1001 verhalen

De discipel die als taak kreeg op 1000 koeien te passen

De nieuwe mens, hij zal compleet zijn, heel, net zo goed thuis in de buitenwereld als in de binnenwereld, wetenschapper en mysticus tegelijk.

In de Oepanishaden staat een verhaal, waar een paar heel mooie existentiële zaken over het leven worden gesteld. Er was eens een oude zoeker naar waarheid, hij heette Uddalak. Zijn zoon was Shvetketu. Hij stuurde zijn zoon naar meesters die in het land als heel bekend stonden, om alles te leren wat maar mogelijk was.

 

De zoon ging in de leer bij deze en dan weer bij gene meester. En vol trots keerde hij terug bij zijn vader, toen hij alles wat hij kon krijgen bereikt had, om te zeggen: ‘Ik heb de taak volbracht.’
Uddalak stond aan zijn raam naar buiten te kijken en zag zijn zoon met veel geschriften terugkomen. En hij kon de trotse blik zien, dat trotse loopje.
Shvetketu kwam binnen en zei tegen zijn vader: ‘Het is me gelukt!’
Uddalak was vast iemand zoals ik. Hij vroeg hem: ‘Heb je jezelf leren kennen?’
Shvetketu zei: ‘Maar nergens in al die scholen heb ik zoiets in de syllabus gezien. Nee, ik weet wel van alles over medicijnen, ik weet van alles over talen, grammatica, ik weet alles over wat daar geleerd wordt. Maar jezelf kennen? Die vraag wordt niet eens gesteld.’
Uddalak zei: ‘Verbrand dan die geschriften maar en ga terug. Kom er maar achter wie je bent, want als je jezelf niet kent, wat is dan al die kennis waard waar je mee opgezadeld zit ? Je bent de kern van de zaak misgelopen.’
Shvetketu voelde zich erg gekwetst en geschokt, want hij was met zoveel trots aan komen zetten en dacht dat zijn vader hem wel zou belonen. In plaats daarvan wordt hij veroordeeld, tot op het bot veroordeeld: ‘Zoveel jaren van je leven heb je verspild. Ga terug!’ Uddalak liet hem niet eens uitrusten.
Shvetketu ging naar de grootste meester die hij was tegengekomen op zijn zoektocht om te leren en zei tegen hem: ‘Mijn vader heeft mij helemaal afgebroken! En hij heeft me teruggestuurd om iets heel simpels. Hij zegt dat al je kennis niets waard is als je jezelf niet kent.’

Als je eigen huis in duisternis is gehuld, wat heb je dan aan de wetenschap dat de hele wereld vol sterren en licht is? Je hebt eerst licht nodig in je eigen huis.

De meester zei: ‘Daar was ik al bang voor, want ik ken jouw vader. In onze jonge jaren waren we discipel van dezelfde meester. Ik was al bang dat dit zou gebeuren. Je ging zo vervuld van trots weg en ik ken jouw vader wel, in geleende kennis is hij niet geïnteresseerd. Hij wil het zelf weten. Geloof interesseert hem niet. Hij heeft zijn hele leven alleen gewerkt aan het bereiken van een zekerheid, aan een ervaring die niet geleend is, die van hemzelf is, authentiek van hemzelf. Ik was al bang dat dit met jou zou gebeuren.’
Shvetketu vroeg: ‘Wat moet ik dan gaan doen?’
De meester zei: ‘Alles wat ik weet heb ik je geleerd. Wat zelfkennis betreft ben ik net zo onwetend als jij. Maar ik kan je wel één suggestie doen. Ik heb honderd koeien in de ashram. Neem jij die koeien maar mee de heuvels in en als het duizend koeien zijn geworden, die kalveren baren… Blijf jij maar in de bergen, vergeet alle kennis die je geleerd hebt. Die heb je daar in feite niet nodig. De koeien zijn in geen enkele vorm van wijsheid geïnteresseerd. Je komt daar zelfs geen andere mensen tegen. Taal heb je niet nodig. Je hebt niets aan grammatica en alle subtiliteiten ervan.’
Shvetketu vroeg: ‘Maar hoe gaat dit me helpen om mezelf te leren kennen?’
De meester zei: ‘Ga nou maar gewoon. Help de koeien om te groeien. Neem ze mee naar versere weiden dieper de bergen in en wacht tot het er duizend zijn geworden. Dan kun je weer terugkomen. En over al het andere zullen we het later wel hebben.’
Meesters hebben hun eigen trucjes. Voor zover ik dit verhaal begrijp weet ik dat de man het wel wist, maar het kon niet verteld worden. Hij schiep een situatie, een trucje.

Shvetketu trok de bergen in. Een paar dagen lang ging zijn hoofd door met alle kennis die het vergaard had, maar wat had het voor zin? De koeien waren gewoon gras aan het kauwen en Shvetketu zat tussen die honderd koeien te wachten tot het er duizend zouden worden.
Er gingen dagen, maanden voorbij. En het is echt een prachtig verhaal, want Shvetketu vergat alles: kennis, taal, rekenen. Dat was nergens voor nodig… geleidelijk aan werd alles nutteloos.
Hij werd bijna zo onschuldig als een koe. Wat moest hij anders doen? Je kent iemand aan zijn gezelschap. Nou, als je jarenlang tussen de koeien leeft, alleen maar luistert naar hoe ze gras kauwen… Hij zat onder een boom op ze te passen. Het werden er duizend.
En hier komt er iets moois: een van de koeien begon tegen Shvetketu te praten en zei: ‘We zijn nu met zijn duizenden, nu is het weer tijd om terug naar huis te gaan. Het lijkt wel of je ook vergeten bent hoe je moet tellen!’ En dat was hij ook echt vergeten.

Hij bracht die koeien weer terug naar het huis van de meester. Andere discipelen stonden ook stomverbaasd over dit experiment. Het zag er zo vreemd uit, dat je, om jezelf te leren kennen, honderd koeien mee de bergen in moest nemen en moest wachten tot het er duizend geworden waren!
De discipelen stonden te kijken: de koeien kwamen eraan. Ze stormden het huis in naar de meester en zeiden: ‘Daar komen duizend koeien aan!’
De meester zei: ‘Nee, duizend en één.’
De discipel zei: ‘Maar u had om duizend gevraagd.’
Hij zei: ‘Ja, dat klopt, maar Shvetketu dan?’ Hij liep gewoon midden tussen de koeien in, zo onschuldig, zo kinderlijk als maar zijn kan.
De discipelen van de meester waren erg opgewonden, want de meester had beloofd: ‘Als Shvetketu terugkomt zullen we het er allemaal wel over hebben. Voorlopig doe je dit maar en later stel je die vraag maar.’

Shvetketu kwam en gaf de koeien over aan de meester en zei: ‘Kan ik nu gaan? Mijn vader is vast al erg oud geworden en ik wil niet dat hij teleurgesteld in mij komt te overlijden.’
De meester zei: ‘Hoe zit het dan met die andere dingen waar we het achteraf over zouden hebben?’
Shvetketu moest lachen. Hij zei: ‘Laat dat maar allemaal zitten! Met koeien samenleven, langzaam, langzaam aan… er was geen opwinding, geen vermaak. Onder bomen zitten wachten, onder bomen niets zitten doen, langzaam, langzaam aan begon er vanzelf een stilte te gebeuren. Ik zat niet te mediteren, maar mediteren gebeurde gewoon met mij. En er kwam een moment dat al mijn gedachten verdwenen, al mijn gevoelens verdwenen – er bleef alleen een zuiver is-heid over.
Ik kon niet eens zeggen: “ik ben,” want er was geen ik. Toen kwam ik erachter dat de grammatica er helemaal naast zit. “Ik” bestaat niet. Het enige wat ik kan uitdrukken is dat ik een zekere ben-heid voelde en ervoer. Niet “ik ben”, maar ben-heid, een diepe existentiële ervaring. Nu weet ik wat mijn vader wilde dat ik wist en valt er nergens meer over te discussiëren.’
De meester zei: ‘Ik wist het wel. Als je dezelfde vraag weer was komen stellen zou dat betekend hebben dat mijn trucje niet had gewerkt. Je hebt mijn zegen om terug naar je vader te gaan.’

Hij kwam weer thuis. De vader was echt heel oud geworden, hij zat op zijn zoon te wachten. Hij kon hem weer vanuit zijn raam aan zien komen en dit is waar hij op had zitten wachten – Shvetketu, zo nederig, zo eenvoudig, zonder geschriften, als een koele bries.
Hij kwam het huis binnen. Je zou kunnen verwachten dat hij verklaard zou hebben: ‘Nu heb ik aan uw verlangen voldaan.’ Nee, hij raakte gewoon zijn vaders voeten aan, kuste zijn voeten, met tranen langs zijn wangen.
De vader zei: ‘Het is dus gebeurd. Nu kan ik in vrede sterven. Ik heb mijn plicht gedaan, ik laat geen onwetende man achter vol met onzinkennis. Ik laat een zuivere ruimte achter me, een wezen, alert, bewust, dat zichzelf kent. En dat is de grootste kennis ter wereld.’

De wetenschap moet de deuren van trucjes opengooien die de religies op slot hebben gehouden. Buiten jou is er een uitgestrekt universum, eindeloos. Je kunt het steeds maar weer blijven verkennen, er komt geen eind aan. Maar er is een groter universum binnen in je, en zo dichtbij, gewoon binnen in je! En die kun je blijven verkennen. Je zal er achter komen wie je bent maar dat is niet alles: die ervaring gaat eindeloos door met zich te verdiepen.

Een mens kan beide zijn, en dat zal de totale mens worden. Ik heb de nieuwe mens op allerlei manieren gedefinieerd, vanuit verschillende ooghoeken. Laten we dit ook opnemen in de definitie ban de nieuwe mens: hij zal compleet zijn, heel, bekend zowel met de buitenwereld als met de binnenwereld. En zo gauw je ze beide leert kennen, kom je erachter dat ze niet met zijn tweeën zijn. Het is dezelfde energie die zich naar twee polen toe uitstrekt. De ene wordt het object, de andere wordt het subject. Ik zou het de wetenschap van het innerlijke willen noemen. En alles wat we vandaag de dag kennen als wetenschap noem ik de wetenschap van het uiterlijke.
Maar het innerlijke en het uiterlijke zijn twee kanten van dezelfde medaille. Het uiterlijke kan zonder het innerlijke niet bestaan, het innerlijke kan zonder het uiterlijke niet bestaan. Dus is er geen onderscheid en is er geen sprake van een brug slaan…

De wetenschappelijke benadering van het bestaan en de religieuze benadering zijn in het verleden gescheiden en onoverbrugbaar geweest. De reden daarvoor was dat religies vasthielden aan bijgeloof, geloofssystemen, ontkenning van onderzoek en twijfel. In feite is er niets onoverbrugbaars tussen wetenschap en religie en is er ook geen scheiding. Maar religie bleef vasthouden aan geloof – wetenschap kan dat niet accepteren.
Geloof verdoezelt je onwetendheid. Het openbaart nooit de waarheid aan je, het geeft je alleen maar dogma’s, geloof, en daarmee kun je een illusie van kennis creëren. Maar die kennis is alleen maar een waanidee. Alles wat op geloof berust is onecht.

De scheiding ontstond omdat religies voortdurend bleven staan op geloven en de wezenlijke methode van de wetenschap bestaat uit twijfel. En ze werd onoverbrugbaar. Het is onoverbrugbaar als religie niet opstaat om de uitdaging van de twijfel aan te nemen. Religies zijn helemaal verantwoordelijk voor het gescheiden houden van beide.
In mijn visie heb je alleen wetenschap met twee dimensies. De ene dimensie benadert de uiterlijke werkelijkheid, de andere dimensie benadert de innerlijke werkelijkheid. De ene is objectief, de andere is subjectief. Hun methoden verschillen niet, hun conclusies verschillen niet. Ze gaan allebei uit van twijfel. Ze hebben twijfel zo veroordeeld dat je vergeten bent hoe mooi het was, je bent vergeten hoe rijk het was.

Een kind wordt geboren, zonder enig geloof, maar met een heel nieuwsgierig, twijfelend, sceptisch bewustzijn. Twijfel is natuurlijk, geloof is onnatuurlijk.
Geloof wordt opgedrongen door ouders, de maatschappij, onderwijssystemen, religies. Al deze mensen staan in dienst van de onwetendheid en ze hebben de onwetendheid duizenden jaren gediend. Ze hebben de mensheid in het duister gehouden en daar hadden ze een reden voor: als de mensheid in het duister verkeert, niets van de werkelijkheid af weet, dan kan ze gemakkelijk uitgebuit worden, in slavernij worden gehouden, om de tuin worden geleid, arm gehouden, afhankelijk. Het ging om al deze dingen.

Het ging de oude religies niet om de waarheid. Ze hadden het er wel over, maar het ging hen erom hoe ze de mensen van de waarheid af konden houden. En tot zover zijn ze erin geslaagd. Maar nu liggen al die religies op hun sterfbed en hoe eerder ze doodgaan, hoe beter.
Waar heb je om te beginnen een religie voor nodig? Je gelooft niet in een roos. Niemand vraagt je: ‘Geloof jij in een roos?’ Dan moet je gewoon lachen en zeg je: ‘Er is hier helemaal geen sprake van geloof. Ik ken de roos wel.’ Kennis heeft geen geloof nodig… Elk geloof geeft je onwetendheid aan, je blindheid, maar het geeft je een vals gevoel – alsof je het wel weet.


Uddalaka of Uddalaka Aruni (ca. 8e eeuw v.Chr.), wordt in het Hindoeïsme als een Vedische wijze geëerd. Hij komt voor in vele Vedische en Sanskriet teksten en zijn leer staat vermeld in de Brihadaranyaka Upanishad en de Chandogya Upanishad, twee van de oudste Oepanishaden geschriften.

Osho: From Death to Deathlessness – Answers to the Seekers of the Path, p. 251-254 en p. 247-248.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti.
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com
Afbeelding: oaks.nvg.org.

Vorige verhalen


De koning die de dood probeerde te ontlopen

 


De jonge duivel en Jezus

 


Baal Shem’s parabel: twee mannen op het slappe koord

 


De dichter, de mysticus en de maan

 

Chuang-tzu ziet een ossenwagen ondersteboven liggen

De koning die de dood probeerde te ontlopen

Waar je ook gaat, de dood zal altijd op je staan te wachten.

Ik heb eens een beroemd verhaal gehoord, een soefi verhaal. Er was eens een koning. Hij droomde ’s nachts van de Dood. Hij werd er bang van. Hij vroeg: ‘Wat is er aan de hand? Waarom maak je mij zo bang?’
De Dood zei: ‘Ik kom je vertellen dat ik je morgen bij zonsondergang kom halen, dus maak je klaar. Het is gewoon uit medelijden, zodat je je kunt voorbereiden.’

De koning was zo geschokt, hij kon er niet meer van slapen. Het was midden in de nacht, hij riep zijn ministers bijeen en zei: ‘Zoek mensen die de droom kunnen interpreteren, want de tijd dringt. Misschien is het wel waar!’
Toen kwamen de droomduiders, maar zoals dat altijd gaat met droomduiders, het waren grote geleerden. Ze kwamen met veel grote boeken aanzetten en ze begonnen te discussiëren, te redetwisten en te argumenteren. En de zon begon op te komen, de morgen brak aan.

Toen kwam een oude man, een groot vertrouweling en dienaar van de koning, naar de koning toe en fluisterde hem in het oor: ‘Doe niet zo dwaas! Deze mensen zullen altijd blijven bekvechten maar ze zullen er nooit uitkomen.’
Nu deed iedereen zijn best om zijn interpretatie door te drukken en de koning was meer dan ooit in verwarring. Daarom vroeg hij aan de oude man: ‘Wat moet ik dan doen?’
Hij zei: ‘Laat ze maar verder discussiëren. Ze komen er toch niet zo gauw uit en de zon zal wel ondergaan, want als hij eenmaal op is gegaan duurt het niet lang meer tot hij ondergaat. Luister liever naar mijn raad en vlucht weg, vlucht in ieder geval weg uit dit paleis. Ga ergens anders heen! Zorg dat u tegen de avond zover mogelijk hier vandaan bent.’

Dat klonk logisch. De koning had een heel snel paard, het snelste ter wereld. Hij maakte zich uit de voeten, hij vluchtte weg. Honderden mijlen had hij afgelegd. Tegen de tijd dat hij een bepaalde stad had bereikt begon de zon net onder te gaan. Hij was heel opgelucht. Hij gaf zijn paard een klopje en zei: ‘Je hebt het heel goed gedaan, we zijn een heel eind gekomen.’
Maar net toen hij zijn paard een klopje gaf voelde hij ineens dat er iemand achter hem stond. Hij keek achterom – precies de schaduw van de Dood. En de Dood moest lachen. Toen zei de koning: ‘Wat is er? Waar moet je om lachen?’

 De Dood zei: ‘Ik maakte me al zorgen omdat het was voorbestemd dat je onder deze boom zou sterven – en ik maakte me zorgen hoe je dat nou voor mekaar zou krijgen. Dat paard van jou is echt geweldig! Hij heeft het goed gedaan. Laat mij je paard ook eens een klopje geven. Daarom verscheen ik in je droom: ik wilde dat je uit het paleis zou ontsnappen, want ik maakte me echt zorgen hoe dat nou zou moeten, hoe je hier zou kunnen komen. Het paleis leek me zo ver weg en er was nog maar één dag te gaan. Maar je paard heeft het goed gedaan, je bent op tijd gekomen.’

Osho: The Discipline of Transcendence – Discourses on the Forty-two Sutras of Buddha, Vol. 3, p. 145-146.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti.
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com
Afbeeldingen:
Koning te paard: i.pinimg.com.
Zonsondergang: androidguys.com.

Vorige verhalen


De jonge duivel en Jezus

 


Baal Shem’s parabel: twee mannen op het slappe koord

 


De dichter, de mysticus en de maan

 

Chuang-tzu ziet een ossenwagen ondersteboven liggen

 


Naropa’s droom over een afgrijselijke vrouw

 

De jonge duivel en Jezus

Een religie is dood als ze eenmaal georganiseerd is.


Laat me je een anekdote vertellen. Een jonge duivel wordt naar de aarde gestuurd om eens rond te kijken hoe de zaken ervoor staan.
Hij keert snel terug naar de hel, met afschuw vervuld, en vraagt een onderhoud aan met Beëlzebub zelf, de opperduivel zelf.
‘Heer,’ sputtert hij, ‘er is iets vreselijks gebeurd! Op aarde loopt er een man met een baard rond, die de waarheid verkondigt en mensen beginnen naar hem te luisteren. Daar moet onmiddellijk iets tegen worden gedaan.’
Beëlzebub glimlacht fijntjes terwijl hij aan zijn pijp lurkt, maar geeft geen commentaar.

‘Heer! U beseft niet hoe ernstig de situatie is,’ gaat de wanhopige jonge duivel verder. ‘Nog eventjes en alles is verloren!’
Beëlzebub haalt langzaam zijn pijp weg, klopt het uit in de asbak en leunt achterover in zijn draaistoel, handen achter zijn hoofd.
‘Maak je maar geen zorgen, jongen,’ is zijn raad. ‘We laten het nog even doorgaan zo en, als het ver genoeg gevorderd is, stappen wij erin om ze te helpen het te organiseren!’

Paus Sylvester II en de duivel in een illustratie van ca. 1460

En als een religie eenmaal georganiseerd is, is ze dood – want je kunt een religie alleen organiseren als je compromissen sluit met de massa. Je kunt een religie alleen organiseren als je de verlangens van het gewone volk volgt.
Je kunt een religie alleen organiseren als je bereid bent om politiek te bedrijven en bereid bent om haar religiositeit te verliezen.

Je kunt een religie alleen organiseren als het geen religie meer is. Dat wil zeggen: je kunt een religie niet als religie organiseren. Eenmaal georganiseerd is het geen religie meer. Een religie blijft in wezen ongeorganiseerd, blijft een beetje chaotisch, blijft een beetje ongeordend – want religie is vrijheid.

Osho: The Discipline of Transcendence – Discourses on the Forty-two Sutras of Buddha, Vol. 3, p. 135-136.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti.
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com
Afbeelding: Wikimedia.

Vorige verhalen


Baal Shem’s parabel: twee mannen op het slappe koord

 


De dichter, de mysticus en de maan

 

Chuang-tzu ziet een ossenwagen ondersteboven liggen

 


Naropa’s droom over een afgrijselijke vrouw

 


De jongen met de kaars

Baal Shem’s parabel: twee mannen op het slappe koord

Blijf steeds in evenwicht.

Op een dag, toen de Chassiden heel gebroederlijk bijeen zaten, met de pijp in de hand, kwam Rabbi Israël erbij zitten. Omdat hij zo vriendelijk was, vroegen ze hem: ‘Rabbi, hoe moeten we God dienen?’
De vraag verbaasde hem en hij antwoordde: ‘Hoe moet ik dat weten?’ Maar hij ging verder en vertelde hen dit verhaal….

Er waren eens twee vrienden van de koning die allebei schuldig werden bevonden aan een misdaad. Omdat hij van ze hield, wilde de koning hen gratie verlenen, maar hij kon ze niet vrijspreken, want zelfs het woord van de koning kan niet boven de wet gaan. Dus sprak hij dit oordeel uit: er moest een touw worden gespannen over een diepe afgrond en ze moesten er allebei, de een na de ander, overheen lopen.
Wie de andere kant haalde zou gratie krijgen.
Het gebeurde zoals de koning had bevolen en de eerste van de vrienden bereikte veilig de overkant.
De andere, die nog op dezelfde plek stond, riep naar hem: ‘Vertel me eens, vriend, hoe heb je dat klaargespeeld?’
De eerste riep terug: ‘Dat weet ik helemaal niet, alleen dit: als ik voelde dat ik naar één kant dreigde te vallen, leunde ik over naar de andere.’

Blijf in het midden.
Geef niet teveel toe en zie niet teveel af. Wees niet alleen maar in de wereld en vlucht er niet voor weg.
Blijf een evenwicht bewaren.
Als je voelt dat je teveel in toegeeflijkheid valt, leun dan over naar afzien, en zodra je voelt dat je afstand gaat doen, een asceet wordt, leun dan weer terug naar toegeeflijkheid.
Blijf in het midden.

Osho: The Art of Dying – Talks on Hassidism, p. 54 and 76.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti.
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com
Foto: www.webecoist.momtastic.com.

Vorige verhalen


De dichter, de mysticus en de maan

 

Chuang-tzu ziet een ossenwagen ondersteboven liggen

 


Naropa’s droom over een afgrijselijke vrouw

 


De jongen met de kaars

 


Drie koningen die een man opzoeken die Frank heet

De dichter, de mysticus en de maan

De waarheid zoeken in geschriften, de waarheid zoeken in filosofie, is kijken in de weerspiegeling.

Ik heb eens horen vertellen:
Op een avond zat de dichter Awhadi van Kerman, een groot moslimdichter, op zijn veranda over een vat gebogen. Toevallig kwam Shams-i-Tabrizi, een groot soefi mysticus, daar langs.
Shams-i-Tabrizi keek naar de dichter, naar wat hij deed. Hij vroeg de dichter: ‘Wat doe je daar?’
De dichter zei: ‘De maan overpeinzen in een kom water.’
Shams-i-Tabrizi begon te lachen, bulderend te lachen, krankzinnig te lachen.
De dichter begon zich wat ongemakkelijk te voelen, er kwamen allemaal mensen kijken. Toen zei de dichter: ‘Wat is er? Waarom moet je zo lachen? Waarom zet je mij voor gek?’
Shams-i-Tabrizi zei: ‘Als je je nek niet hebt gebroken, waarom kijk je dan niet direct naar de maan aan de hemel?’

De echte maan staat daar altijd aan de hemel op je te wachten. Het is jouw maan, het is jouw hemel, kijk direct. Wind er geen doekjes om. Waarom zou je mijn ogen lenen of die van een ander? Je hebt ogen gekregen, prachtige ogen, om te kijken en direct te zien. Waarom zou je iemand anders’ begrip lenen?
Bedenk wel, misschien is iets begrip voor mij, maar zo gauw jij het gaat lenen wordt het kennis voor jou, is het geen begrip meer.
Begrip is alleen dat wat iemand zelf heeft ervaren.

Osho: The Art of Dying – Talks on Hassidism, p. 17-18.


Shams-i-Tabrīzī of Shams al-Dīn Mohammad (1185-1248) was een Perzische moslim die wordt beschouwd als de geestelijk leraar van Mewlānā Jalāl ad-Dīn Muhammad Balkhi, beter bekend als Rumi. Met grote eerbied wordt naar hem verwezen in Rumi’s verzamelde gedichten, vooral in Diwan-i Shams-i Tabrīzī (De werken van Shams van Tabriz).

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti.
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com

Vorige verhalen

Chuang-tzu ziet een ossenwagen ondersteboven liggen

 


Naropa’s droom over een afgrijselijke vrouw

 


De jongen met de kaars

 


Drie koningen die een man opzoeken die Frank heet

 


De soefi meester die zweeg

 

Chuang-tzu ziet een ossenwagen ondersteboven liggen

Laat je gaan als een dronkenlap, volg zijn aikido weg. Leef als een kind, in overeenstemming met het leven.

Er wordt over Chuang-tzu verteld… Hij zag dat er een ongeluk was gebeurd. Een ossenwagen lag ondersteboven, in een greppel gevallen. De bestuurder was ernstig gewond, de eigenaar was gewond, had botbreuken. Maar een dronkenlap was ook met de ossenwagen meegereisd met de eigenaar. Hij had helemaal niets. Hij was zich niet eens bewust van wat er gebeurd was, hij lag te snurken. Hij was op de grond gevallen. De anderen lagen te huilen en te jammeren maar hij lag diep te slapen. Chuang-tzu zei: ‘Toen ik dit zag, begreep ik wat Lao Tzu bedoelt als hij zegt “laat gaan”.’

Je ziet een dronkenlap over straat lopen en dan in de goot vallen. Maar hij bezeert zich niet. Tegen de ochtend zie je hem weer naar kantoor gaan, helemaal gezond en in orde. De hele nacht heeft hij in de goot gelegen. Hij is gevallen maar heeft geen ribben of botten gebroken, niets gebroken. Jij valt – en onmiddellijk heb je iets gebroken. Wat gebeurt er als een dronkenlap valt? Hij valt zo totaal, hij gaat erin mee. Hij is dronken, hij kan geen weerstand bieden…
Kinderen doen dit de hele dag. Kijk maar eens naar kinderen. De hele dag vallen ze overal, maar ze raken niet gewond. Doe jij dat maar eens. Dat lukt je onmogelijk, ze zullen je in het ziekenhuis op moeten nemen. Jij wordt binnen een dag, vierentwintig uur, opgenomen.
Kinderen vallen in overeenstemming. Ze bieden geen weerstand als ze vallen, ze gaan niet tegen de val in, ze proberen niet om zichzelf te beschermen. Ze verstijven niet. Eigenlijk vallen ze op een heel ontspannen manier.

Aikido, tai chi, of wat Jezus zachtmoedigheid noemt, wat Boeddha zachtmoedigheid noemt, berust op hetzelfde principe – het principe van harmonie. Probeer het maar eens uit in je leven, probeer het eens uit in kleine experimentjes…
Het is net gaan regenen. Straks ga je naar huis. Je kunt dat op een aikido manier doen of op de gewone manier.
De gewone manier houdt in dat je je kleren nat ziet worden, of dat je het koud gaat krijgen, of dat het een of ander misschien gaat gebeuren. En je zult tegen de regen zijn. Je zult naar huis rennen met een rotbui, met tegenwerking. Zoals zo vaak is gebeurd.
Probeer aikido eens. Je relaxt, je geniet van de waterdruppels die op je gezicht vallen. Het is ontzettend mooi. Het is zo verzachtend, zo reinigend, zo verfrissend. Wat maakt het uit dat je kleren nat worden? Waar maak je je zo druk om? Je kunt ze weer drogen. Maar waarom zou je deze gelegenheid voorbij laten gaan? De hemel heeft een ontmoeting met de aarde. Waarom zou je deze gelegenheid voorbij laten gaan?

Waarom dans je niet? Niet rennen en haasten. Langzaam aan, geniet. Doe je ogen dicht en voel de druppels op je oogleden vallen, over je gezicht gaan. Voel wat het doet. Accepteer het … een geschenk uit de hemel.
En dan zie je het ineens – het is prachtig en je hebt het nog nooit zo bekeken.
Probeer het eens uit in het gewone dagelijkse leven. In conflict heb je altijd al gezeten. Probeer overeenstemming nu eens. Dan zie je het ineens in – dan verandert de hele betekenis. Dan leef je niet meer in vijandigheid met de natuur.

Osho: The Discipline of Transcendence – Discourses on the Forty-two sutras of Buddha, Vol. 2, p. 137-138.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti.
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com

Vorige verhalen


Naropa’s droom over een afgrijselijke vrouw

 


De jongen met de kaars

 


Drie koningen die een man opzoeken die Frank heet

 


De soefi meester die zweeg

 


Een rabbi heeft een aanrijding met pater Murphy

Naropa’s droom over een afgrijselijke vrouw

Wie de betekenis begrijpt wordt mooi, wie alleen het woord begrijpt wordt lelijk.


Naropa (1016-1100).

Ik zal je een verhaal vertellen waar ik altijd dol op ben geweest… Naropa was een groot geleerde, een grote pandit. Er gaan verhalen dat hij rector magnificus was van een grote universiteit, met tienduizend eigen discipelen.
Op een dag zat hij met zijn discipelen om zich heen. Overal rondom lagen er duizenden geschriften uitgespreid, hele oude, eeuwenoude, zeldzame. Plotseling viel hij in slaap, vast van vermoeidheid, en kreeg hij een visioen. Ik noem het een visioen en geen droom, want het was geen gewone droom. Het is zo veelzeggend, dat het niet juist zou zijn om het een droom te noemen. Het was een visioen.

Hij zag een heel erg oude, afgrijselijke vrouw, een lelijk oud wijf. Ze was zo lelijk dat hij in zijn slaap begon te beven. Het was zo walgelijk dat hij weg wilde vluchten, maar waar moest hij naar toe vluchten, waarheen? Hij zat gevangen, als gehypnotiseerd door dat lelijke oude wijf. Hij moest walgen van haar lichaam, maar haar ogen waren als magneten.

Foto: JRCoffronIII

Ze vroeg: ‘Naropa, wat doe je daar?’
En hij zei: ‘Ik studeer.’
‘Wat studeer je dan?’ vroeg de oude vrouw.
Hij zei: ‘Filosofie, religie, epistemologie, taal, grammatica, logica.’
Toen vroeg de oude vrouw: ‘Begrijp je ze?’
Naropa zei: ‘Natuur.. Ja, ik begrijp ze wel.’
De vrouw vroeg weer: ‘Begrijp je het woord of de betekenis?’

Het was voor het eerst dat iemand dat vroeg. Duizenden vragen waren er in zijn leven al aan Naropa gesteld. Hij was een groot leraar -duizenden studenten die altijd van alles vroegen en wilden weten- maar niemand had ooit dit gevraagd: of je het woord of de betekenis begreep.
En de ogen van de vrouw waren zo doordringend dat hij met geen mogelijkheid kon liegen. Ze kwam er toch wel achter. Naropa voelde zich onder haar ogen helemaal naakt staan, zonder kleren, ze keek zo door hem heen. Die ogen drongen door tot in het diepst van zijn wezen en hij kon onmogelijk liegen.
Tegen iedereen anders zou hij gezegd hebben: ‘Natuurlijk, ik begrijp de betekenis,’ maar deze vrouw, deze afgrijselijk uitziende vrouw, kon hij geen leugen verkopen, hij moest haar wel de waarheid vertellen.
Hij zei: ‘Ja, ik begrijp de woorden.’

De vrouw was erg gelukkig. Ze begon te dansen en te lachen.
Als dat die vrouw zo gelukkig maakt, dacht hij… En omdat ze zo gelukkig was werd haar lelijkheid getransformeerd: ze was niet lelijk meer, er begon een subtiele schoonheid uit haar wezen omhoog te komen.
Hij dacht: ‘Ik heb haar zo gelukkig gemaakt, waarom zou ik haar niet nog wat gelukkiger maken?’
Toen zei hij: ‘En ja, ik begrijp de betekenis ook.’

De vrouw hield op met lachen. Ze hield op met dansen. Ze begon te huilen en te wenen en haar lelijkheid keerde terug, duizendmaal sterker.
Naropa zei: ‘Waarom? Waarom huilt u en weent u? En waarom was u eerst aan het lachen en aan het dansen?’
De vrouw zei: ‘Ik was aan het dansen en aan het lachen en ik was gelukkig omdat een groot geleerde zoals u niet loog. Maar nu huil ik en ween ik omdat u tegen mij hebt gelogen. Ik weet –en u weet- dat u de betekenis niet begrijpt.’

Het visioen verdween en Naropa was getransformeerd. Hij vluchtte weg uit de universiteit. In heel zijn leven raakte hij nooit meer een geschrift aan. Hij werd volslagen onwetend: hij begreep dat als je alleen het woord begrijpt, wie houd je dan voor de gek? En als je alleen het woord begrijpt ben je een lelijk oud wijf geworden…

Wie de betekenis begrijpt wordt mooi, wie alleen het woord begrijpt wordt lelijk.
En van buiten was de vrouw niemand, ze was gewoon een projectie van het binnenste. Het was Naropa’s eigen wezen, door kennis lelijk geworden. Alleen al met het begrip dat ‘ik de betekenis niet begrijp’ wordt de lelijkheid onmiddellijk getransformeerd in iets moois.

Osho, Yoga, The Alpha And The Omega – Discourses on the Yoga Sutras of Patanjali, Vol. 5, p 51-53.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti.
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com. 

Vorige verhalen


De jongen met de kaars

 


Drie koningen die een man opzoeken die Frank heet

 


De soefi meester die zweeg

 


Een rabbi heeft een aanrijding met pater Murphy

 


Het kopje thee stroomt over

De jongen met de kaars

Een golf rijst omhoog, dan verdwijnt de golf. Waar is ze naar toe? Ze is naar dezelfde bron gegaan als waar ze in de eerste plaats vandaan kwam. Ze is uit de oceaan omhoog gerezen, nu is ze terug naar de oceaan gegaan.

Er is een prachtig verhaal over Junaid, een soefi mysticus. Hij trok eens door een klein dorp. Het was avond en een kleine jongen liep rond met een kleine kaars. Hij was op weg naar de moskee om de kaars daar neer te zetten. Het was donker in de moskee en het was een donkere avond en het werd nacht.
Junaid vroeg gewoon lachend, voor de grap, aan het kleine kind: ‘Heb je die kaars zelf aangestoken?’
En de jongen zei: ‘Ja, meneer.’
Toen zei Junaid: ‘Vertel me dan eens, waar dit vlammetje vandaan is gekomen? Waar vandaan? Je hebt gezegd dat jij zelf de kaars hebt aangestoken, dan heb je dus ook gezien waar het vlammetje vandaan is gekomen.’
De jongen moet vast een genie zijn geweest.
Hij moest lachen, blies het kaarsje uit en zei: ‘Nu is het weg. Waar naartoe? U hebt het gezien! Waar is het naartoe?’

Het komen en gaan is niet van ergens af naar ergens heen. We komen omhoog uit het kosmisch bewustzijn, we vallen weer terug in het kosmisch bewustzijn. We komen omhoog; we vallen weer terug.

Osho: The First Principle -Talks on Zen, p 203.

Het ‘ik’ in ons, dit gevoel dat ‘ik ben’, is de oorzaak van al onze hebzucht en verdriet. In feite ben ‘ik’ niet; alles is. En in dit alles ben ik ook. Maar niet als ‘ik’. Ik ben zoals een golf is in de oceaan. De golf is in de oceaan, ze maakt deel uit van de oceaan. Hoewel het lijkt of ze apart van de oceaan is, is dat niet zo. Ze is één met de oceaan daaronder, ze neemt alleen een soort vorm aan, aan de oppervlakte. We weten dat de golf deel uitmaakt van de oceaan en toch zien we haar als apart van het water daaronder.
Ik ben een golf. Maar als een golf haar eigen individualiteit aanneemt, begint de ellende. Als een golf zichzelf als een aparte entiteit gaat beschouwen, krijgt haar geboorte betekenis en krijgt haar dood betekenis. Behalve zijzelf, wie kan haar nu redden van de angst voor de dood? Overal om zich heen ziet ze golven vallen, overal om zich heen ziet ze het graf van haar metgezellen. Ze weet ook dat het einde nabij is. En ze rijst omhoog om de hemel aan te raken, ze voelt dat ze de grond onder haar voeten begint te verliezen en ze weet dat het einde nabij is.

.
Deze angst voor vernietiging, deze angst voor de dood – wat is de reden ervoor? De angst is er niet omdat de golf niet meer zal bestaan, het is er omdat de golf zichzelf heeft beschouwd als apart van de oceaan. Als ze zichzelf had beschouwd als één met de oceaan, waar zou dan die angst gebleven zijn? De oceaan bestond. Het was er toen de golf oprees en het bestaat nog steeds als de golf wegebt. Dan wordt de tijd tussen het rijzen en vallen van de golf gewoon een spel dat je niet serieus moet nemen. De golf is de oceaan, als je dit eenmaal begrijpt, kan er geen angst zijn.
De angst is er alleen omdat ik mezelf als alleen en apart beschouw. Dan moet ik mezelf wel beschermen tegen al het andere, ik moet wel tegen de dood vechten. En in dat gevecht put de mens zichzelf uit en is het afgelopen met hem, want je kunt met geen mogelijkheid de dood ontlopen.

Osho: The Way of Tao – Discourses on Lao Tzu’s Tao-Te-King, Vol. 2, p 203-204.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti.
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com. 

Vorige verhalen


Drie koningen die een man opzoeken die Frank heet

 


De soefi meester die zweeg

 


Een rabbi heeft een aanrijding met pater Murphy

 


Het kopje thee stroomt over

 

Geluk of ongeluk? De man zonder oordeel

 

 

Drie koningen die een man opzoeken die Frank heet

Hoe ver zijn we eigenlijk bereid om ergens in te duiken, klaar, onbevooroordeeld en met de wil om de sleutel te begrijpen?

De Nobelprijs winnaar songwriter Bob Dylan geeft ons een moderne parabel, die heel goed weergeeft wat ik jullie wil vertellen. Achterop zijn album John Wesley Harding lezen we over drie koningen die een man opzoeken die Frank heet.

De eerste koning legt aan Frank uit wat hun missie is: ‘Meneer Dylan heeft een nieuwe plaat uitgebracht. Deze plaat bevat natuurlijk alleen zijn eigen songs en we hebben begrepen dat u de sleutel bent.’
‘Dat klopt,’ zegt Frank, ‘dat ben ik.’
‘Nu dan,’ zei de koning met lichte opwinding, ‘kunt u het dan alstublieft voor ons ontsluiten?’
Frank, die al die tijd achterover heeft gelegen met zijn ogen gesloten, opent ineens beide ogen wijd als een tijger.
‘En hoe ver wilt u er eigenlijk ingaan?’ vroeg hij.
De leider van de koningen antwoordt: ‘Niet al te ver, maar net genoeg om te kunnen zeggen dat we er zijn geweest.’


Dit is een prachtige parabel. Onze inspanningen zijn erg halfslachtig, ook als we soms proberen om ergens toe bereid te zijn. De leider van de koningen antwoordt: ‘Niet al te ver, maar net genoeg om te kunnen zeggen dat we er zijn geweest.’

Osho: The Beloved, Songs of the Baul mystics. Vol. 2, p 14.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti.
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com. 

Vorige verhalen


De soefi meester die zweeg

 


Een rabbi heeft een aanrijding met pater Murphy

 


Het kopje thee stroomt over

 

Geluk of ongeluk? De man zonder oordeel

 


De samoerai die zich minderwaardig voelde

 

 

De soefi meester die zweeg

Het werk van een meester bestaat uit het duidelijk maken van je eigen vragen aan jou.

Een soefi mysticus was op weg naar Mekka voor zijn Hajj, zijn pelgrimage.
Hij kwam in een plaats, een klein plaatsje, en hij was daar nog niet aangekomen of het bericht had het dorp al bereikt dat er een groot mysticus onderweg was, dus kwam het hele dorp bijeen.
De meester was een hele stille en de dorpsbewoners vroegen hem, smeekten hem om een toespraak te houden. ‘Maandenlang hebben we zitten wachten en nu u er bent kunnen we u pas laten gaan als u ons iets heeft laten horen.’
De meester aarzelde. Hij zei: ‘Maar ik heb niets te zeggen.’ Maar ze wilden het niet horen, ze bleven aandringen.
De meester zei: ‘En wat ik weet kan niet gezegd worden!’ Maar ze wilden het niet horen. Hoe meer de meester aarzelde, hoe geïnteresseerder ze werden, dat spreekt vanzelf. En ze zeiden: ‘We blijven hier zitten, we zullen vasten en niets eten totdat u ons een boodschap geeft, want zelden is er zo’n verlicht iemand hier voorbijgekomen. We kunnen u niet laten gaan.’

Dus ging de meester akkoord. Ze gingen naar de moskee. Het hele dorp kwam bijeen, vol verwachting over wat de meester zou gaan zeggen. En ze wisten heel goed dat hij nog nooit eerder in een ander dorp een toespraak had gehouden. Hij was op reis geweest, van duizend mijlen ver, en iedereen had het aan hem gevraagd. Maar hij had gezwegen. Ze waren verheugd, het was een voorrecht dat de meester erin toegestemd had om een toespraak te houden.

De meester kwam. Hij keek zijn toehoorders aan en stelde één vraag: ‘Weten jullie wat ik jullie ga vertellen?’
Ze zeiden allemaal: ‘Natuurlijk niet, hoe moeten we dat nou weten? We weten het niet.’
De meester zei: ‘Dan kan ik niets zeggen tegen zulke onwetende mensen die niet eens weten waar ik het over ga hebben!’
De mensen keken heel verbaasd op en de meester liep weg. Hun verlangen laaide nog hoger op. Ze dachten, dat was geen goed antwoord van ons. ‘Ja, de meester heeft gelijk: hoe kan hij nou iets zeggen tegen zulke onwetende mensen?’
Ze haastten zich om de meester weer terug te halen en zeiden: ‘Vraagt u het nog eens. Dat was geen goed antwoord van ons, maar kom mee,  geef ons nog een kans.’
De meester kwam terug en zei: ‘Weten jullie waar ik het over ga hebben?’
Ze zeiden: ‘Ja! We weten allemaal waar u het over gaat hebben.’
Toen zei de meester: ‘Dan is het klaar! Als jullie het al weten, waar hebben jullie mij dan voor nodig om het jullie te vertellen? Zo’n verlicht dorp!’

Nu stonden de mensen nog verbaasder te kijken. En de meester ging opnieuw weg. Ze stonden met elkaar te praten, het hele dorp wond zich op over één ding maar: ‘Wat moeten we nu doen? Morgenochtend gaat hij weg! We moeten er iets op vinden.’
Ze praatten en ze discussieerden en ze vonden er iets op. Midden in de nacht gingen ze de meester wakker maken en zeiden: ‘We zijn er weer, dat antwoord van ons was verkeerd, het spijt ons. Vraagt u het nog eens!’
De meester ging terug naar de moskee en vroeg opnieuw: ‘Weten jullie wat ik jullie ga vertellen?’
Toen zei de helft van de mensen: ‘Ja,’ en de andere helft zei: ‘Nee.’ Dat was de enige weg. Hoe kon hij er nu uitkomen?
En de meester zei: ‘Ha, ha, ha! Dan moeten zij die het weten het maar vertellen aan hen die het niet weten. Waar hebben jullie mij dan voor nodig? Zeg maar tegen de mensen, praat maar onder elkaar. Jullie hebben mij absoluut niet nodig.’

In feite hoef je niemand iets te vragen als je diep in je eigen vragen gaat. Al dat vragen is onnodig, want wat voor antwoord ik jullie ook geef, het zit eigenlijk al in je. Ik maak het alleen duidelijk. Ik help om het aan de oppervlakte te laten komen in je. Ik heb geen kant-en-klaar antwoord voor je. Ik heb geen catechismus. Het is niet zo dat mijn antwoord voor altijd vaststaat.
Jij stelt een vraag. Ik kijk in je vraag. Ik probeer te doen wat je zelf zou hebben gedaan en dan vind ik daar het antwoord, dat ik dan aan je duidelijk maak. Het werk van een meester bestaat uit het duidelijk maken van je eigen vragen aan jou. Hij brengt helderheid, hij geeft je geen antwoorden. Een meester is geen geleerde, hij is geen hoogleraar. Hij geeft je geen antwoorden. Hij brengt gewoonweg helderheid, visie, gezichtsvermogen.

Osho: The Perfect Master, Talks on Sufi Stories, Volume 1, p 56-58.

Image by mostafa meraji from Pixabay. 

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti.
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com

Vorige verhalen


Een rabbi heeft een aanrijding met pater Murphy

 


Het kopje thee stroomt over

 

Geluk of ongeluk? De man zonder oordeel

 


De samoerai die zich minderwaardig voelde

 


De monnik en de prostituee