1001 verhalen

Sodom en Gomorra, een Chassidisch verhaal

Een enkele man van onschuld kan de loop van het bestaan veranderen:
het Chassidische verhaal van Sodom en Gomorra.


Er is een Chassidisch verhaal… Het verhaal gaat dat, toen God besloot om Sodom en Gomorra te vernietigen, een Chassid God benaderde en tegen hem zei: ‘Ik zit met een paar vragen en u moet daar antwoord op geven want het gaat om de levens van duizenden mensen.’
God stelde zich welwillend op, hij zei: ‘Vraag maar.’

De Chassid zei: ‘U hebt besloten om Sodom en Gomorra te gaan vernietigen, maar heeft u er wel over nagedacht dat er in beide steden een paar mensen zijn die absoluut onschuldig zijn? Ik ken ze wel, ik ben er één van. Er zijn honderd Chassidim in beide steden en u gaat die onschuldige mensen ook vernietigen? Ze hebben geen enkele misdaad begaan. Bent u bereid om die verantwoordelijkheid op u te nemen? Voelt u zich dan niet schuldig?’
God zei: ‘Zo heb ik er nog nooit naar gekeken: honderd Chassidim, onschuldige mensen… Misschien moet ik wel terugkomen op mijn beslissing om Sodom en Gomorra te vernietigen.’

De Chassid zei: ‘Dan moet ik nog iets vragen. U bent bereid om op uw beslissing terug te komen voor honderd Chassidim, maar eigenlijk zijn er maar tien Chassidim. Maak de hoeveelheid iets uit? Zullen tien onschuldige mensen niet genoeg zijn om Sodom en Gomorra te sparen?’
God moest even nadenken en zei toen: ‘Je hebt gelijk. Het gaat om de kwaliteit, niet om de kwantiteit. Ook al zijn er maar tien mensen onschuldig, dan ga ik de steden niet vernietigen.’

De Chassid zei: ‘Ik heb een derde vraag. Eigenlijk is er maar één man die onschuldig is. Ik woon zes maanden in Gomorra en zes maanden in Sodom. Zal dat u doen veranderen van mening? Het is weer een kwestie van kwantiteit: van honderd naar tien, van tien naar één, dezelfde verhouding.  En hoe moet ik nou een garantie geven voor honderd mensen, dat ze onschuldig zijn? Hoe moet ik van tien mensen weten of ze onschuldig zijn? U stelt me onmenselijke vragen. Ik kan absoluut één ding garanderen: dat ik onschuldig ben. Vertel me nou eens wat u van plan bent.’

Het Chassidische verhaal vertelt dat God wel moest toegeven aan de Chassid, want het is de kwaliteit waar het om gaat. Je kunt miljoenen criminelen wel sparen, maar één onschuldig mens moet je niet vernietigen. Onschuld is zoiets waardevols, het is zoiets zeldzaams en unieks.

Dit is een Chassidisch verhaal. Het staat niet in het Oude Testament, maar het is een prachtig verhaal.

Osho: From Death to Deathlessness
– Answers to the Seekers of the Path, p.108-109.


Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti.
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com

Afbeelding: Wikimedia Commons, Gathering of Chabad Hasidim in 770 Eastern Parkway.

Vorige verhalen

Ga niet interpreteren!

 


De hangbrug over de Rode Zee

 


Vader, wie ben ik?

 


De priester en de heks

 


Een soefi mysticus mag een wens doen

 

Ga niet interpreteren!

Een man die tot twintig jaar was veroordeeld hield zichzelf geestelijk gezond door vriendschap te sluiten met een mier die zijn cel met hem deelde. Hij maakte zelfs een huis van twee verdiepingen voor hem in een lucifersdoosje.

Om de tijd te doden maakte de gedetineerde een klein gitaartje en in vijf jaar leerde hij de mier zingen en gitaarspelen. Tijdens de lange winteravonden was de mier een grote troost voor zijn weldoener door de optredens en concerten die hij gaf. Na nog eens vijf jaar had de gedetineerde de mier geleerd om te dansen en na twaalf jaar was hij ook een volleerd doedelzakspeler.

Naarmate de dag naderde dat hij vrij zou komen begon het de gedetineerde te dagen dat hij het grootste televisie optreden ooit in zijn bezit had.
Hij zou rijk worden, beroemd …

Op de dag van zijn vrijlating haastte de ex-gedetineerde zich naar de dichtstbijzijnde kroeg om zijn vrijheid te vieren. Hij bestelde een pint en haalde het lucifersdoosje tevoorschijn terwijl hij die opdronk, schudde de mier op de toonbank van de lege bar en vroeg om een deuntje.

De mier maakte van de gelegenheid gebruik door een geweldige uitvoering ten beste te geven van ‘The heart bowed down.’
Het was een sterk optreden. De eigenaar, overmand van vreugde, riep de barman en knikte naar de mier. ‘Wat zeg je daar nou van?’ zei hij.
Waarop de barman zijn hand optilde, neer liet komen op de toonbank en de mier doodsloeg. ‘Dat spijt me meneer,’ zei hij, ‘maar dat heb je met dat warme weer.’
 
Nou gaf de barman zijn eigen interpretatie eraan. Hij keek niet naar die mier.  Zoiets gebeurde wel vaker – dan riep iemand, een klant, hem en zei: ‘Kijk, een mier op tafel.’
En dan maakte hij hem dood met de woorden: ‘Dat heb je met dat warme weer.’

Nou heeft hij een van de kostbaarste mieren doodgemaakt.
Dat krijg je ervan als je eigen interpretaties eraan geeft.

Osho: Sufis, the People of the Path – Talks on Sufism, Vol. 2, p. 295-296.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti. 
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com.
Image by gwendoline63 from Pixabay.

Vorige verhalen


De hangbrug over de Rode Zee

 


Vader, wie ben ik?

 


De priester en de heks

 


Een soefi mysticus mag een wens doen

 


Ramakrishna en de man die naar de Ganges ging

 

De hangbrug over de Rode Zee

Elk geloof druist tegen de natuur in. Als je tegen iemand zegt dat hij ergens in moet geloven wek je een neurose in hem, maak je hem gespleten.

Ik heb eens horen vertellen… Een kleine jongen kwam thuis van de zondagsschool en zijn vader vroeg: ‘Wat heb je vandaag geleerd?’
‘Nou,’ zei het jochie, ‘tweeduizend jaar geleden wilden de Joden wegvluchten van de boze Egyptenaren. Dus liet Mozes de Joden zo’n hangbrug bouwen over de Rode Zee. Toen hebben ze hem vol met dynamiet geladen. De Joden zijn over de brug weggevlucht en toen alle Egyptenaren hen achterna kwamen hebben ze de brug opgeblazen en zijn alle Egyptenaren verdronken.’
‘Heeft de leraar je dát verteld?’ vroeg de verbaasde vader.
‘Nee,’ zei de jongen, ‘maar u gelooft nooit dat gekke verhaal dat hij ons wel verteld heeft.’


 
Elk geloof druist tegen de natuur in. En elk geloof is gewoon een onderdrukking van je twijfels. Ja, je kunt je twijfels wel onderdrukken als er veel angst is, je kunt je twijfels wel onderdrukken als er veel hebzucht is – als je hemels genot wordt geboden en als je bedreigd wordt door hellevuur en duivels die je gaan martelen. Als ze die dingen in je hoofd stoppen begin je te geloven. Maar je weet altijd wel, altijd wel ergens van binnen, dat je twijfelt.

Hoe kun je iets geloven? Hoe kan iemand iets geloven zonder het zelf te hebben geweten? Als je de werkelijkheid zoals ze is niet onder ogen hebt gezien is het niet mogelijk om vertrouwen te hebben. Vertrouwen komt niet door angst, vertrouwen komt niet door hebzucht, vertrouwen komt alleen door ervaring.

De soefi’s leren je een ander soort kijk op de wereld – niet gebaseerd op geloof maar op experimenten, ervaring en de conclusies die vanzelf worden getrokken uit die experimenten en ervaringen. Dan heb je een heel ander soort geloof. Daar zit geen twijfel in onderdrukt, het is totaal. Je raakt er niet verdeeld van, je raakt er niet gespleten van.

Christenen en hindoes en mohammedanen en allerlei gelovigen hebben gespleten persoonlijkheden, schizofrene. Schizofrenie is een van de meest voorkomende trekken in de mens. En waarom is de mens schizofreen? De oorzaak zit hem in die zogenaamde religieuze leer, indoctrinatie.

Als je tegen iemand zegt dat hij ergens in moet geloven wek je een neurose in hem, maak je hem gespleten. Nou zal hij nooit één zijn, hij zal twee zijn. Het ene deel, het echte deel, zal blijven twijfelen en het onechte deel, het oppervlakkige deel, zal blijven geloven. En deze spleet zal groter en groter gaan worden, deze spleet zal altijd veel ongerustheid geven.

Kijk eens naar iets waar je in gelooft. Als je in God gelooft en je kijkt er eens naar, weet je dat je twijfelt… Al die zogenaamde geschriften van je zitten vol met onzin. Maar je gaat maar door met geloven gewoon omdat je bang bent, omdat je niet met je beide benen op de grond staat, omdat je niet geworteld staat in de werkelijkheid.
 
Osho: Sufis, the People of the Path – Talks on Sufism, Vol. 1, p. 471-473.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti. 
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com.
Image by Derek Wolfgang from Pixabay.

Vorige verhalen


Vader, wie ben ik?

 


De priester en de heks

 


Een soefi mysticus mag een wens doen

 


Ramakrishna en de man die naar de Ganges ging

 


Dale Carnegie stuurt een brief

Vader, wie ben ik?

Het leven en de dood zijn geen twee dingen maar twee vleugels,
twee vleugels van hetzelfde verschijnsel.

De diepste kern van zijn is niet-zijn. De fundering van iets-heid is niets-heid. 
En als ik niets-heid zeg bedoel ik niet niets-heid, maar niet-ietsheid.

Vorm bestaat op basis van het vormloze. De vorm komt voort uit het vormloze, net zoals golven uit de zee voortkomen. En dan valt de golf terug, lost ze weer op in het vormloze. De naam rijst op uit het naamloze, valt weer terug, keert terug naar de oorspronkelijke bron, wordt weer naamloos. Het leven komt voort uit de dood en gaat er weer terug heen.
Het is heel fundamenteel om te bedenken dat deze tegengestelden niet tegengesteld maar complementair zijn.

De dood is niet tegen het leven, niet-bestaan is niet tegen het bestaan, niet-zijn is niet tegen het zijn. Het zijn twee polen van hetzelfde verschijnsel, wat elk begrip te boven gaat.
Soms drukt het zichzelf uit als zijn en soms als niet-zijn, maar het is hetzelfde wat zich in beide tot uitdrukking brengt. Dit moet je zo diep mogelijk zien te begrijpen, want je hele sadhana, het streven naar ultiem begrip, is daarvan afhankelijk.

Als je niet bereid bent om niet-zijn te worden zal je nooit een echt authentiek wezen worden. Het lijkt wel iets tegenstrijdigs. Jezus zegt tegen zijn discipelen: Als je jezelf niet verliest zal je jezelf niet winnen. Als je je aan jezelf vastklampt zal je vernietigd worden, als je je niet vastklampt zal je gered worden. Hij zegt dat je wezen alleen gered wordt als je je naar niet-zijn toe gaat.
 
Er bestaat in India een heel oude en heel mooie parabel in de Upanishads. Een grote wijze, Uddalaka, kreeg van zijn zoon Svetaketu de vraag: ‘Vader, wie ben ik? Wat is het dat in mij bestaat? Ik probeer het steeds, ik mediteer steeds, maar ik kan het niet vinden.’
Svetaketu was een klein kind maar hij stelde een heel erg moeilijke vraag. Als iemand anders de vraag had gesteld zou Uddalaka er gemakkelijk antwoord op hebben gegeven, maar hoe help je een kind om het te begrijpen? En het vroeg het moeilijkste probleem dat er bestaat.

   Banyan vrucht en blad.

Uddalaka moest een truc verzinnen. Hij zei: ‘Ga jij eens daarheen, waar je die banyanboom ziet staan en haal me eens een vrucht daarvan.’
Het kind rende weg, het bracht een kleine vrucht van de banyanboom mee. De vader zei; ‘Snij hem nu eens open. Wat zie je binnenin?’
Het kind zei: ‘Miljoenen kleine zaadjes.’
De vader zei: ‘Kies er nou eens één uit en snij die eens door. Wat zie je daar nou in?’
Het kind zei: ‘Niets-heid.’
De vader zei: ‘Uit die niets-heid rijst deze grote boom op. In het zaadje, precies in het midden, bestaat niets-heid. Je snijdt het door – er is niet-iets en uit dat niet-ietsheid rijst het wezen van deze grote boom op. En hetzelfde geldt voor jou, Svetaketu.’
Toen ontstond een van de grootste uitspraken die ooit door een mens zijn geuit:
Tat Twam Asi, Svetaketu.’ Dat zijt gij, gij zijt dat, Svetaketu.’

     De bodhisattva Svetaketu.

Jij bent ook dat niet-ietsheid wat precies in het hart van het zaad bestaat. Als je dit niet-zijn niet in jezelf vindt, zal je de authentieke waarheid niet bereiken. Dan kun je wel rondgaan in theorieën, dan kun je wel filosoferen, maar je zult het niet bereiken.
De jongen mediteerde op dit niet-ietsheid en hij werd er heel stil van. Hij contempleerde, hij genoot van dit niet-ietsheid, hij voelde het heel diep van binnen.
Maar toen kwam er weer een vraag op. Een paar dagen later kwam hij weer bij zijn vader en zei: ‘Ik kan het wel voelen, maar het is allemaal nog niet heel duidelijk, het is vaag, alsof er overal een mist omheen hangt. Ik zie wel dat alles uit niet-ietsheid wordt geboren, maar hoe vermengt zich niet-ietsheid met ietsheid? Hoe vermengt zijn-heid zich met niet-ietsheid? Hoe vermengt zich zijn met niet-zijn? Het is paradoxaal.’

De vader zat weer met een moeilijkheid – altijd als kinderen vragen opwerpen is het moeilijk om daar antwoord op te geven. Van de antwoorden die volwassenen aan kinderen geven is bijna negenennegentig procent verkeerd – gewoon middeltjes om hun gezicht te redden. Je speelt vals.
Maar Uddalaka wilde dit kind niet bedriegen. Zijn nieuwsgierigheid was niet zomaar nieuwsgierigheid, het was een diepgaand onderzoek. Hij was er echt mee begaan. Hij had misschien wel het lichaam van een kind, maar zijn ziel was eeuwenoud. Hij had in het verleden vast geworsteld, hard geprobeerd om het mysterie te doorgronden. Hij was niet zomaar nieuwsgierig, hij was er oprecht mee begaan. Het was niet zomaar een rondzwervende vraag vanuit het hoofd, het zat heel diep geworteld.

De vader zei: ‘Ga eens een kopje water halen.’
De jongen kwam met een kopje water aanzetten.
Toen zei de vader: ‘Ga nou eens wat suiker halen.’
Hij bracht wat suiker en toen zei de vader: ‘Meng ze eens door elkaar.’
Het suiker loste op in het water en de vader zei: ‘Kun je nu het suiker van het water scheiden?’
De jongen zei: ‘Dat is nou onmogelijk. Ik kan niet eens zien waar het suiker is gebleven.’
De vader zei: ‘Probeer het eens.’
De jongen keek erin maar hij kon geen suiker vinden, het was opgelost, het was water geworden.
Toen zei de vader: ‘Proef eens.’
De jongen proefde, het was zoet.
En de vader zei: ‘Kijk, het is net zo. Jij kunt misschien geen onderscheid maken tussen wat zijn is en wat niet-zijn is, ze smelten in mekaar, net als water en suiker. Je kunt het wel proeven en weten dat er suiker in dit water zit. Je kunt ze nu misschien niet van elkaar scheiden – eigenlijk kan niemand ze van elkaar scheiden, omdat ze niet gescheiden zijn.’
 
Je kunt water en suiker scheiden, dat was gewoon een truc om de jongen het te laten begrijpen – maar niet-zijn en zijn kun je niet scheiden. Dat is onmogelijk. Ze zijn niet gescheiden, hoe kun je ze dan scheiden? Ze bestaan altijd gezamenlijk.
Eigenlijk is het niet juist om te zeggen dat ze samen bestaan, want het hele woord ‘samen’ houdt al een concept in van met zijn tweeën. Ze zijn niet twee, ze zijn één. Ze lijken alleen twee.

Waar kom je vandaan? Heb je je ooit over dit fundamentele probleem gebogen? Waar je vandaan komt? Niet-ietsheid.
Waar beweeg je naar toe, waar ga je heen? Niet-ietsheid.
Van niet-ietsheid naar niet-ietsheid … en precies tussen twee niet-ietsheden rijst het zijn omhoog.
De rivier van het zijn stroomt tussen twee niet-ietsheden.

Zijn is prachtig, maar niet-zijn is ook prachtig. Het leven is goed, maar de dood is ook goed – want het leven kan zonder de dood niet bestaan. Normaal denk je dat de dood tegen het leven is, dat ze vernietigt. Nee, je zit ernaast. Zonder de dood kan het leven ook maar geen moment bestaan. Ze geeft ondersteuning. Ze vormt er de basis zelf van.
Omdat je dood kunt gaan, daarom kun je leven. Het leven en de dood zijn geen twee dingen maar twee vleugels – twee vleugels van hetzelfde verschijnsel…

Zoals je bent moet je door de dood heen gaan. En je klampt je veel te veel aan het leven vast. Daar heb je niets aan – de dood komt toch wel. Maar de dood komt op twee manieren.
Op de ene manier komt ze op de normale manier: Jij klampt je aan het leven vast en ze komt als de vijand. Je vecht ertegen, je verzet je ertegen, je doet alles wat maar mogelijk is om ervoor weg te lopen. Maar hoe kun je er voor weglopen?

Op de dag dat je geboren werd, werd de dood een zekerheid. Elke geboorte draagt het zaad van de dood in zich. In feite is er behalve dat niets zeker in het leven. Alles is hoogstens waarschijnlijk, maar de dood is zeker. Het gaat gebeuren. Je kunt ervoor weglopen, je kunt het een tijdje uitstellen, maar dat verandert niets aan de situatie. Het gaat gebeuren.
De ene manier is om de dood als een vijand tegemoet te treden, zoals negenennegentig procent van de mensen ook doen – en zo lopen ze haar mis. Omdat ze er vijandig tegenover staan kunnen ze er geen gebruik van maken, kunnen ze er niet van profiteren, kan de dood hen niet van dienst zijn.


Er is nog een manier: de dood accepteren als een vriend, om haar te accepteren als een binnenste deel van je wezen, om ervan te genieten, om haar te verwelkomen, om er klaar voor te zijn als ze komt. Om haar te omarmen. Opeens verandert de dood van kwaliteit. Ze is geen dood meer, ze wordt een deur. Ze vernietigt je niet meer, maar ze bewijst je integendeel een dienst. Ze leidt je naar het doodloze.

Ga dood – je zult wel dood moeten gaan. Maar ga op een elegante manier dood. Ik zeg niet dat je als een stoïcijn dood moet gaan, ik zeg niet dat je als een heel gecontroleerd mens moet sterven. Nee, ik zeg, sterf elegant, mooi, alsof er een vriend komt, bij je aan de deur komt kloppen en je bent blij. En je omhelst je vriend en je nodigt hem uit om binnen te komen, je hebt al zo lang op hem zitten wachten…

Als je van de dood kunt houden word je doodloos. Als je niet-zijn kunt doorgronden, dan wordt je wezen de bodem zelf van zijn-heid, de bodem zelf van god. Als je van niet-zijn kunt houden, dan kan niets jou kapotmaken, je hebt tijd en ruimte overstegen. Dan ben je één geworden met het geheel en dat is wat heiligheid is – heel zijn is heilig zijn.
 
Osho: Tao, The Three Treasures,
Talks on Fragments from Lao Tzu’s Tao Te Ching, Vol. 1 # 7.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti. 
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com.
Afbeeldingen:
https://i.pinimg.com/736x/21/64/7b/21647b2e29770fb87028443d86dad2a7–clark-little-photography-ocean-photography.jpg
http://3.bp.blogspot.com/–OowZU3I1P4/U2hxnpJ7uFI/AAAAAAAAQHk/oMTx3sM12jA/s1600/4.jpg
https://upload.wikimedia.org/wikipedia/commons/thumb/d/db/001d_The_Bodhisattva_Svetaketu_%2828682083431%29.jpg/1280px-001d_The_Bodhisattva_Svetaketu_%2828682083431%29.jpg
 https://www.google.nl/search?q=osho+on+death&client=safari&rls=en&dcr=0&source=lnms&tbm=isch&sa=X&ved=0ahUKEwjfzITdj9nWAhXPfFAKHUsTDPYQ_AUICigB&biw=1187&bih=752#imgrc=NVX54pNXIrd8VM:

Vorige verhalen


De priester en de heks

 


Een soefi mysticus mag een wens doen

 


Ramakrishna en de man die naar de Ganges ging

 


Dale Carnegie stuurt een brief

 


De nederige keizer Akbar

De priester en de heks

‘Zeg eens, jongen, hoe oud ben je eigenlijk?’

Een jonge priester nam eens honderd duizend dollar mee uit de brandkast van de kerk en raakte alles kwijt op de beurs. Toen ging zijn mooie vrouw ook nog bij hem weg.
In wanhoop liep hij naar de rivier en hij stond net op het punt om van de brug af te springen toen hij tegengehouden werd door een oude vrouw met een zwarte cape, een gerimpeld gezicht en draderige grijze haren.

‘Niet springen,’ kraste ze. ‘Ik ben een heks en ik zal drie wensen van je uit laten komen als je iets voor me wilt doen!’
‘Ik ben niet meer te redden,’ antwoordde hij.
‘Doe niet zo dwaas,’ zei ze.
‘Hocus pocus pas! Het geld is weer terug in de kluis.
Hocus pocus pas! Je vrouw zit thuis op je te wachten met een hart vol liefde.
Hocus pocus pas! Je hebt nu tweehonderd duizend dollar in de bank!’
‘Dat is g-geweldig,’ stamelde de priester. ‘Wat moet ik voor u doen?’
‘Vannacht met mij naar bed gaan.’

De gedachte aan vrijen met de tandeloze oude feeks stootte hem tegen de borst, maar wel degelijk de moeite waard, dus ze trokken zich terug in een motel in de buurt.
De volgende ochtend, toen de walgelijke beproeving voorbij was, stond de priester zich aan te kleden en zei de vleermuis vanuit het bed: ‘Zeg eens, jongen, hoe oud ben je eigenlijk?’ 
‘Ik ben tweeënveertig,’ zei hij. ‘Hoezo?’
‘Ben je dan niet te oud om nog in heksen te geloven?’
 
Dat krijg je ervan. Als je in God gelooft kun je ook in heksen geloven,
dat zit in hetzelfde pakket.
Als je in één soort onzin gelooft kun je van allerlei onzin geloven.

Maar dan word je nooit groot. Dan blijf je kinderlijk.
 
Osho: Zen, the Path of Paradox, Vol. 1, p. 13-14.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti. 
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com.
Image by Pete Linforth from Pixabay.

Vorige verhalen


Een soefi mysticus mag een wens doen

 


Ramakrishna en de man die naar de Ganges ging

 


Dale Carnegie stuurt een brief

 


De nederige keizer Akbar

 


De man met de bijl

Een soefi mysticus mag een wens doen

Tevreden zijn met jezelf zoals je bent is verlichting. Als je het mij vraagt is verlichting: tevreden zijn met jezelf zoals je bent. Het is niet zoiets bijzonders als wat yogi’s ervan gemaakt hebben: kundalini die omhoog rijst, licht dat verschijnt, innerlijke ervaringen, engelen en goden enzovoort. Dat is allemaal onzin als je weet waar het om gaat. Verlichting is helemaal niet zoiets. Al die dingen – kundalini en het licht en god en engelen en hemel en hel – komen uit de tas van de tovenaar. Jij wil ze hebben – hij haalt ze meteen tevoorschijn, hij levert ze. Jij schept de vraag en de tovenaar komt met het aanbod. Jij wilt iets speciaals, hij geeft het je. Hij buit je uit. Hij leeft op jouw absurde verlangens.

Lao Tse is uiterst eenvoudig. Hij heeft geen tas. Hij zegt: waarom niet gewoon ZIJN? Wat mankeert daaraan? Wat mankeert er aan dat wat je bent? Waarom zou je je inspannen? En wie gaat zich inspannen? Jij gaat je inspannen. Je inspanning kan niet boven jou uit gaan en alles wat je doet, jij doet het. Hoe kan dat nou boven jou uit gaan? Hoe kan dat er nou bovenuit stijgen? Hoe kun je door je eigen inspanning er bovenuit stijgen?
Dat is niet mogelijk, je probeert iets te doen wat onmogelijk is. Je kunt wel duizenden levens blijven springen en nog niets bereiken. Accepteer jezelf. Dat is de enge realiteit die er is, dat is de enige mogelijkheid die er is. Accepteer jezelf zoals je bent en plotseling wordt alles getransformeerd.
 
Voor Lao Tse is acceptatie het woord, niet verlichting. Totale acceptatie, wat er ook gebeurt. Verder is er niets mogelijk. Zo zitten de dingen in elkaar. Zo is het met je gebeurd in dit onmetelijke universum. Het onmetelijke universum wilde dat je zo was, accepteer dat nou maar. Je hebt maar twee keuzes: of je wijst jezelf af of je accepteert jezelf.  Als je jezelf afwijst, dan staan er weer twee mogelijkheden open voor je: je wijst het op een wereldse manier af of op een bovenaardse manier af. Als je jezelf op een wereldse manier afwijst betekent het dat je mooier zou willen zijn dan je bent, je zou sterker willen zijn dan je bent, je zou rijker willen zijn dan je bent, je zou een groter huis willen hebben dan je hebt. Zo wijs je het op een wereldse manier af.

Als je jezelf op een bovenaardse manier afwijst, de religieuze manier, betekent het dat je satori, samadhi, verlichting, nirvana wil bereiken. Je wil worden zoals Boeddha, je zou God willen bezitten, je zou in eeuwige gelukzaligheid willen leven. Zo wijs je het op een religieuze manier af. Het zijn allebei afwijzingen en allebei verkeerd. Voor Lao Tse zijn ze allebei even absurd.
Die handel van jou is een handel, je tempel maakt daar ook deel van uit. Je aardse verlangens zijn wereldse verlangens. Je bovenaardse verlangens zijn ook verlangens en aards. In feite kunnen er geen bovenaardse verlangens bestaan. Verlangen is op zichzelf aards. Verlangen betekent deze wereld.

Ik wil je graag een anekdote vertellen. Het gebeurde in het leven van een soefi. Een groot mysticus, die stilletjes op zichzelf woonde, werd op een dag plotseling gewekt door een boodschapper van God.
De boodschapper zei: ‘Uw gebeden zijn aanvaard. Nu is het Opperwezen, de Schepper, heel blij met u. U mag iets vragen en alles wat u verlangt zal worden vervuld. Vraag iets en het zal onmiddellijk vervuld worden.

De mysticus stond er een beetje verbaasd van en hij zei: ‘U komt net iets te laat. Toen ik iets nodig had, toen ik veel verlangens had, kwam u nooit opdagen. Nu heb ik geen verlangens meer, ik heb mezelf geaccepteerd, ik voel me helemaal op mijn gemak, helemaal thuis. Nu maak ik me er zelfs niet druk om of God wel bestaat of niet, ik bid niet tot hem. Ik bid omdat het goed voelt. Ik ben er helemaal mee opgehouden om over hem te denken. Mijn gebed is tot niemand meer gericht, ik bid gewoon zoals ik adem. Het is zo mooi, het maakt niets uit of God al dan niet bestaat. U komt net iets te laat. Nu heb ik geen verlangens meer.’

Maar de engel zei: ‘Daar zal God beledigd door zijn. Als hij zegt dat je om iets kunt vragen, moet je er ook om vragen.’
De man stond er verbaasd van, hij haalde zijn schouders op en zei: ‘Maar wat moet ik vragen? Kunt u mij een voorstel doen? Want ik heb alles geaccepteerd en ik voel me zo vervuld. U kunt hoogstens tegen God gaan zeggen dat ik dankbaar ben. Breng hem mijn dank over. Alles is zoals het zou moeten zijn. Er ontbreekt niets aan, alles is perfect. Ik voel me blij, gelukkig en ik weet niets over het volgende moment. Dit moment is alles, ik ben vervuld. Ga hem maar mijn dank overbrengen.’

Maar de engel was een koppige. Hij zei: ‘Nee, u zult iets moeten vragen, gewoon uit beleefdheid. Begrijp dat nou een beetje.’
Toen zei de man: ‘Als u er op staat, vraag God dan of hij mij zo verlangenloos laat zijn als ik ben. Geef me maar één ding – verlangenloosheid…’
 
… of acceptatie, beide komen op hetzelfde neer.
Verlangen betekent iets afwijzen, je wil graag iets anders zijn. Verlangenloosheid betekent acceptatie, je bent gelukkig met de dingen zoals ze zijn. In feite zijn de dingen irrelevant, jij bent gelukkig. Jij bent gelukkig, daar gaat het om.

Lao Tse zegt: wees tevreden zoals je bent, verder heb je niets nodig – en dan gebeurt het plotseling allemaal. In diepe acceptatie verdwijnt het ego. Het ego bestaat door afwijzing: altijd als je iets afwijst, bestaat het ego. Altijd als je nee zegt, wordt het ego versterkt. Maar altijd als je ja zegt, helemaal ja zegt tegen het bestaan, dat is de grootste meditatie die je kunt binnengaan. Alle andere meditaties kun je binnengaan, maar daar zal je ook weer uit moeten komen. Dit is de enige meditatie waar je binnengaat en waar je niet uit kunt komen, want als je er eenmaal binnengaat, ben je niet meer. Niemand kan eruit komen.
 
Osho: Tao: The Three Treasures, Talks on Fragments from Lao Tzu’s Tao Te Ching,Volume 1 #10, Question 2.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti. 
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com.
Image by Ghasoub Alaeddin from Pixabay.

Vorige verhalen


Ramakrishna en de man die naar de Ganges ging

 


Dale Carnegie stuurt een brief

 


De nederige keizer Akbar

 


De man met de bijl

 

Liefde is de hele Torah, de rest is commentaar

Ramakrishna en de man die naar de Ganges ging

Er zit niets dan water in de heilige poelen en alle goden die uit hout en ivoor zijn gesneden kunnen geen enkel woord uitbrengen.

Ganges festival

Op een dag ging een volgeling van Ramakrishna op een bepaalde gunstige dag op weg naar de Ganges en hij vroeg Ramakrishna toestemming… 
Hij zei: ‘Dat is goed, ga maar. De Ganges is prachtig, ze zuivert. Maar onthoud één ding: kom niet terug, blijf voor altijd in de Ganges. Want zo gauw je eruit stapt is het effect verdwenen. En heb je die bomen gezien langs de oever van de Ganges?’

En de volgeling zei: ‘Ja, er staan grote bomen langs de Ganges.’
En Ramakrishna zei: ‘Heb je je ooit afgevraagd waarom die daar staan?’
Hij zei: ‘Nee, daar heb ik nooit over nagedacht.’
Ramakrishna zei: ‘Als je in de Ganges stapt en je gaat kopje onder dan is de Ganges vanzelfsprekend zo zuiver dat je zonden je meteen verlaten. Maar ze springen in de bomen en blijven daar zitten. En als je weer naar huis gaat springen ze weer op je.’

In het Oosten heeft men eeuwenlang geloofd in de heilige poelen, dat je gezuiverd wordt als je in de Ganges stapt. Verder heb je niets nodig. Heel goedkoop, heel gemakkelijk. Maar met veel haken en ogen, de priesters nemen je in de maling.
Kabir zegt: ‘Er zit niets dan water in de heilige poelen.’
Hij pakt een hamer in zijn hand en begint je zogenaamde religie te vernietigen.


De Hindoes hebben zoveel waarde gehecht aan de heilige poelen. Het water maakt wel degelijk het lichaam schoon, maar het kan de ziel niet schoonmaken. Hoe kan het je bewustzijn schoonmaken? Je doet iets verkeerd en je stapt gewoon in de Ganges en denkt dat het daarmee opgelost is… Kijk er gewoon eens naar hoe stom de menselijke mind is. Duizenden jaren lang heeft hij geloofd dat alles goed komt als je maar naar een heilige poel, een rivier of een vijvertje gaat.

   Klaagmuur

En zo hebben anderen op die manier in andere dingen geloofd: naar heilige plaatsen gaan, Jeruzalem, of de Klaagmuur, of naar de Ka’aba gaan. Het zijn dezelfde stomme ideeën. Je wil een goedkope manier vinden om van al die dingen die je gedaan hebt af te komen, je wil niet de verantwoording ervoor op jezelf nemen. Je wil jezelf niet transformeren, daarom zoek je deze goedkope manieren. Je blijft wie je bent. De mens is niet veranderd – dat komt door deze dingen. En deze dingen zijn een grote troost geworden. Een moordenaar gaat naar de rivier, een heilige rivier, gaat er kopje in onder en voelt zich helemaal goed.

   De biecht

De christenen doen hetzelfde als ze gaan biechten. Je gaat naar de priester om te biechten en je denkt dat alles opgelost is alleen door te biechten. En de volgende dag sta je klaar om het weer te doen. En je weet dat het niet zo’n probleem is, je kunt het weer gaan doen en dan weer gaan biechten.

Je kunt elk jaar naar de Ganges gaan, erin stappen, en je bent voor een heel jaar schoon en je bent heel deugdzaam geworden. Als je er goed over nadenkt ziet het er zo stom uit. Maar zo heeft de mens tot nu toe geleefd. Uit naam van religie heeft de mens zijn transformatie gewoon maar uitgesteld. En de ware religie zou een transformerende kracht moeten zijn. Maar de zogenaamde religie is geen transformerende kracht geweest. Ze is er integendeel een hindernis voor geweest. Ze is het grootste obstakel geweest voor de mens om te veranderen.

   Ka’aba

Dus blijven religieuze mensen maar in een cirkeltje ronddraaien. Ze blijven bepaalde dingen doen in de hoop dat alles goed zal komen en ze blijven wie ze zijn. Jaar in jaar uit gaan ze naar de tempel. Ze blijven maar spelen met hun kralen, ze blijven maar heilige namen herhalen en ze blijven wie ze zijn – niet de minste verandering. Er verandert nooit iets. Wat ze geloven zijn in feite manieren om zichzelf tegen verandering te beschermen. Wat ze geloven is een verdediging, wat ze geloven is een harnas om zich heen.

Ze willen blijven wie ze zijn. Ze willen dat genoegen ook houden dat ze religieus zijn, dat ze heiliger zijn dan anderen, dat ze geen gewone mensen zijn, dat ze buitengewoon zijn. En deze dingen geven je prachtige dromen over jezelf als zijnde buitengewoon, superieur, heiliger-dan-jij. Dit zijn egotrips.

En Kabir spreekt vanuit zijn eigen ervaring. Hij was naar al die plaatsen geweest, naar de tempel en de moskee, naar de heilige rivier en de heilige plaatsen, hij had heel wat gereisd. Maar hij reisde met zijn ogen open, keek wat er gebeurde. En er gebeurde niets. Hij spreekt vanuit zijn eigen ervaring. Hij is geen theoreticus, bedenk dat altijd goed. Alles wat hij zegt, zegt hij omdat hij het ervaren heeft.

Wat hij verklaart heeft waarde, hij filosofeert niet zomaar, het is niet zomaar een idee dat er niets dan water in de heilige poelen zit. Hij zegt: ‘Ik kan het weten, ik heb erin gezwommen. En de goden die uit hout en ivoor zijn gesneden kunnen geen enkel woord uitbrengen.’

Maar jij blijft maar tot ze bidden. En kijk eens hoe absurd dat nou is, hoe belachelijk dat is: jij hebt ze geschapen! Je hebt ze op de markt gekocht en dan ga je ze aanbidden. Het zijn speeltjes, speelgoed om mee te spelen en je blijft jezelf in de maling nemen. En je kunt jezelf zo
hypnotiseren door je eigen bedrog dat je hele leven naar de haaien kan gaan zonder een glimp van de waarheid te hebben gezien.

Vernietig die afgoden allemaal. Het zal pijn doen, want ze geven je een zekere troost. Het zal heel veel pijn gaan doen, want je zult alleen achterblijven zonder god om voor te huilen, om voor te bidden. Je zult alleen achterblijven in deze uitgestrekte leegte van het bestaan. Maar dat is de eerste stap naar de werkelijkheid, naar de ware God, naar goddelijkheid. Wees naakt van ieder geloof en wees vrij van alle afgoden.

Osho: The Revolution – Discourses on Kabir, p. 20-24.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti. 
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com.
Image by Ron James from Pixabay.
Image by Richard van Liessum from Pixabay.
Image by Eveline de Bruin from Pixabay.
Image by ekrem from Pixabay.

Vorige verhalen


Dale Carnegie stuurt een brief

 


De nederige keizer Akbar

 


De man met de bijl

 


Liefde is de hele Torah, de rest is commentaar

 


Junaid verbreekt zijn vasten

 

Dale Carnegie stuurt een brief

Wees een stem en geen echo!

Het is een keer gebeurd… Een vrouw stuurde een brief naar een Amerikaanse schrijver, Dale Carnegie. Hij had over de radio gesproken over Abraham Lincoln en hij had een groot aantal jaartallen verkeerd.  De vrouw was een groot fan van Abraham Lincoln, dus schreef ze een hele boze brief: ‘U moet niet voor de radio gaan spreken over Abraham Lincoln als u de meest elementaire dingen over zijn leven nog niet weet. Dat is gewoon een belediging. Zorg eerst maar dat u goed geïnformeerd bent voordat u een lezing gaat geven.’

Dale Carnegie was een beroemdheid, had veel bestsellers geschreven. Hij was beledigd, hij werd erg kwaad. Dus schreef hij meteen een brief terug, op dezelfde toon, met dezelfde kwaadheid, dezelfde irritatie. Maar het was al laat en de bediende was naar huis, dus liet hij de brief op de tafel liggen. Hij zou hem de volgende ochtend wel up de bus doen.

Hij keek hij er nog eens naar toen hij hem de volgende ochtend in de envelop stopte. Hij dacht: ‘Dit gaat te ver. Die vrouw heeft zoiets niet geschreven, ze verdient het niet om zoveel kwaadheid van mij te krijgen.’ En in zekere zin was hij ook van mening dat ze wel gelijk had. Dus verscheurde hij de brief en schreef er nog een, die heel anders was. Er zat geen kwaadheid, geen irritatie in, eerder een houding van dankbaarheid dat ze hem bewust had gemaakt van een paar fouten, hij voelde dat hij haar wat verplicht was.
Maar toen bedacht hij: ‘Er is geen haast, als er zoveel kan veranderen in twaalf uur, kan ik nog wel een paar dagen wachten.’

Dus begon hij met een experiment. Hij liet de brief weer op tafel liggen. Tegen de avond las hij hem nog eens en wilde hij weer een paar woorden veranderen. Dat ging zo zeven dagen door. Op de zevende dag was het een liefdesbrief geworden. En Dale Carnegie vertelt dat die vrouw een van de beste vrienden is geworden die hij ooit in zijn leven heeft gehad. Wat zou er gebeurd zijn als de bediende niet was weggegaan en de brief had gepost? Hij zou een vijand hebben gemaakt.
 
Zoals we leven, leven we vanuit het verleden. Als iemand jou beledigt reageer je onmiddellijk. Die reactie komt voort uit je ervaringen in het verleden…
Bijvoorbeeld, iemand beledigt jou. Zoveel mensen hebben jou in het verleden beledigd, er is een wond in je hart gekomen, al die beledigingen hebben een wond gemaakt. Deze belediging raakt je ook in die wond en daarom reageer je. Die reactie zal niet gerechtvaardigd zijn, want deze man heeft deze wond niet gemaakt. En als de wond wordt aangeraakt wordt de pijn niet echt door zijn belediging veroorzaakt. Die komt van al die beledigingen en de reactie is een opeenstapeling. Die is niet gerechtvaardigd.

Daarom krijgt de ander altijd, als je reageert, het gevoel: ‘Waarom reageer je zo heftig? Ik heb niets gezegd.’
Je weet het ook wel: je bent je er niet van bewust dat je iets tegen iemand hebt gezegd wat hem pijn heeft gedaan en waar hij op reageert. En dan zeg je: ‘Je begrijpt me verkeerd, want ik heb niets gezegd om jou te beledigen. Waarom reageer je zo? Ben je gek geworden?’
Maar dat weet je niet. Hij heeft een wond en als je die wond raakt krijg je heel die pijn naar je toe. Die wond is misschien wel door heel veel mensen gemaakt –onbekende, bekende, niet herinnerd- maar de hele wond wordt over deze persoon uitgestort. Dat is niet gerechtvaardigd.

Wat moet je dan doen als je onmiddellijk reageert? Allereerst het verleden opzij zetten. Kijk op een alerte manier naar die man, zodat je niet door het verleden vertroebeld raakt. Kijk naar wat hij ook gezegd heeft, ontleed het, analyseer het, in het licht van het heden.
En het is beter als je er even mee kan wachten en erop kunt mediteren.
 
Osho: Vedanta, Seven Steps to Samadhi – Discourses on the Akshya Upanishad, p. 435 – 437.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti. 
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com.
Image by Pexels from Pixabay.

Vorige verhalen


De nederige keizer Akbar

 


De man met de bijl

 


Liefde is de hele Torah, de rest is commentaar

 


Junaid verbreekt zijn vasten

 


De dood komt de 100 jaar oude koning ophalen

De nederige keizer Akbar

Nederigheid is fundamenteel.
Als je nederig bent, wordt de hele wereld een leraar voor jou.

Er wordt verteld… Het gebeurde eens in het leven van Akbar, dat hij zijn negen wijze mannen bijeenriep want hij was boos en zei: ‘Hier zijn jullie dan en iedereen zegt dat jullie de wijste mensen ter wereld zijn van deze tijd, maar ik heb nog niets van jullie kunnen leren. Wat is er aan de hand? Jullie zijn er en ik blijf maar steeds dezelfde. Wat doen jullie nou eigenlijk?’


Akbar de Grote (1542-1605)

Een kind was met een wijze meegekomen. Hij wilde het hof wel eens zien. Hij moest lachen. De wijze mannen waren stil en het kind lachte.
Akbar zei: ‘Waarom lach je? Dat is een belediging voor het hof! Heb je geen manieren geleerd van je vader?’
Het kind zei: ‘Ik moet lachen omdat deze negen wijze mensen stil zijn en ik weet wel waarom ze stil zijn. En ik weet ook waarom u niet van hen heeft weten te profiteren.’

Akbar keek in het gezicht van het kind – heel onschuldig, maar ook zo eeuwenoud. Altijd als een kind onschuldig is kun je het diepe eeuwenoude in zijn ogen zien – want geen kind is een kind. Het heeft geleefd, veel ervaren. Het draagt alle kennis met zich mee van al zijn ervaringen in het verleden.
Akbar zei: ‘Kun jij me dan iets leren?’
Het kind zei: ‘Ja!’ Akbar zei: ‘Doe het dan!’
Het kind zei: ‘Dan moet u mij eens volgen. Komt u hier maar staan waar ik zit, dan zal ik op de troon gaan zitten. En dan stelt u een vraag als een discipel, niet als een meester.’

En ze zeggen dat Akbar het begreep. Die negen mannen waren volslagen waardeloos geweest. Hij kon niets leren omdat zij niets konden onderwijzen. Ze konden wel onderwijzen, maar hij was er niet klaar voor, hij was niet ontvankelijk, hij was niet nederig genoeg.
Ze zeggen dat hij ging zitten terwijl het kind op de troon zat en zei: ‘Nu vraag je als een discipel, niet als een keizer.’

Akbar heeft nooit iets gevraagd. Ze zeggen dat hij het kind heeft bedankt, zijn voeten heeft aangeraakt en gezegd heeft: ‘Ik hoef niets te vragen. Ik heb zoveel geleerd door alleen maar in een nederige houding aan je voeten te zitten.’
 
Nederigheid is fundamenteel. Ook zonder wijze man kun je veel leren, als je nederig bent. Je kunt leren van de bomen en de bronnen en de wolken en de winden. Het hele bestaan wordt een leraar voor je, als je nederig bent. Maar als je niet nederig bent, ook al is er een Boeddha, zal intimiteit nooit plaatsvinden. Je hebt een Boeddha om je heen, maar er vindt geen intimiteit plaats. Jij bent niet nederig. Je wilt wel iets leren, maar zonder te buigen, zonder je ego omlaag te brengen.

Osho: Until You Die – Discourses on the Sufi Way, pp. 188-189.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti. 
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com.
Afbeeldingen:
Akbar op latere leeftijd, Wikimedia Commons.
Jongen, Pixabay.

Vorige verhalen


De man met de bijl

 


Liefde is de hele Torah, de rest is commentaar

 


Junaid verbreekt zijn vasten

 


De dood komt de 100 jaar oude koning ophalen

 


De specht

De man met de bijl

Alles wat in de mind opkomt zal hij ook vinden.

Er was eens een man die zijn bijl kwijt was en hij begon de buurjongen te verdenken. Zijn uitdrukking, hoe hij praatte, zijn gedrag, zijn manier van doen, alles aan hem verried dat hij de bijl gestolen had. Kort daarna vond hij de bijl toen hij in zijn tuin aan het graven was.
Op een dag zag hij de buurjongen weer. Niets in zijn gedrag en manier van doen wees erop dat hij een bijl zou stelen.


 Dat is het verschil tussen een boeddha mind en een gewone mind. Een gewone mind is iets heel actiefs. Ze is niet zoals een spiegel. Ze laat niet gewoon zien wat er aan de hand is, nee, ze dringt op een actieve manier door. Ze neemt haar eigen ideeën mee naar de werkelijkheid. Ze geeft de werkelijkheid kleur, ze geeft er vorm aan. Ze geeft een vorm aan de werkelijkheid die er niet is, die door de mind zelf is ingebracht…

Soefi’s zeggen dat de mind de ziekte is. En iedereen die geweten heeft is het met hen eens. De truc zit hem hierin dat de mind alles zal vinden waar het ook maar aan denkt. Want eerst stop je iets in de werkelijkheid en dan lees je het. Met je rechterhand stop je het erin en met je linkerhand lees je het en je denkt dat je de werkelijkheid leest…

De jongen blijft dezelfde. De jongen heeft niet eens in de gaten wat er aan de hand is. Hij was een dief geworden en nu is hij geen dief meer – een mooie jongen, een brave jongen, heel goed! Kijk eens hoe hij loopt, zo onschuldig. De jongen is hetzelfde gebleven, maar de mind van de man is veranderd. Als je je mind meeneemt naar de werkelijkheid, zie je iets wat er niet is. Misschien mis je wel iets wat er wel is.

De hindoes noemen dit inbrengen van de mind in de werkelijkheid maya. Dit is de grondoorzaak van iedere illusie. Als je het hindoe concept van maya wil begrijpen, dit is de basis. Als je door de mind leeft leef je in maya, leef je in illusie, leef je binnen je eigen projecties en ideeën. Lagen van je gedachten verbergen jou voor de werkelijkheid en verbergen de werkelijkheid voor jou. Als je de mind laat vallen laat je de maya vallen, de basis van alle hallucinatie.

Als de mind er eenmaal niet is wordt plotseling alles wat er is ontsluierd.

Osho: Just Like That, Talks on Sufi Stories, p.196, 203-204, 213-214 en 222.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti. 
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com.
Image by Victoria from Pixabay.

Vorige verhalen


Liefde is de hele Torah, de rest is commentaar

 


Junaid verbreekt zijn vasten

 


De dood komt de 100 jaar oude koning ophalen

 


De specht

 


Drie wijze mannen opgesloten