1001 verhalen

De zenmeester in de wagen

Wie heel vriendelijk is kan evengoed vriendelijk als onvriendelijk zijn.

Ik heb eens gehoord van een zenmeester die samen met een vrouw en haar kind in een wagen reed. Het sneeuwde heel erg en het was die ochtend heel erg koud, geen zon aan de hemel, het was bewolkt. De meester begon te bevriezen en de vrouw in de wagen ook. Hij zag dat ze geleidelijk aan blauw werd en buiten bewustzijn begon te raken. Dus nam hij het kind weg, duwde de vrouw uit de wagen en reed verder.

De vrouw was geschokt. Ze was daar achtergelaten in de vallende sneeuw, haar kind was van haar afgenomen – wat was dit voor man? En hij had de wagen ook nog meegenomen.
Ze begon te rennen en te schreeuwen en te vloeken – en door al dat rennen en vloeken en schreeuwen en gillen was ze binnen een halve mijl helemaal in orde!
Toen hield de meester de wagen stil, liet haar weer binnen en zei: ‘Nou is het goed. Ik moest dat wel doen, anders was je doodgegaan.’

Soms moet je niet vriendelijk kunnen zijn. Wie heel vriendelijk is kan evengoed vriendelijk als onvriendelijk zijn. Wie heel vriendelijk is moet ook hard kunnen zijn.
Als je vriendelijk bent omdat je niet anders kan, dan is het geen kracht, maar zwakheid.
Als je niet op een andere manier kunt handelen, betekent het gewoon dat je vast zit, je bent niet vloeiend.

Soms moet je wel hard zijn…
Soms betekent heel vriendelijk zijn dat je ook onvriendelijk kunt zijn. Als je niet onvriendelijk kunt zijn, dan stelt je vriendelijkheid niet zoveel voor. Het is gecultiveerd. Het komt niet uit voort uit bewustwording.

Osho: Tao: The Pathless Path – Talks on Extracts from ‘The Book of Lieh Tzu’, Vol. 2, p. 238-239.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti.
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com. 

Vorige verhalen


Boeddha en een handvol dorre bladeren

 


Iemand vraagt aan Boeddha: ‘Bestaat God?’

 


De waterput waar iedereen gek van werd

 


De man die aan de wortels van de boom hing

 


Wat gebeurt er allemaal in dat klooster?

Boeddha en een handvol dorre bladeren

Op een dag kwam er een groot filosoof bij Boeddha. Boeddha zat onder een boom. Die man, Boeddha, moet vast een groot liefhebber van bomen zijn geweest. Hij werd verlicht onder een boom – hoewel het niet zo uitzonderlijk is om verlicht te worden onder een boom; dat is vaak gebeurd. Maar het zal je wel verbazen dat Boeddha ook onder een boom geboren is. En hij is ook onder een boom gestorven. Hoewel Boeddha een koningszoon was, is hij niet in een paleis geboren. Zijn moeder was op reis toen ze bij een tuin aankwamen en zij plotseling de weeën voelden komen. Ze kon nergens heen dus stapte ze uit, ging onder een boom staan en Boeddha kwam ter wereld. Later werd hij onder een boom verlicht en toen hij op sterven lag ging hij weer onder een boom liggen om daar te sterven.

Hij was vast een groot liefhebber van bomen. Vijfhonderd jaar lang bleef de boom zijn symbool. Vijfhonderd jaar lang werd er geen beeld van hem gemaakt – er werden alleen bomen geschilderd. Bomen werden in tempels geplaatst en de mensen aanbaden de bomen. Dat had in zekere zin iets heel moois. Ik wil je er nogmaals op wijzen, de boom staat symbool voor de religie, omdat hij groeit. En hij groeit vanuit zijn binnenste kern.

Boeddha zat onder een boom en deze grote filosoof stelde hem de vraag: ‘Hebt u nu alles verteld wat u te zeggen had?’
Boeddha was al heel oud, bijna tachtig jaar, en binnen een paar maanden zou hij er niet meer zijn. De grote filosoof was van heel ver gekomen om te vragen of hij alles verteld had wat hij wist. Toen pakte Boeddha een paar dorre bladeren op en vroeg de filosoof: ‘Wat denkt u? Hoeveel bladeren heb ik in mijn hand? Zijn het er meer dan alle dorre bladeren in dit bos?’
De paden, het hele bos, alles lag bezaaid met dorre bladeren. De wind waaide hier en daar en de dorre bladeren maakten veel lawaai en veel muziek.

De filosoof keek en zei: ‘Wat is dat nou voor een vraag? Hoe kunt u nou meer bladeren vastpakken? U hebt er maar een paar, hooguit een dozijn, en er zijn wel miljoenen bladeren hier in het bos.’
Toe zei Boeddha: ‘Onthoud het dan. Wat ik verteld heb is niet meer dan de paar bladeren in mijn hand. En wat ik niet verteld heb is als de dorre bladeren in dit bos.’
De filosoof zei: ‘Dan nog een vraag. Waarom heeft u dat niet verteld?’ Boeddha zei: ‘Omdat het u niet zal helpen om nirvana te bereiken, het zal u niet helpen om te mediteren. Daarom heb ik het niet verteld. En bovendien kun je het niet vertellen. Ook al had ik het gewild, je kunt het niet vertellen. Je zult het moeten ervaren om het te weten. Het is een kwestie van ervaring, het is iets existentieels.’

De meester zegt alleen iets als hij het gevoel heeft dat het je verlichting zal bevorderen. De meester zegt alleen iets als hij het gevoel heeft dat je er klaar voor bent om te ontvangen. De meester zegt alleen iets als hij ziet dat er helderheid is en je er open voor staat, dat er transparantie is en dat je er klaar voor bent om het, in diepe nederigheid en dankbaarheid, te aanvaarden. Je bent geen ruziezoeker, je staat niet klaar om te discussiëren en te debatteren. Alleen als er veel sympathie is, veel liefde, als de discipel in rapport is met de meester, kunnen deze dingen overgebracht worden. Dit zijn delicate zaken.

Osho: Tao: The Pathless Path – Talks on Extracts from ‘The Book of Lieh Tzu’, Vol. 2, p. 23  238.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti.
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com. 
Image by Gerd Altmann from Pixabay

Vorige verhalen


Iemand vraagt aan Boeddha: ‘Bestaat God?’

 


De waterput waar iedereen gek van werd

 


De man die aan de wortels van de boom hing

 


Wat gebeurt er allemaal in dat klooster?

 


De kip die naar het zuiden ging

 

Iemand vraagt aan Boeddha: ‘Bestaat God?’

Al is het dezelfde vraag, het antwoord kan niet hetzelfde zijn.

Het gebeurde elke dag wel met Boeddha. De ene vroeg: ‘Bestaat God?’ en dan zei hij ‘Nee.’ En de ander vroeg: “Bestaat God?’ en dan zei hij: ‘Ja.’ En nog iemand anders vroeg: ‘Bestaat God?’ en dan zei hij niets. En weer iemand anders vroeg: ‘Bestaat God?’ en dan zei hij: ‘Stel niet van die onzinvragen.’ Op één dag gaf hij duizend-en-een antwoorden op dezelfde vraag.

Zijn hoofddiscipel Ananda maakte zich daar veel zorgen over. Hij zei: ‘Meester, de vraag is steeds hetzelfde, maar het antwoord is zo tegenstrijdig dat we in verwondering, in verwarring achterblijven.’ Boeddha zei: ‘Ik had het niet tegen jou, dus hoef je er niet naar te luisteren. Iemand heeft een vraag gesteld en hij heeft een antwoord gekregen, niet jij. Iedereen die vroeg was anders, de tijd was anders, de situatie was anders – hoe kan de vraag dan dezelfde zijn?

De ene die ‘Bestaat God?’ gevraagd had was atheïst. Hij geloofde niet in God. Ik moest wel ja tegen hem zeggen, ik moest hem wel door mekaar schudden, schokken. Ik moest hem wel uit zijn ideologie halen, dus moest ik wel ja zeggen. Maar niet omdat God bestaat – het was een respons op die man zijn realiteit. Toen vroeg iemand anders ‘Bestaat God’?’ en moest ik wel nee zeggen omdat hij een gelovige was en in God geloofde. Ik moest hem ook door mekaar schudden en schokken om hem uit zijn slaap te wekken. Als ik ja tegen hem had gezegd, was hij terug naar huis gegaan met het idee dat ik het met hem eens was, dat ik ook net zo geloofde als hij. Dan zou zijn ideologie versterkt geweest zijn en elke versterkte ideologie is een gevaar. Alle ideologieën moeten verbrijzeld worden, tot de grond toe verbrijzeld, zodat de mind helemaal vrij komt van ideologieën.

Tegen iemand anders moest ik wel stil blijven, hij was theïst noch atheïst. Zijn vraag was heel eenvoudig en onschuldig. Hij had geen ideologie, dus hoefde ik hem niet te schokken. Het was echt een heel stille man, dus bleef ik ook stil. En hij begreep het. Hij begreep het idee dat je over vragen over God stil moet zijn. Het zijn zinloze vragen, er valt daar niets over te zeggen.’

Osho: Tao: The Pathless Path – Talks on Extracts from ‘The Book of Lieh Tzu’, Vol. 2, p. 231-233.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti.
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com.

Vorige verhalen


De waterput waar iedereen gek van werd

 


De man die aan de wortels van de boom hing

 


Wat gebeurt er allemaal in dat klooster?

 


De kip die naar het zuiden ging

 


Bayazid kwam een stapel doodshoofden tegen

De waterput waar iedereen gek van werd

Elk ding heeft zijn eigen ziel. Elk individu is uniek. Dat is de Tao visie.

Er is een verhaal van Kahlil Gibran.
Een magiër kwam in een stad aan en gooide wat medicijnen in de waterput van de stad. Hij zei dat iedereen die uit deze put dronk gek zou worden. Er waren maar twee waterputten in de stad: één voor de gewone man en één voor de koning. Tegen de avond was iedereen gek geworden. Ze moesten wel uit de put drinken, ook al wisten ze dat ze gek zouden worden, omdat het de enige put was die tot hun beschikking stond. Het was een zomerse dag, heet, en ze probeerden wel niet te drinken, maar hoe lang hou je dat vol? Geleidelijk aan gaven ze het op. Tegen de avond was de hele stad gek geworden.

De koning was heel blij. Vanaf zijn paleisterras keek hij rond en zei tegen zijn eerste minister: ‘We zijn God dankbaar dat we een aparte waterput hebben, anders waren we ook gek geworden. De hele stad is gek geworden.’
Mensen stonden te dansen, te zingen, te springen, te schreeuwen, te gieren. Het was gewoon ongelooflijk, de hele stad. Wat was er toch gebeurd?  Het was een nachtmerrie. Mensen deden van alles wat ze nog nooit eerder gedaan hadden.

Maar binnen een paar uur was die blijheid de koning wel vergaan, want de mensen kwamen naar het paleis en ze begonnen te schreeuwen dat de koning gek geworden was. Het leger van de koning was ook in de stad en die werden gek, net als zijn lijfwacht en zijn bedienden. Alleen de koning, de koningin en zijn eerste minister, drie personen, bleven er nog over. Wat kun je nu uitrichten tegen een hele stad die gek geworden is?

De koning sloeg de angst om het hart en hij zei: ‘Wat moeten we nou?’
De eerste minister zei: ‘Er is maar één ding dat we kunnen doen. Ik zal proberen om ze een paar minuten op te houden. Jullie gaan rennen en drinken uit de put. Anders kan het niet. Ga nou gauw.’
De koning ging, dronk van de put en toen hij terugkwam stond hij te dansen. De massa begon uitzinnig te roepen: ‘God zij dank. Wat zijn we God dankbaar. De koning is weer bij zinnen!’

Wie is er normaal? Wat is de norm? En hoe bepaal je dat? De massa – veel mensen zijn zo, is dat dan normaal? Maar de hele massa kan gek zijn… Als de hele massa gek is, lijkt de verstandige mens wel gek… Hoe weet je of iedereen niet gek is? Wat buitengewoon is lijkt wel gek; wat algemeen is lijkt wel de norm te zijn…
Maar wat is het criterium? Wat voor maatstaf neem je? Norm betekent maatstaf. Maar hoe bepaal je wat normaal is?

Is Boeddha normaal? Is Jezus normaal? Voor de mensen waar hij tussen woonde was Jezus niet normaal. Ze hebben hem vermoord omdat hij abnormaal was, omdat hij het had over dingen waar je het niet over moest hebben. Socrates – was hij normaal? Athene heeft hem vergiftigd omdat hij abnormaal was. Als je door de eeuwen heen kijkt waren alle grote mensen abnormaal. Wat gewoon is lijkt normaal te zijn.



Lao Tse wil het criterium vernietigen. Hij wil je vertellen dat er geen criterium is waar je mee kunt oordelen. Elk individu is uniek – dat is de Tao visie. Elk individu is zo uniek, zo onvergelijkbaar uniek, dat je op geen enkele manier kunt oordelen wie er nu normaal is en wie abnormaal. Kijk eens naar de vrijheid die Tao geeft – je kunt alleen zeggen dat mensen verschillend zijn: niemand is normaal, niemand is abnormaal. Mensen zijn gewoon verschillend. Als je eenmaal door hebt dat mensen verschillend zijn, laat je het voor het eerst het idee van minderwaardigheid en meerderwaardigheid vallen…

Nee, wat klein is, is klein en wat groot is, is groot, er valt niets te vergelijken. Het kleine is mooi in zijn kleinheid, het grote is mooi in zijn grootte. Het grote zit dicht bij de wolken, het kleine zit dicht bij de aarde. Het grote geniet van grootte, het kleine geniet van kleinheid – wat is daar verkeerd aan?
Niets is verkeerd – dat is de taoïstische visie. Alles is goed zoals het is.

Vergelijking komt uit het menselijke brein. Vogels zijn vogels, ze maken zich er niet druk om waarom ze geen dieren zijn. Een roos is een roos, de roos maakt zich er niet druk om waarom ze geen lotus is. Daarom zijn ze niet neurotisch. Anders zou een roos neurotisch worden omdat ze geen lotus is, en de lotus zou neurotisch worden omdat hij geen roos is. En zou het kleine struikje ergens op de sofa van een of andere psychiater belanden omdat het geen Ceder van Libanon is.

‘Waarom? Waarom ben ik niet een Ceder van Libanon? Waarom heeft God me zo klein gemaakt, gewoon een struikje? Om wat voor karma moet ik lijden?’ Het zal een of andere filosofie bedenken als troost: ‘Ik heb in mijn vorige leven slecht karma opgebouwd, vandaar.’

Allemaal onzin! Alle theorieën zijn onzin! Je hebt ze nodig omdat je onzinvragen stelt. En dan moet iemand wel onzinantwoorden gaan geven. Er is een economische wet: waar een vraag is, is een aanbod. Als jij een onzinnige vraag stelt, krijg je van een of andere goochemerd een onzinnig antwoord.

Het is heel simpel. De dingen zijn zoals ze zijn. De dingen zijn verschillend, dat is zeker, maar ze zijn niet ongelijk. Laat me het nog eens zeggen: de dingen zijn verschillend, maar ze zijn niet ongelijk. Alles is uniek. Je kunt nergens ter wereld een blad vinden dat op een ander blad lijkt . Je kunt nergens ter wereld een steentje vinden dat op een ander steentje lijkt. Nee, er is niets wat op elkaar lijkt, maar niets is ongelijk. Elk ding bestaat op zijn eigen manier.

 

Dat is wat het gezegde betekent dat elk ding zijn eigen ziel heeft. Dat unieke is wat de ziel wil zeggen. Dat unieke is de betekenis van het gezegde: ‘Een mens heeft een ziel.’ Het laat gewoonweg zien dat hij uniek is. De boom heeft een ziel. Het laat zien dat hij uniek is. De berg heeft een ziel. Het laat gewoon zien dat hij uniek is. Er is niets wat daarop lijkt.

Osho: Tao: The Pathless Path – Talks on Extracts from ‘The Book of Lieh Tzu’, Vol. 2, p. 163 – 167.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti.
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com

Vorige verhalen


De man die aan de wortels van de boom hing

 


Wat gebeurt er allemaal in dat klooster?

 


De kip die naar het zuiden ging

 


Bayazid kwam een stapel doodshoofden tegen

 


Een discipel bang in het donker

De man die aan de wortels van de boom hing

Als je in het moment kunt leven, smaakt dat ongelooflijk zoet.

Er is een prachtige boeddhistische parabel met vele betekenissen. Alle betekenissen zijn mooi, maar probeer hem vandaag op een bepaalde manier te begrijpen.
Er rent een man door een bos die probeert te ontkomen aan een leeuw die hem op zijn hielen zit. Hij komt bij een afgrond. Hij kan geen kant meer op, dus hij stopt. Heel eventjes weet hij niet wat hij moet doen. Hij kijkt naar beneden. Het is een heel diep dal, een diepe afgrond. Als hij springt is hij er geweest. Maar misschien ligt daar toch een mogelijkheid voor hem – wonderen gebeuren tenslotte. Maar dan kijkt hij nog eens goed en daar, diep in het dal beneden, staan er nog twee leeuwen, omhoog te kijken. Dus die kans is verkeken.

De leeuw komt dichterbij en brult, de man kan hem horen brullen. De enige kans voor hem is om aan de wortels van een boom te gaan hangen die boven het dal uitsteken. Hij kan niet springen of op de rand van de afgrond blijven staan, dus klampt hij zich vast aan de wortels van de boom. De wortels zijn erg broos en hij is bang dat ze elk moment af kunnen breken. Dat niet alleen, de avond is heel koud, de nacht valt en de zon gaat onder. En hij heeft zulke koude handen dat hij vreest dat hij het niet zo lang vol zal kunnen houden. De wortels beginnen al uit zijn handen te glippen. Ze zijn bevroren. De dood is onontkoombaar. Hij kan er elk moment zijn.

Dan kijkt hij omhoog. Twee muizen zijn bezig de wortels van de boom door te kauwen. De ene is wit en de ander zwart, het symbool van dag en nacht, het symbool van de tijd. De tijd raakt snel op en de twee muizen die door de wortels heen kauwen zijn echt heel goed bezig. Ze zijn er bijna doorheen, ze zijn bijna klaar – het is al avond en ze moeten ook uit gaan rusten, dus maken ze het gauw af. De wortel kan elk moment van de boom afbreken. De man kijkt weer omhoog en daar zit er een bijenkorf op de boom waar honing uit drupt. Hij vergeet alles en probeert een druppel op zijn tong te vangen en dat lukt hem ook. En dat smaakt ongelooflijk zoet.

Als je in het moment kunt leven, smaakt dat ongelooflijk zoet. Het is echt heel mooi … Zo moet je leven, dit is de enige manier om te leven – anders leef je niet. Elk moment … zo zit het in elkaar.

Het is echt een heel existentiële parabel. Jij bent de man die aan de wortel van de boom hangt, met de dood overal om je heen, en de tijd die op begint te raken. De dood kan je elk moment overvallen en dan ben je weg. Wat moet je nou? Je druk maken over het verleden? Je druk maken over de toekomst? Je druk maken over de dood? Je druk maken over de tijd? Of van dit moment genieten?

Osho: Tao: The Pathless Path – Talks on Extracts from ‘The Book of Lieh Tzu’, Vol. 2, p. 92 – 94.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti.
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com

Vorige verhalen


Wat gebeurt er allemaal in dat klooster?

 


De kip die naar het zuiden ging

 


Bayazid kwam een stapel doodshoofden tegen

 


Een discipel bang in het donker

 


Boeddha, Confucius en Lao Tzu – en het levenssap

Wat gebeurt er allemaal in dat klooster?

Mensen op zoek naar hun diepste wezen.

Ooit woonde er een groot soefi mysticus, Jalaluddin Rumi, met honderd discipelen van hem samen in een klooster. Er kwamen een paar reizigers langs. Het klooster lag ver verwijderd van alle steden, zelfs van alle wegen, maar mensen raakten geïnteresseerd. Nieuwsgierige mensen kunnen overal heen, ze gaan zelfs naar de maan. Nieuwsgierige mensen zijn nu eenmaal nieuwsgierig, ze kunnen overal heen. Ze werden nieuwsgierig en ze gingen erheen. Het lag ver van de bewoonde wereld, van de weg af, maar ze namen de moeite om er helemaal heen te reizen en ze kwamen in de woestijn aan.
De deuren waren niet dicht -want het was nooit bij Rumi opgekomen dat er iemand van zo ver zou komen- dus ze konden zien wat er zich binnen allemaal afspeelde…

De ene was hard aan het lachen, waanzinnig, de ander danste, iemand zong, iemand stond op zijn hoofd, mensen waren met duizend-en-één dingen bezig – en Jalaluddin Rumi zat gewoon overal midden tussenin, stil, met zijn ogen dicht.
Dus dachten ze; ‘Wat is hier aan de hand? Zijn die mensen gek geworden? Wat doen die krankzinnigen hier? En wat doet deze man? Hij zit gewoon, met zijn ogen dicht. Hij moet die mensen tegenhouden. Het is gevaarlijk, straks gaan ze over de schreef.’
En de een ging als een maniak tekeer en de ander bonkte tegen de muur en er gebeurde van alles.  Ze werden er erg bang van. Ze werden er zo bang van dat ze weggingen.

Maar na een jaar kreeg de nieuwsgierigheid hen weer te pakken en ze dachten: ‘We moeten weer eens gaan kijken wat er nu gebeurt. Het is vast veel erger geworden. Of ze hebben die Jalaluddin Rumi onderhand vermoord, want hij zat daar midden tussenin, of ze hebben vast zelfmoord gepleegd… er zijn vast moorden gepleegd!’ Dus gingen ze opnieuw op weg. Ze konden hun ogen niet geloven: ze zaten allemaal in stilte.

 

Alleen Jalaluddin Rumi was aan het dansen.
Wat is er dan gebeurd? Alles is helemaal veranderd. Ze dachten: ‘Het lijkt wel of deze man de waanzin van iedereen heeft opgenomen, zodat ze allemaal stil zijn geworden en hij danst.’ Maar deze toestand was nog erger, want ze dachten dat hij tenminste nog bij zinnen was geweest, nu was hij ook waanzinnig geworden. Ze kregen medelijden met de man. Ze dachten: ‘Het is eigenlijk heel logisch. Die man is vast gek geworden van al die waanzinnigen om hem heen.’ Ze gingen weg.

Maar na een jaar kreeg de nieuwsgierigheid hen weer te pakken en ze zeiden: ‘We moeten weer eens gaan kijken wat er nu aan de hand is.’ 
Dus gingen ze erheen. Er was niemand, alleen Jalaluddin Rumi zat er in zijn eentje – de hele groep was verdwenen. Dat was nou het toppunt. Wat was er gebeurd? Ze werden heel erg nieuwsgierig.
Ze gingen naar Jalaluddin Rumi en zeiden: ‘We willen graag weten wat er gebeurd is. Waar zijn al die dwazen? Wat is er met hen gebeurd? En waarom zit u hier alleen?’

En Jalaluddin Rumi zei: ‘Het werk is gedaan. Nu zijn ze de wijde wereld in getrokken om andere dwazen te zoeken, om hen te helpen. Het werk is afgerond.’
Toen vroegen ze: ‘Waarom was u aan het dansen toen we vorig jaar langskwamen?’
Hij zei: ‘Ik danste omdat ik zo blij was dat mijn discipelen het bereikt hadden. Het was gevaarlijk, het was heel zwaar om die krankzinnigheid, die ze in de loop van de eeuwen hadden opgebouwd, er uit te laten, maar het waren echt heel capabele mensen. Ik was blij, daarom danste ik. Nu zijn ze op zoek naar andere waanzinnigen. Nu gaan ze honderd kloosters over de hele wereld stichten.’

Jalaluddin Rumi. Mevlana (geliefde meester) genoemd door zijn discipelen.

Osho: Tao: The Pathless Path – Talks on Extracts from ‘The Book of Lieh Tzu’, Vol. 1, p. 332 -334.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti.
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com.

Vorige verhalen


De kip die naar het zuiden ging

 


Bayazid kwam een stapel doodshoofden tegen

 


Een discipel bang in het donker

 


Boeddha, Confucius en Lao Tzu – en het levenssap

 


De discipel die als taak kreeg op 1000 koeien te passen

De kip die naar het zuiden ging

Een prachtige parabel: Overal langs de gevelspitsen op het boerenerf zaten de zwaluwtjes op een rij, nerveus tegen elkaar te tsjilpen, van alles te vertellen, terwijl ze alleen maar aan de zomer en het zuiden dachten, want de herfst zat eraan te komen en de noordenwind zat in de wacht. En op een goede dag waren ze plotseling allemaal helemaal verdwenen. En iedereen had het over de zwaluwen en het zuiden.
‘Ik denk dat ik volgend jaar ook maar naar het zuiden ga,’ zei een kip.
En het jaar sleepte zich voort en de zwaluwen kwamen weer terug. Het jaar sleepte zich voort en ze zaten weer op de gevelspitsen en het pluimvee had het maar over het vertrek van de kip.


Toen de wind heel vroeg op een ochtend uit het noorden waaide, stegen de zwaluwen allemaal plotseling op en voelden de wind in hun vleugels. En er kwam een kracht over hen en een vreemde oude wetenschap en een bovenmenselijk vertrouwen. Ze stegen hoog op en lieten de rook van onze steden achter zich.
‘Ik denk dat de wind zo ongeveer wel goed is,’ zei de kip en ze spreidde haar vleugels uit en rende het kippenerf uit. En fladderend rende ze de weg op en liep een eindje verder, tot ze bij een tuin aankwam. Tegen de avond kwam ze hijgend terug.


En in het kippenerf vertelde ze het pluimvee hoe ze naar het zuiden was gegaan, zo ver als de grote weg, waar ze het verkeer van de grote wereld voorbij had zien komen. En ze was akkers tegengekomen waar de aardappelen groeiden en ze had de stoppels gezien waar de mensen op wonen. En aan het eind van de weg had ze een tuin gevonden en daar waren rozen, prachtige rozen, en de tuinman zelf was daar.
‘Wat ontzettend interessant,’ zei het pluimvee. ‘En wat heb je dat prachtig beschreven!’
En de winter sleepte zich voort en de bittere maanden gingen voorbij en de lente diende zich aan en de zwaluwen keerden weer terug.
Maar het pluimvee was het er niet mee eens dat er een zee was in het zuiden.
‘Jullie moeten onze kip eens horen!’ zeiden ze.

Nu was de kip de weter geworden. Zij weet wel wat er in het zuiden is, terwijl ze het dorp nog niet eens uit geweest – gewoon een eindje de straat uit.

Osho: Tao: The Pathless Path – Talks on extracts from ‘The Book of Lieh Tzu, Vol. 1, p. 20 -21.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti.
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com
Image by Jerzy from Pixabay

Vorige verhalen


Bayazid kwam een stapel doodshoofden tegen

 


Een discipel bang in het donker

 


Boeddha, Confucius en Lao Tzu – en het levenssap

 


De discipel die als taak kreeg op 1000 koeien te passen

 


De koning die de dood probeerde te ontlopen

Bayazid kwam een stapel doodshoofden tegen

Drie manieren van horen.


Er gaat een verhaal over de soefi mysticus Bayazid.
Hij liep eens over een begraafplaats en kwam daar een stapel doodshoofden tegen. Uit nieuwsgierigheid pakte hij een doodshoofd op. Hij was altijd van mening geweest dat alle doodshoofden heel erg op elkaar leken, maar dat deden ze niet. Bij sommige doodshoofden waren de oren met elkaar verbonden, er was een doorgang. Bij een paar doodshoofden waren de oren niet met elkaar verbonden, er zat een barrière tussen. En er waren een paar doodshoofden waarvan beide oren met het hart verbonden waren, maar niet met elkaar. Er liep een doorgang naar het hart.

Hij stond er helemaal verbaasd van te kijken. Hij bad en vroeg aan God: ‘Wat is hier aan de hand? Wat probeert u mij te openbaren?’ En ze zeggen dat hij een stem hoorde.
God zei: ‘Er zijn drie soorten mensen. De ene hoort door één oor, dat leidt nergens toe. In feite horen ze niet, de klank vibreert gewoon en verdwijnt weer. Dan heb je een ander type, die wel horen, maar alleen heel eventjes. Bij hen gaat het het ene oor in en het andere weer uit, het gaat weer verloren in de wereld.

Je hebt natuurlijk een paar zielen die door de oren horen en dat gaat door naar het hart.
En God zei: ‘Bayazid, ik heb je hier bij deze stapel doodshoofden gebracht gewoon om je daar aan te herinneren wanneer je mensen toespreekt. Spreek alleen voor degenen die alles wat je zegt ter harte nemen. Verder moet je geen energie verspillen en geen tijd verspillen. Je leven is kostbaar: je hebt een boodschap over te brengen.’

Osho, The Discipline of Transcendence – Discourses on the Forty-two Sutras of Buddha, Vol. 4, p 305.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti.
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com
Afbeelding: esp.rt.com.

Vorige verhalen


Een discipel bang in het donker

 


Boeddha, Confucius en Lao Tzu – en het levenssap

 


De discipel die als taak kreeg op 1000 koeien te passen

 


De koning die de dood probeerde te ontlopen

 


De jonge duivel en Jezus

Een discipel bang in het donker

Wees een licht voor jezelf.


Een discipel ging weg bij de meester. Het was al laat geworden en het was heel donker. De discipel zag er een beetje tegenop, want hij moest vijf mijl door een dicht bos gaan om bij zijn dorp te komen.
De meester zag die angst. Hij zei: ‘Ben je bang in het donker?’
De discipel zei: ‘Ja, ik ben bang in het donker, maar ik kon niet de moed verzamelen om dat te uiten.’
De meester zei: ‘Wees maar niet bang.’
En de meester stak een kaars aan, gaf de kaars aan de discipel en zei: ‘Zo lukt het wel. Ga maar.’
Toen de discipel de deur uit ging blies de meester ineens de kaars uit.
De discipel zei: ‘Ik begrijp niet waarom u dat doet. U heeft net met zoveel mededogen die kaars voor me aangestoken. Waarom doet u nu zo wreed? Waarom heeft u hem uitgeblazen?’
De meester moest lachen. Hij zei: ‘Aan die kaars van mij zal je niet veel hebben.’

Kennis is wat niet op je eigen ervaring is gebaseerd, wijsheid is wat op je eigen ervaring is gebaseerd. Vertrouw alleen op wat je hebt ervaren. 
Boeddha heeft gezegd: Appo deepa brava: ‘Wees een licht voor jezelf.’

Osho: The Discipline of Transcendence – Discourses on the Forty-two Sutras of Buddha, Vol. 4, p. 279-280.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti.
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com

Vorige verhalen


Boeddha, Confucius en Lao Tzu – en het levenssap

 


De discipel die als taak kreeg op 1000 koeien te passen

 


De koning die de dood probeerde te ontlopen

 


De jonge duivel en Jezus

 


Baal Shem’s parabel: twee mannen op het slappe koord

Boeddha, Confucius en Lao Tzu – en het levenssap

Er gaat niets boven het leven. Je bent religieus als je het leeft.

Ik heb eens een prachtig verhaal gehoord.
Boeddha, Confucius en Lao Tse –het waren tijdgenoten- zaten samen in een restaurant in het paradijs gewoon wat te babbelen. Wat moet je anders doen in het paradijs? Iedereen is al wijs, er valt niets te onderrichten. Je kunt alleen maar babbelen, een beetje roddelen, een beetje kletsen.
Terwijl ze daar zo zaten te babbelen kwam er een prachtige naakte vrouw, met een prachtige karaf vol met wijn, bij hen staan en zei: ‘Dit is levenssap, willen jullie een beetje?’

Boeddha deed meteen zijn ogen dicht. Ten eerste, een naakte vrouw…. Hij heeft zijn discipelen niet eens toegestaan om ook maar naar een vrouw te kijken die perfect gekleed gaat – en in India gaat de vrouw perfect gekleed. Je kunt je geen voorstelling maken van wat voor figuur achter de sari schuil gaat – onmogelijk! In zekere zin is dat iets goeds, je kunt alleen het gezicht zien. De sari geeft een geweldige bescherming, al het andere kan best lelijk zijn. Het lichaam heeft misschien niet de juiste proporties.
Een naakte vrouw, zo mooi… met precies de juiste proporties om tot Miss Universe, tot schoonheidskoningin te worden gekozen. En zij liep rond met het levenssap, en hij leerde zijn discipelen om het leven te verloochenen en hij heeft zelf het leven verloochend.
Hij voelde een grote beroering van binnen – misschien toch wel de moeite van het proeven waard? Maar om nou tegen zijn eigen filosofie in te gaan, en dan nog wel tegenover Confucius en Lao Tse. Nee, dat ging tegen zijn ego in. Hij is de opperste Boeddha en hij kan toch niet van zijn voetstuk vallen vanwege een naakte vrouw met een karaf met levenssap.

Confucius was een heel praktisch iemand. Hij keek de vrouw van top tot teen aan en zei: ‘Perfect geproportioneerd.’ Hij was een heel praktisch iemand, misschien de enige praktische meester in de hele geschiedenis, heel pragmatisch. En hij zei: ‘Geef die karaf maar hier. Ik kan hem niet helemaal opdrinken want ik weet niet waar het leven naar smaakt. Maar ik neem wel gewoon een slokje, gewoon om te ervaren wat ik gemist heb, of ik wel of niet iets heb gemist.’
Hij nam een slokje en gaf de karaf terug. Hij zei: ‘Dat smaakt bitter.’
Het moet wel bitter smaken voor iemand die zijn leven lang veroordeling heeft uitgegoten over het leven, miljoenen mensen heeft vergiftigd, ze ervan overtuigd heeft om niet te leven. De bitterheid zit hem niet in het sap, maar zit hem in de tong van Confucius. Zijn tong is bitter geworden van al die veroordeling, haat.

Lao Tse was totaal iemand anders. Hij stond op, raakte de vrouw aan, verkende haar hele landschap en zei: ‘Helemaal gaaf zeg! Geef me nou die karaf maar.’
En hij dronk de hele karaf leeg.
En hij zei tegen Confucius: ‘Om de zoetheid van het levenssap te kennen moet je eerst je tong schoonmaken.’
Tegen Boeddha zei hij: ‘Je kunt nu je ogen wel open doen. Die vrouw is weg en het levenssap is ook weg. Ik heb alles opgedronken.’

Dit is nou de man die ik wil dat jullie worden.
Wat er ook binnen je bereik komt, leef het totaal.

Osho: From Death to Deathlessness – Answers to the Seekers of the Path, p. 279.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti.
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com
Afbeelding:: i.pinimg.com.

Vorige verhalen


De discipel die als taak kreeg op 1000 koeien te passen

 


De koning die de dood probeerde te ontlopen

 


De jonge duivel en Jezus

 


Baal Shem’s parabel: twee mannen op het slappe koord

 


De dichter, de mysticus en de maan