Iedereen met wie je in contact bent gekomen, heeft je angst opgedrongen, want angst is het tegenovergestelde van vrijheid. Hoe meer angst je in je draagt, hoe kleiner de kans op vrijheid. Hoe meer angst er is, hoe kleiner de kans op rebellie.
De maatschappij, de kerk, de staat: ze willen allemaal dat iedereen in een toestand van voortdurende angst verkeert: angst voor het bekende, angst voor het onbekende, angst voor de dood, angst voor de hel, angst om de hemel te missen, angst om geen naam te maken in de wereld, angst om gewoon niemand te zijn. Iedereen om je heen schept vanaf je geboorte angst. Geen enkel kind wordt met angst geboren. Elk kind wordt geboren met vrijheid, twijfel, rebellie, individualiteit, onschuld – allemaal geweldige eigenschappen. Maar het is hulpeloos, afhankelijk.
Maar als je volwassen bent, kun je het inzien – je kunt proberen de ui laag voor laag af te pellen – hoe angsten in je zijn gecreëerd, hoe goedgelovig je bent geweest, hoe mensen misbruik hebben gemaakt van je onschuld. De priester wist helemaal niets van God, toch heeft hij je misleid en gedaan alsof hij God kende. Hij had geen idee van hemel en hel, maar toch dwong hij je bang te zijn voor de hel en te streven naar de hemel. Hij creëerde hebzucht, hij creëerde angst. Hij was zelf een slachtoffer van anderen. Nu kun je terugkijken: je vader was zich er niet van bewust wat hij je leerde, wat hij tegen je zei.
Osho: The Last Testament, deel 3 #23
Image by ReligionsInTheRaw.blogspot.com from Pixabay



