettingen en het geschreeuw van de begeleiders. Misschien hoorde hij de olifant wel een geweldige zucht slaken toen hij voorbij sjokte.
‘Waar gaat dit schepsel naar toe?’ vroeg hij. Niemand gaf antwoord. ‘Waar komt hij vandaan?’ vroeg hij. Niemand die het wist. Toen viel die man in een diepe mijmering. Wat ging er in die olifant om, vroeg hij zich af, dat hij weggegaan was van waar hij ook vandaan kwam en naar deze grote stad was gekomen? Waarom geeft hij zich over aan onze onwaardige nieuwsgierigheid en de slavernij van kettingen? En intussen, terwijl hij zich afvroeg hoe hij antwoord moest vinden op deze vragen, was de olifant verdwenen. Deze man is psychiater geworden.

De andere studenten walgden van al dat onpraktische gedoe. Zij keerden hun visionaire metgezel de rug toe. Wat maakt het uit, zeiden ze, wat voor zin de olifant nou heeft? En zijn kettingen – dat is een juridisch, en geen medisch probleem. Waar het om gaat is om erachter te komen wat de structuur van het dier is.
En toen kregen ze onderling ruzie of de structuur van de olifant in wezen nou bestond uit een neus of een oor of een staart. En hoewel ze het op deze punten allemaal totaal oneens waren, waren ze het er wel allemaal over eens dat de psychiater een dwaas was.

Osho: The First Principle – Talks on Zen # 5

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti.
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com.

Vorige verhalen

Parabels

 

De grote pelgrimstocht, van hier naar hier

 

De schaduw van de zweep

 

Ashtavakra en de ‘schoenmakers’

 

De zon en de duisternis

Parabels

Op een dag werd Osho gevraagd: ‘Waarom gebruikt u parabels?’

En zijn antwoord was: Een parabel is een manier om iets te zeggen wat je niet kunt zeggen. Een parabel is een vinger die naar de maan wijst. Vergeet die vinger maar en kijk naar de maan. Pak die vinger niet vast, bijt niet in die vinger. Je moet de parabel begrijpen en dan vergeten.
En dat is het mooie van een parabel, van een verhaal. Je let goed op als een verhaal verteld wordt want het wekt altijd nieuwsgierigheid: ‘Wat gaat er gebeuren?’ Je let goed op, je wordt één en al oor, je wordt vrouwelijk, je raakt heel erg geïntrigeerd. De verwachting komt in je op: ‘Wat gaat er gebeuren?”
De parabel wekt spanning op, het gaat naar een climax en dan, plotseling, de uitkomst. En als na de climax de uitkomst plaatsvindt, heb je het zo warm dat de uitkomst diep in je hart zinkt. 
Het is niet zo makkelijk om iets over de waarheid te zeggen. Je moet parabels verzinnen, poëzie, verschillende methoden en middelen zodat de lezer tot een soort passie opgewekt kan worden, kan gaan trillen, klaar gaat staan, wachtend op wat komen zal.

En ik ben niet de enige die parabels gebruikt, dat is altijd al gedaan. Boeddha gebruikte ze, Chuang-tzu gebruikte ze, Jezus gebruikte ze – alle grote leraren van de wereld hebben de parabel als methode gebruikt en dat heeft zijn nut bewezen door de eeuwen heen. Het heeft nog steeds ontzettend veel betekenis en het zal van betekenis blijven.
Een parabel is niet zomaar een verhaaltje. Ze is niet bedoeld om je te vermaken maar om je te verlichten. Dat is het verschil tussen een gewoon verhaal en een parabel. Een parabel bevat een boodschap, een gecodeerd bericht. Je zult het moeten ontcijferen. Soms ben je je hele leven bezig om het te ontcijferen, maar door het ontcijferen zelf word je getransformeerd…

Wat is een parabel?
Bijvoorbeeld, Boeddha gaat naar een jeugdfestival in zijn mooie gouden strijdwagen. Opeens ziet hij voor het eerst van zijn leven een oude man, want dit is de parabel: toen Boeddha geboren werd kwamen grote astrologen bij zijn vader om zijn toekomst te voorspellen, om de mogelijkheden van het kind aan te geven. Alle astrologen zeiden: ‘Of hij wordt een chakravartin die over de zes continenten zal heersen, of hij wordt een sannyasin die de hele wereld zal verzaken. Dit zijn de twee mogelijkheden.’
Alle astrologen op één na staken twee vingers omhoog en zeiden: ‘De ene mogelijkheid: hij wordt de grootste heerser ter wereld ooit, nog nooit eerder gezien, nog nooit eerder gehoord, zo machtig zal hij zijn. En de tweede mogelijkheid: hij zal alles verzaken en het bos in trekken, om een sannyasin te worden en te gaan mediteren om het boeddha wezen te bereiken.’
Van alle astrologen was er één, de jongste, die maar één vinger opstak.
De koning vroeg: ‘Ze hebben allemaal twee vingers opgestoken en jij steekt er maar één op?’
Hij zei: ‘Omdat hij een Boeddha gaat worden, een andere mogelijkheid is er niet.’

Maar omdat hij de jongste astroloog was zat de koning er niet mee en baarde het hem geen zorgen. Omdat de oudere mensen zeiden dat er twee mogelijkheden waren vroeg hij aan hen: ‘Wat moet ik doen om te voorkomen dat hij ooit het koninkrijk op zal geven?’
En ze deden hem het voorstel: ‘Maak prachtige paleizen voor hem, een apart paleis voor elk seizoen.’
In India heb je vier seizoenen, dus vier paleizen met prachtige tuinen, met velden en velden vol bloemen.
‘Maak er bijna een paradijs van. En maak er een punt van dat er geen enkele oude man in zijn tuinen komt, dat hij nooit een zieke tegenkomt en dat hij nooit een sannyasin  te zien krijgt, met zijn okerkleurige kleed, dat hij nooit met het verschijnsel dood geconfronteerd wordt. Die vier dingen zijn verboden. Als er al  bladeren vallen, moeten die verwijderd worden voordat hij een oud stervend blad ziet.
Bloemen moeten uit zijn tuin verwijderd worden voordat hij erachter komt dat bloemen verwelken en afsterven. En hij moet omringd worden door mooie vrouwen, de mooiste vrouwen in het koninkrijk. En hij moet voortdurend worden vermaakt. Bedenk wel dat hij alleen op die manier gered kan worden van het verlangen naar verlichting. Zorg dat hij voortdurend vermaakt wordt, uitgeblust blijft, moe. Als hij ’s morgens wakker wordt moet hij mooie vrouwen om zich heen zien dansen tot het allerlaatste moment dat hij in slaap valt. Hij moet bij muziek en dans in slaap vallen.’

En zo werd het geregeld…
Maar de parabel gaat verder. Steeds als Boeddha naar de hoofdstad ging maakten ze de wegen schoon, werden alle oude mensen weggehaald, werd aan sannyasins  de toegang verboden. Nooit kwam hij iets lelijks, zieks, ouds of doods tegen als hij in zijn strijdwagen langs reed.
Maar die dag gebeurde er iets. De parabel vertelt dat de goden in de hemel zich grote zorgen begonnen te maken: ‘Blijft Boeddha in dat idiote soort continue vermaak steken? Wordt hij dan nooit verlicht?’
Wegen werden schoongeveegd, het verkeer werd geregeld en gecontroleerd, maar die goden gingen ook iets regelen. Een van de goden verscheen als een oude man, een ander als een sannyasin, een ander als een doodzieke, hoestende, bijna stervende persoon en weer een ander als een dode man die door anderen naar de begraafplaats werd gedragen.
Het is een prachtige parabel – de goden begonnen zich zorgen te maken. Er zit een veelzeggende boodschap in. Dit bestaan wil dat je verlicht wordt, dat betekent het. Het bestaan begint zich zorgen te maken, het bestaan geeft erom, het bestaan wil dat je bevrijd raakt van elke slavernij, vrij van alle duisternis. Het bestaan wil je helpen en als het ziet dat je maar door en door blijft gaan met je leven te verknoeien, creëert het situaties die je kunnen provoceren. Dat is de betekenis van de parabel.

Er zijn geen goden in de hemel en goden komen niet rondlopen als oude mannen, maar de parabel is een manier om bepaalde verborgen waarheden uit te spreken. De verborgen waarheid is dat het bestaan om jou geeft, dat je dit bestaan in gestuurd bent om iets te leren. Raak niet verdwaald.
Dit is nou een eeuwige boodschap. Het doet er niet toe of Boeddha al dan niet geboren is, of hij al dan niet een historische persoon is, het enige wat ertoe doet is dat het bestaan zich om jou bekommert. Als het zich om Boeddha heeft bekommerd, bekommert het zich ook om jou. Het zal gelegenheden scheppen voor je en als je een klein beetje oplet zal je deze gelegenheden kunnen vastpakken en die gelegenheden zullen een transformerende situatie blijken te zijn, een ontwaken.

Boeddha zag de oude man en vroeg aan zijn wagenmenner: ‘Wat is er met deze man gebeurd?’
Natuurlijk, want hij had nog nooit een oude man gezien. Jij had die vraag nooit gesteld omdat je het elke dag ziet. Het was zo vreemd. Hij was getrouwd, hij had een zoon en hij had nog nooit een oude man gezien. Bij het zien van die oude man was hij plotseling geschokt. En de wagenmenner wilde gaan liegen, want hij kende de vader van Boeddha wel.
Maar het verhaal vertelt dat een van de goden het lichaam van de wagenmenner inging en de waarheid vertelde. Hij zei: ‘Iedereen moet oud worden.’
En Boeddha vroeg: ‘Word ik dan ook oud? En mijn geliefde, mijn vrouw, Yashodhara ook? En mijn kleine kind, Rahul, die pas een paar dagen geleden is geboren, hij ook?’
En de god zei, door de wagenmenner heen – hij dwong de wagenmenner om te zeggen: ‘Ja, iedereen wordt oud.’
En toen zagen ze de dode man.
‘En wat is er met hem gebeurd?’ vroeg Boeddha.
En de god zei, door de wagenmenner heen: ‘Iedereen moet deze toestand bereiken. Ziekte, ouderdom, dan de dood.’
‘Moet ik ook sterven? En mijn mooie vrouw dan, Yashodara, en mijn kind, Rahul, die pas een paar dagen geleden is geboren?’
En de god zei: ‘Allemaal zullen ze sterven, zonder enige uitzondering.’

Toen zag Boeddha de okergeel geklede sannyasin. En hij zei: ‘Waarom gaat hij in oker, oranje gekleed?’
En de god zei: ‘Deze man heeft ook ziekte, ouderdom en dood zien gebeuren. Nu is hij op zoek naar de bron van onsterfelijkheid. Hij is zich ervan bewust dat dit leven besmet is met de dood. Hij heeft het feit ingezien dat dit lichaam vroeg of laat wel zal vergaan, stof tot stof. Daarom is hij op zoek naar iets wat onsterfelijk is. Hij is gaan mediteren. Hij heeft het vermaak opgegeven. Hij is op zoek naar verlichting.’
Boeddha zei: ‘Wacht eens even dan. We hoeven niet meer naar het jeugdfestival te gaan, want als de jeugd maar een vluchtig verschijnsel is, ben ik al oud. En als het leven tot stof zal vergaan, ben ik gestorven.’

Kijk eens wat een inzicht de parabel geeft. Boeddha zegt: ‘Als het gaat gebeuren, wat maakt het uit of het morgen gebeurt of over zeven of zeventig jaar? Als het gaat gebeuren, is het al gebeurd. Keer om! Geen enkel festival kan me nog interesseren. Ik heb het gehad met al die festivals. Ik moet op zoek gaan naar wat u verlichting noemt voordat dit lichaam verdwijnt. Ik moet dit lichaam als een opstapje gebruiken naar iets wat onsterfelijk is. Ik moet op zoek gaan naar nectar.’
En hij maakte rechtsomkeert. Diezelfde nacht nog verliet hij zijn paleis en vluchtte diep het bos in om te mediteren.

Dit is nou een parabel. Of het al dan niet is gebeurd, daar ben ik helemaal niet mee bezig. Wat maakt het uit of het geschiedkundig juist is of niet? Daarom worden mensen die te zeer zijn geobsedeerd door geschiedenis boos op mij – omdat mijn toewijding helemaal niet aan de geschiedenis is. Ik neem alle dichterlijke vrijheid. Mijn toewijding is aan parabels, niet aan geschiedenis. Als ik zie dat een parabel mooier kan worden, dan ga ik ermee spelen. Het maakt mij niets uit of het zo geschreven staat of niet. Wat maakt het uit? Mijn hele toewijding is aan de poëzie en de parabel en de verborgen boodschap daarin. En of het al dan niet is gebeurd, het kan nog steeds wel een redding voor je zijn.

Osho: The Secret of Secrets, Talks on the Secret of the Golden Flower # 16.

Uit de serie 1001 verhalen van Shanti.

Vorige verhalen

De grote pelgrimstocht, van hier naar hier

 

De schaduw van de zweep

 

Ashtavakra en de ‘schoenmakers’

 

De zon en de duisternis

 

Een zeldzame vrouw bereikt de staat van verlichting

De grote pelgrimstocht, van hier naar hier

Een Soefi verhaal: Een man ging op zoek naar de waarheid. De eerste religieuze man die hij tegenkwam zat onder een boom, net buiten zijn eigen dorp.
Hij vroeg: ‘Ik ben op zoek naar een ware meester. Vertel me alsjeblieft de kenmerken van een ware meester.’
De fakir vertelde hem de kenmerken. Zijn beschrijving was heel simpel. Hij zei: ‘Je zult hem onder zo’n boom zien zitten, in zo’n houding, zijn handen maken zo’n gebaar – dat is genoeg om te weten dat hij de ware meester is.’


De zoeker ging op zoek. Er wordt gezegd dat er dertig jaar voorbij gingen met zwerven over de hele aarde. Hij bezocht vele plaatsen maar kwam nooit de meester tegen. Hij kwam vele meesters tegen maar geen enkele was de ware meester. Volledig uitgeput keerde terug naar zijn eigen dorp.
Toen hij terugkeerde was hij verbaasd, hij kon het niet geloven: die oude man zat onder diezelfde boom, en nu kon hij zien dat dit precies de boom was waar de oude man over gesproken had: ‘… hij zal onder die en die boom zitten.’
En zijn houding was precies zoals hij beschreven had. ‘Het was dezelfde houding als dertig jaar geleden – was ik blind? Precies dezelfde uitdrukking op zijn gezicht, de exacte gebaren …!’

Hij viel voor zijn voeten neer en zei: ‘Waarom heeft u het me niet meteen verteld?  Waarom heeft u mij dertig jaar lang op een dwaalspoor gezet? Waarom heeft u mij niet verteld dat u de ware meester bent?’
De oude man zei: ‘Ik heb het je verteld, maar je was er niet klaar voor om te luisteren. Je was er niet klaar voor om naar huis te komen zonder af te dwalen. Je moest op de deuren van duizend huizen kloppen om naar je eigen huis te komen, dan pas had je terug kunnen keren.
Ik heb het gezegd. Ik heb alles gezegd – “onder die en die boom”.  Ik heb deze boom beschreven, de houding waarin ik zat, maar jij was te snel, je kon het niet goed horen, je had haast. Je ging ergens heen om te zoeken.

Zoeken was heel belangrijk voor je, de waarheid was niet zo belangrijk. Maar je bent gekomen! Ik werd er moe van om voortdurend in deze houding voor jou te zitten. Dertig jaar was je aan het zwerven, maar denk eens aan mij zittend onder deze boom! Ik wist dat je op een dag zou komen, maar wat zou er gebeurd zijn als ik al overleden was? Ik heb op je gewacht – je bent gekomen. Je hebt dertig jaar moeten zwerven, maar dat is je eigen schuld. De meester was altijd al hier.’

Het gebeurt vaak in ons leven dat we niet zien wat dichtbij is, en dat wat ver weg is, ons aantrekt.
De verre trom klinkt zoeter, we worden aangetrokken door verre dromen.
Ashtavakra zegt dat je bent wat je zoekt.
En je bent het precies hier, op dit moment.

Osho: Enlightenment, The Only Revolution – Discourses on the Great Mystic Ashtavakra, p. 131-132.

Afbeelding: Wikimedia Commons, The Meditating Monk.

Uit de serie 1001 verhalen van Shanti.

Vorige verhalen

De schaduw van de zweep

 

Ashtavakra en de ‘schoenmakers’

 

De zon en de duisternis

 

Een zeldzame vrouw bereikt de staat van verlichting

 

Meester Eckhart ligt op sterven

 

De schaduw van de zweep

Er is een voorval uit het leven van Boeddha…. Een fakir kwam hem opzoeken; een eenzame asceet kwam langs, een zwerver.
Hij zei tegen Boeddha: ‘Ik heb geen woorden om te vragen, ik kan niet verwoorden wat ik wil vragen. U weet het al. Heb begrip en zeg wat goed voor me is.’

Dit is de vraag van iemand die het weet. Boeddha zat in stilte. Hij zei niets.
Na enige tijd leek het alsof er iets gebeurde! De man had naar Boeddha gekeken, en nu begonnen zijn ogen over te stromen van tranen.
Hij boog voor Boeddha’s voeten neer en zei: ‘Dank U! Ik ben echt gelukkig – u heeft me gegeven waarvoor ik hier gekomen ben.’
Hij stond op en vertrok. Zijn gezicht straalde een aura van unieke glans uit. Hij ging dansend heen.

Boeddha’s discipelen waren in de war. Ananda vroeg: ‘Bhante, Bhagwan. Dit is een mysterie. Eerst zegt deze man: “Ik weet niet hoe ik het moet vragen, ik weet niet op welke manier ik het moet vragen, ik weet niet eens wat ik kom vragen. Maar u weet alles. Kijk naar mij, zeg wat er ook maar nodig is voor mij.”
Ten eerste is deze man een mysterie. Wat is dit voor manier om iets te vragen? Als je niet weet wat je moet vragen, waarom vraag je het dan? Hoe kun je dan iets vragen? Ongelooflijk! 

Maar hier houdt de zaak niet op. U zat in stilte, en u bleef in stilte zitten. We hebben u nog nooit zo zwijgend zien zitten. Als iemand iets vraagt, geeft u antwoord. Soms gebeurt het dat iemand niets vraagt en toch geeft u antwoord. Uw mededogen stroomt altijd.
Wat gebeurde er dat u plotseling stil was en uw ogen sloot? En toen, wat gebeurde er voor alchemie dat de man begon te transformeren? We zagen hem veranderen. We zagen hem een totale mutatie ondergaan. We zagen extase over hem heen komen.
Hij is dansend heengegaan, vol tranen, overweldigd, extatisch.
Hij boog voor uw voeten neer. Zijn geur heeft ons ook geraakt. 
Wat is er gebeurd? U heeft geen woord gezegd, hoe heeft hij het gehoord? Terwijl wij al zoveel dagen bij u zijn, al jaren.  Heeft U minder medelijden met ons? Waarom krijgen wij niet de genade die U hem gaf?’

Bedenk wel, je krijgt zoveel als je in staat bent om te ontvangen.

Boeddha zei: ‘Luister, paarden…’ Hij heeft het met Ananda over paarden, omdat Ananda een krijger was. Hij was een neef van Boeddha en was van jongs af aan erg dol op paarden. Hij was een ruiter. Hij was een beroemde ruiter, een groot kampioen.
‘Luister, Ananda,’ zei Boeddha, ‘je hebt vier soorten paarden. De ene geeft geen krimp, ook al geef je hem de zweep – de meest waardeloze van alle paarden. Hoe meer je ze afranselt, hoe koppiger ze zich verzetten. Ze staan stil – zo koppig als een hatha yogi. Wanneer je ze afranselt, lok je alleen maar weerstand uit.

Dan is er een tweede type paard. Als je die de zweep geeft, komen ze in beweging. Als je ze niet afranselt, bewegen ze niet. Ze zijn in ieder geval beter dan de eerste.
Dan is er nog een derde type paard. Je hoeft alleen maar de zweep te laten knallen – slaan is niet nodig. Laat de zweep gewoon knallen, het geluid is al genoeg. Die zijn aristocratischer – en beter dan de tweede soort.
Dan, Ananda, moet je die paarden kennen die gewoon al gaan rennen als ze de schaduw van de zweep zien. Je hoeft er niet eens mee te slaan. Die man was zo’n soort paard: de schaduw was genoeg.’

Osho: Enlightenment, The Only Revolution – Discourses on the Great Mystic Ashtavakra, p. 23-25.

Afbeelding van Kanenori van Pixabay.

Uit de serie 1001 verhalen van Shanti.

Vorige verhalen

Ashtavakra en de ‘schoenmakers’

 

De zon en de duisternis

 

Een zeldzame vrouw bereikt de staat van verlichting

 

Meester Eckhart ligt op sterven

 

Het leven is en-en

Ashtavakra en de ‘schoenmakers’

Wat voor diepte van begrip hebben zij die alleen het lichaam herkennen?

Toen Ashtavakra twaalf jaar oud was, organiseerde Janak een grote debatbijeenkomst. Janak was een koning, en hij nodigde de geleerden van het hele land uit om te komen debatteren over de geschriften. Hij liet duizend koeien bij de paleispoort plaatsen en liet de horens van de koeien met goud bekleden en versieren met juwelen.
Hij kondigde aan: ‘Degene die overwint, zal deze koeien in bezit nemen.’

Het was een groot debat. Ashtavakra’s vader deed ook mee. Toen de schemering inviel, kreeg Ashtavakra het bericht dat zijn vader aan de verliezende hand was. Hij had alle anderen al verslagen, maar hij stond op het punt om verslagen te worden door een pundit die Vandin heette. Toen Ashtavakra dit bericht ontving, ging hij naar het paleis.
De bijeenkomst was al aan de gang; het debat was in de laatste fase en het beslissende moment kwam snel dichterbij. De nederlaag van zijn vader was een voldongen feit – hij stond op het punt verslagen te worden.
De geleerden zagen Ashtavakra toen hij het koninklijk hof binnenkwam. Het waren allemaal hooggeleerden. Zijn lichaam was op acht plaatsen gebogen en misvormd: hij hoefde zich maar te bewegen en iedereen begon te lachen. Alleen zijn beweging was al een lachertje.

   Ashtavakra

De hele vergadering barstte in lachen uit.
Ashtavakra moest ook bulderen van het lachen.
Janak vroeg: ‘Iedereen lacht. Ik kan wel begrijpen waarom zij lachen, maar waarom lachte jij, mijn zoon?’
Ashtavakra zei: ‘Ik moet lachen omdat de waarheid beslist wordt in deze bijeenkomst van chamars, schoenmakers.’
De man moet buitengewoon geweest zijn. ‘Wat doen al die chamars hier?’
Er viel een diepe stilte over de vergadering. Chamars? Schoenmakers?
De koning vroeg: ‘Wat bedoel je?’

Ashtavakra zei: ‘Het is simpel en recht-toe-recht-aan. Ze zien alleen huid, ze zien mij niet. Het is moeilijk om iemand te vinden die puurder en simpeler is dan ik, maar dat zien ze niet; ze zien een gebogen en misvormd lichaam. Het zijn leerbewerkers, ze oordelen naar de huid.
Majesteit, is de hemel gebogen in de kromming van een tempel? Wanneer een pot verbrijzeld wordt, wordt de hemel dan verbrijzeld? De hemel is voorbij verandering. Mijn lichaam is misvormd, maar ik niet. Kijk naar degene van binnen. Je kunt niets vinden dat rechter en zuiverder is.’
Het was een verbijsterende uitspraak. Je had vast een speld kunnen horen vallen.
Janak was onder de indruk, stond versteld: Absoluut waar, waarom had hij daar een menigte chamars verzameld? Hij kreeg er spijt van, hij voelde zich schuldig dat ook hij had gelachen.

Die dag lukte het de koning niet om iets te zeggen, maar de volgende dag, toen hij zijn ochtendritje maakte, zag hij Ashtavakra langs de de kant van de weg. Janak stapte van zijn paard en viel voor zijn voeten neer.
De dag ervoor had hij, in het bijzijn van iedereen, de moed niet kunnen opbrengen.
Toen had hij gezegd: ‘Waarom lach je, mijn zoon?’
Ashtavakra was een jongen van twaalf jaar, en Janak had rekening gehouden met zijn leeftijd. Vandaag merkte hij de leeftijd niet op. Vandaag stapte hij van zijn paard en viel voor de voeten van Ashtavakra neer, op zijn knieën met zijn armen gespreid.

Hij zei: ‘Kom alstublieft naar het paleis om mijn verlangen naar de waarheid te bevredigen. Oh heer, wees zo genadig om naar mijn woning te komen. Ik heb het begrepen.
De hele nacht heb ik niet kunnen slapen. U sprak waarachtig: wat voor diepte van begrip hebben zij die alleen het lichaam herkennen?
Ze debatteren over het wezen, maar aantrekking en afkeer voor het lichaam komen nog steeds op; haat en aantrekking komen nog steeds op. Ze kijken naar de dood terwijl ze het hebben over het doodloze. Ik ben gezegend dat u me kwam ontregelen, dat u mijn slaap verstoord heeft. Kom alstublieft naar het paleis.’
Janak liet het paleis prachtig versieren. Hij verwelkomde Ashtavakra en zette hem op een gouden troon – deze twaalfjarige Ashtavakra.
Toen legde hij hem zijn vragen voor…

Chamars zien de huid, de wijzen zien het wezen. Is het je opgevallen?
Een schoenmaker kijkt niet naar je gezicht, hij ziet alleen je schoenen…
Een kleermaker kijkt naar kleren…
Ze hebben allemaal hun eigen bekrompen visie.
Alleen iemand die vol is van zijn eigen wezen ziet het wezen.

Osho: Enlightenment, The Only Revolution – Discourses on the Great Mystic Ashtavakra, p. 14-16.

Afbeelding: Wikimedia Commons, Ashtavakra.

Uit de serie 1001 verhalen van Shanti.

Vorige verhalen

De zon en de duisternis

 

Een zeldzame vrouw bereikt de staat van verlichting

 

Meester Eckhart ligt op sterven

 

Het leven is en-en

 

Olifanten op olifanten

 

De zon en de duisternis

Een enkel straaltje van weten over het leven en ons vaste geloof in de zekerheid van de dood zal voor altijd verdwenen zijn.

Er was eens een mysticus in Tibet met de naam Marpa. Iemand kwam naar hem toe en zei: ‘Ik ben gekomen om u iets te vragen over leven en dood.’
Marpa moest hard lachen en zei: ‘Als je iets over het leven wilt weten, ben je van harte welkom, want ik weet wat leven is. Wat de dood betreft, ik heb de dood nog niet ontmoet, ik ben er niet mee vertrouwd. Als je de dood wilt kennen, vraag het dan aan hen die zo goed als dood zijn, of aan hen die al dood zijn. Ik ben vertrouwd met het leven, ik kan over het leven praten. Ik kan je laten zien wat leven is. Ik ben niet bekend met de dood.’

Dit verhaal lijkt op het verhaal van duisternis en licht. Misschien heb je het wel eens gehoord. Eens ging de duisternis naar God en smeekte: ‘Heer, die zon van u is erop uit om mij te pakken. Ik ben uitgeput. Hij begint me bij zonsopgang te achtervolgen en laat me pas ‘s avonds na veel moeite met rust. Wat heb ik misdaan? Wat is dit voor vijandigheid? Waarom achtervolgt deze zon me en treitert hij me? Ik heb nauwelijks kunnen uitrusten na een hectische dag als hij weer voor mijn deur staat bij zonsopgang. Weer moet ik rennen voor mijn leven, weer moet ik vluchten – dit gaat al zo lang door. Mijn geduld is op. Ik kan er niet meer tegen. Ik smeek u, laat het hem alsjeblieft duidelijk worden.’

Ze zeggen dat God de zon riep en zei: ‘Waarom zit je achter de duisternis aan? Wat heeft hij jou misdaan? Waarom de vijandigheid? Wat voor wrok heb je tegen hem?’
‘De duisternis?’ vroeg de zon. ‘Ik zwerf al sinds mensenheugenis door het universum, maar ik ben de duisternis nog nooit tegengekomen. Ik weet niet wie duisternis is. Waar is hij? Breng hem alsjeblieft bij me zodat ik hem om vergiffenis kan vragen, hem kan leren kennen en uit zijn buurt kan blijven.’

Er is oneindig veel tijd verstreken sinds dit incident plaatsvond. De zaak is nog steeds in behandeling bij God; hij is nog steeds niet in staat geweest om de duisternis voor de zon te brengen. Hij zal het nooit kunnen en deze zaak zal nooit opgelost worden.
Hoe kun je duisternis voor de zon brengen? Duisternis heeft helemaal geen eigen positief bestaan. Duisternis is slechts de afwezigheid van licht. Hoe kan de afwezigheid van de zon in de aanwezigheid van de zon worden gebracht? Nee, duisternis kan nooit voor de zon gebracht worden.
Het is zelfs moeilijk om duisternis voor een kleine lamp te brengen, laat staan voor de zon, die zo groot is. Het is moeilijk voor duisternis om de straal van licht rond een lamp te doordringen; het is moeilijk voor duisternis om een ontmoeting met een lamp te hebben.
Hoe kan duisternis zijn waar licht is? Hoe kan er dood zijn waar leven is? Of er is helemaal geen leven, of er is geen dood. Beide kunnen niet samen waar zijn.

We leven, maar we weten niet wat leven is. En deze onwetendheid doet ons geloven in de zekerheid van de dood.
Onwetendheid is dood. De onwetendheid van het leven zelf wordt het fenomeen van de dood. Als we, als God het wil, het leven dat in ons is zouden kunnen leren kennen, zou een enkele straal van dat weten voor altijd deze onwetendheid vernietigen dat je kunt sterven, of dat je ooit in het verleden bent gestorven, of dat je ooit in de toekomst zult sterven.

We kennen het licht dat we zijn niet en we worden bang voor de duisternis die we niet zijn. We maken geen kennis met het licht dat onze vitale energie is, ons leven, ons bestaan, en we zijn bang voor de duisternis die we niet zijn.
De mens is niet sterfelijk, hij is onsterfelijk. Het hele leven is onsterfelijk, maar we kijken nooit naar de onsterfelijkheid.We zoeken nooit in de richting van het leven; we zetten er niet eens één stap naartoe. En omdat we onbekend blijven met het leven, lijken we bang voor de dood.
De vraag is dus niet die van leven en dood, de vraag is alleen die van het leven.

Osho: And Now, And Here, Vol. 2, p. 2-4.

Uit de serie 1001 verhalen van Shanti.

Afbeelding: Wikimedia Commons.

Vorige verhalen

Een zeldzame vrouw bereikt de staat van verlichting

 

Meester Eckhart ligt op sterven

 

Het leven is en-en

 

Olifanten op olifanten

 

Socrates en de angst voor de dood