1001 verhalen

De nutteloze boom (vervolg)

Lao Tzu zegt tegen zijn discipelen:
‘Leer van deze boom.
Word net zo nutteloos als deze boom
en dan kan niemand jou omhakken.’


Leer iets van deze boom. Die boom is geweldig. Kijk nou, alle bomen zijn weg. Ze hadden waarde, daarom zijn ze weg. De ene boom was heel erg recht, daarom is hij weg. Hij was vast heel erg egoïstisch, recht, trots dat hij iemand was. Weg is hij. Deze boom is niet recht, er zit geen enkele rechte tak aan. Hij is helemaal niet trots, daarom bestaat hij.

Lao Tzu zegt tegen zijn discipelen: als je lang wil leven, word dan nutteloos. Maar bedenk wel wat hij bedoelt als hij ‘nutteloos’ zegt: wordt geen gebruiksvoorwerp, wordt geen ding. Als je een ding wordt, word je op de markt verkocht en opgekocht, dan word je een slaaf. Als je geen ding bent, wie kan jou dan kopen en wie kan jou verkopen?

Blijf God’s schepping. Word geen menselijk gebruiksvoorwerp en niemand zal van jou gebruik kunnen maken. En als niemand van jou gebruik kan maken zal je een mooi eigen leven leiden, onafhankelijk, vrij en blij. Als niemand gebruik van jou kan maken kan niemand jou reduceren tot een middel. Je wordt nooit beledigd, want er is geen grotere belediging in dit leven dan een middel te worden. De een of de ander gaat je gebruiken, je lichaam, je mind, je wezen.

Lao Tzu zegt: wordt een nul zodat niemand naar je kijkt en jij je leven kunt leiden zoals jíj het wilt leven. Niemand gaat zich met jou bemoeien.
 
Op een dag werd Lao Tzu’s discipel Chuang Tzu heel beroemd en de keizer stuurde zijn ministers uit om Chuang Tzu uit te nodigen om zijn eerste minister te worden.

   Chuang Tzu
 
Lao Tzu was erg boos. Hij zei: ‘Je hebt vast iets verkeerds gedaan, waarom is de keizer anders in jou geïnteresseerd? Je moet bewezen hebben ergens nuttig voor te zijn. Je moet mijn leer verkeerd begrepen hebben, hoe komt het anders dat de keizer in jou geïnteresseerd is geraakt? Nu kun je nooit meer rustig leven.’

Wees een nul zodat niemand ook maar op het idee komt dat je ergens nuttig voor kunt zijn. Er is een nutteloosheid die geweldig nuttig is. Lao Tzu noemt dat ‘het nut van de nutteloosheid.’ Maar het heeft zeker geen waarde, geen marktwaarde tenminste. Normaliter wil je iemand van waarde worden, een arts, een ingenieur, een schilder, een dichter, een mahatma (grote heilige). Je wilt iemand worden die waardevol is, die onmisbaar is voor de wereld.

Je wordt er heel gelukkig van als ze komen zeggen: ‘Als jij er niet meer bent kunnen we nooit iemand vinden om jou te vervangen.’ Jij wordt daar enorm gelukkig van, maar wat zeggen ze eigenlijk? Ze zeggen: ‘Jij bent iets wat we gebruiken.’
Hoe onmisbaarder je wordt, hoe meer je wordt gereduceerd tot een ding, hoe meer je vrijheid verloren gaat. Als je kunt sterven alsof er niets is gebeurd, als je van de wereld verdwijnt en er is zelfs geen spoor achtergebleven, dan…


Op een dag ging een groot taoïst dood en Lieh Tzu ging om zijn eer te betuigen, maar er waren duizenden mensen bijeengekomen. Hij stond voor een groot raadsel en hij keerde terug zonder zijn eer te betuigen aan de dode man en zijn dode lichaam. Een paar mensen gingen hem achterna en vroegen: ‘Waarom? U was gekomen om uw eer te bewijzen, waarom gaat u weer terug?’

Hij zei: ‘Deze man kan geen man van Tao geweest zijn. Zo veel mensen die huilen en wenen, hij moet op een of andere manier onmisbaar zijn geworden voor hun levens. Het bewijst dat hij van enig nut moet zijn geweest, waarom staan al die mensen anders te huilen en te wenen alsof hun vader is overleden of hun moeder is overleden of hun zoon is overleden? Waarom staan die mensen te huilen en te wenen? Hij is vast niet volkomen nutteloos geweest. Er moet vast iets van nut geweest zijn, daarom ga ik weer terug. Hij heeft de meester niet juist gevolgd.’
 
Osho: Tao, The Pathless Path – Talks on Extracts From ‘The Book of Lieh Tzu’, Vol. 1, p. 237-239.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti.
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com.  
Image by Ed Kline from Pixabay.

Vorige verhalen


De nutteloze boom

 


Twee eekhoorntjes op dak

 


De soefi op Zelfmoord Punt

 


Eén enkele planeet, één mensheid

 


De Dood moet iets bekennen

De nutteloze boom

Lao Tse prijst de nutteloosheid.
‘Zorg ervoor dat je geen handelswaar wordt,
maar blijf een schepping van God.’

 
Lao Tse kwam met zijn discipelen langs een bos waar honderden timmerlieden bomen stonden te kappen, want er werd een groot paleis gebouwd. Het hele bos was al bijna omgehakt, er stond nog maar één boom, een grote boom met duizenden takken, zo groot dat er wel tienduizend mensen in de schaduw ervan konden zitten.

Lao Tse vroeg aan zijn discipelen om te gaan informeren waarom deze boom nog niet was omgehakt, terwijl het hele bos al gekapt was en een woestenij was geworden.
De discipelen gingen de timmerlieden vragen: ‘Waarom hebben jullie deze boom niet omgehakt?’


Baobab boom, Tarangire National Park

De timmerlieden zeiden: ‘Deze boom is volslagen nutteloos. Je kunt er niets van maken, want elke tak heeft zoveel knoesten. Niets is recht. Je kunt er geen balken van maken. Je kunt er geen meubelen van maken. Je kunt het niet als brandstof gebruiken want de rook is heel gevaarlijk voor je ogen. Je kunt er blind van worden. Deze boom is volslagen nutteloos. Daarom.’

Ze kwamen weer terug. Lao Tse moest lachen en zei: ‘Word als deze boom. Als je in deze wereld wilt overleven, word dan als deze boom, volslagen nutteloos. Dan zal niemand je iets aandoen. Als je recht bent word je omgehakt, dan word je een meubelstuk ergens in een huis. Als je mooi bent word je op de markt verkocht, dan word je handelswaar. Wees net als deze boom, volslagen nutteloos. Dan kan niemand je kwaad doen. En dan word je groot en uitgestrekt en kunnen duizenden mensen een plekje in de schaduw onder jou vinden.’

 Lao Tse heeft een totaal andere logica dan hoe jij denkt. Hij zegt: wees de laatste. Beweeg door de wereld alsof je er niet bent. Blijf onbekend. Probeer niet om de eerste te worden, anders gooien ze je weg. Ga niet concurreren, probeer jezelf niet te bewijzen. Dat is nergens voor nodig. Blijf nutteloos en geniet.

Natuurlijk is hij niet praktisch. Maar als je begrijpt wat hij bedoelt kom je erachter dat hij veel praktischer is op een dieper niveau, in de diepte, want het leven is er om van te genieten en om het te vieren. Het leven is er niet om van nut te worden.

Het leven is eerder poëzie dan iets nuttigs op de markt. Het zou als een gedicht moeten zijn, een lied, een dans. Een bloem langs de weg, die voor niemand in het bijzonder bloeit, zijn geur aan de wind meegeeft, zonder enige bestemming, zonder iemand bijzonders te zijn, die gewoon op zichzelf zit te genieten, zichzelf zit te zijn.

Lao Tse zegt: als je heel slim probeert te zijn, als je heel nuttig probeert te zijn, gaan ze je gebruiken. Als je heel praktisch probeert te worden, gaan ze je ergens harnassen, want de wereld kan de praktische mens niet met rust laten.

Lao Tse zegt: laat al die ideeën varen. Als je een gedicht wilt worden, een extase, vergeet dan dat nuttig zijn. Blijf dan jezelf trouw. Wees jezelf. De hippies hebben een gezegde: doe je eigen ding. Lao Tse is de eerste hippie ter wereld.
 
 Osho: Tao, The Three Treasures -Talks on Fragments From Tao Te Ching by Lao Tzu, Vol. 1, p. 69–71.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti.
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com.  

Vorige verhalen


Twee eekhoorntjes op dak

 


De soefi op Zelfmoord Punt

 


Eén enkele planeet, één mensheid

 


De Dood moet iets bekennen

 


Het kind dat alleen wilde snoepen

 

Twee eekhoorntjes op dak

Doodgaan, in vrede accepteren, het onbekende liefdevol betreden, in blijdschap afscheid nemen van oude vrienden, de oude wereld.

Er was eens een zenmeester, Lin Chi, die op sterven lag. Duizenden discipelen hadden zich verzameld om zijn laatste woorden te aanhoren, maar Lin Chi lag daar gewoon, blij, met een glimlach, maar zonder iets te zeggen. En oude vriend, zelf ook een meester, die zag dat hij ging sterven maar helemaal niets zei, wilde hem eraan herinneren… Hij was geen discipel van Lin Chi. Daarom kon hij tegen hem zeggen: ‘Lin Chi, ben je vergeten dat je je laatste woorden moet zeggen? Ik heb altijd al gezegd dat je geheugen je in de steek laat. Je ligt op sterven… ben je dat vergeten?’
Lin Chi zei: ‘Hoor eens.’
Op het dak renden twee eekhoorntjes krijsend rond.
Toen zei hij: ‘Wat mooi.’
En hij gaf de geest.


Heel eventjes, toen hij ‘hoor eens’ zei, viel er een absolute stilte. Iedereen dacht dat hij iets groots ging zeggen, maar alleen twee eekhoorntjes, die vochten, krijsten, over het dak renden… en hij glimlachte en gaf de geest.

Toch heeft hij zijn laatste boodschap gegeven: maak geen dingen groot of klein, triviaal of belangrijk. Alles is belangrijk. Op dit moment is Lin Chi’s dood even belangrijk als die twee eekhoorntjes die over het dak rennen, het maakt geen verschil. Voor wat bestaat is het allemaal hetzelfde. Dat was heel zijn filosofie, wat hij heel zijn leven onderwezen had: dat er niets is wat groot is en niets wat klein is. Het hangt helemaal van jou af, wat jij ervan maakt…
 
Alles wat je doet moet uitdrukken wie je bent, het moet jouw handtekening dragen. Dan wordt het leven een feest wat maar doorgaat. Ook als je ziek wordt en in bed ligt, dan maak je nog van die momenten in bed momenten van schoonheid en blijdschap, momenten van ontspanning en rust, momenten van meditatie, momenten van luisteren naar muziek of poëzie.

Je hoeft niet te treuren dat je ziek bent. Je zou blij moeten zijn dat iedereen op kantoor is en dat jij je als een koning in bed ligt te ontspannen. Iemand maakt thee voor je, de samovar zingt een liedje, er is een vriend langsgekomen om fluit voor je te spelen…
Die dingen zijn belangrijker dan welk medicijn ook. Als je ziek bent vraag je om een dokter. Maar het is belangrijker om te vragen om degenen die van je houden, want er gaat geen medicijn boven de liefde. Vraag om diegenen die schoonheid, muziek, poëzie om je heen kunnen creëren, want er is niets wat zo genezend werkt als een feestelijke stemming.

Medicijnen vormen een behandeling van de laagste soort. Maar het lijkt wel of we alles vergeten zijn, dus moeten we afhankelijk zijn van medicijnen en mopperig en treurig zijn. Alsof je zoveel plezier mist omdat je niet op kantoor bent! Op kantoor voelde je je ellendig. Nou ben je net een dag vrij en dan houd je ook nog aan die ellende vast. Je laat het niet los.

Maak alles creatief, maak van het slechtste het beste, dat is wat ik ‘de kunst’ noem. En als iemand zijn hele leven zo geleefd heeft dat hij van elk moment en elke fase ervan iets moois, iets liefdevols, iets vreugdevols heeft gemaakt, dan wordt zijn dood vanzelfsprekend ook de hoogste piek van alles wat hij in zijn leven heeft ondernomen.
De puntjes op de i… zijn dood zal niet zoiets lelijks worden als normaal met iedereen gebeurt. Als de dood lelijk is, wil dat zeggen dat je hele leven een verspilling is geweest. Doodgaan zou accepteren in vrede moeten zijn, het onbekende liefdevol betreden, in blijdschap afscheid nemen van oude vrienden, de oude wereld. Er zou helemaal geen sprake van tragedie moeten zijn.
 
Osho: Beyond Enlightenment, p. 659-661.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti.
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com.  
Image by Brigitte JAUFFRINEAU from Pixabay. 

Vorige verhalen


De soefi op Zelfmoord Punt

 


Eén enkele planeet, één mensheid

 


De Dood moet iets bekennen

 


Het kind dat alleen wilde snoepen

 


De leeuw en het schaap

De soefi op Zelfmoord Punt

Wat we hebben waarderen we niet omdat we het voor lief nemen.

Dat doet me denken aan een soefi verhaal… Iemand ging zelfmoord plegen omdat hij arm was, zonder opleiding, zonder werk. En hij haatte het om te moeten bedelen. Hij vond dat hij maar beter zelfmoord kon plegen dan te gaan bedelen. Hij was op weg naar de rivier om van een hoge plek af te springen om te verdrinken, maar toevallig kwam hij, op het hoogste punt waar hij vanaf wilde springen, een soefi mysticus tegen.
En de soefi mysticus zei: ‘Zo, ben je hier dan? Mensen komen hier alleen om zelfmoord te plegen. Ik heb deze plek uitgekozen om te mediteren, want het komt maar zelden voor dat mensen zelfmoord willen plegen, daarom is dit een hele stille plek.’
De man zei: ‘Dat is vreemd, ik heb nog niets gezegd en u heeft het meteen bij het rechte eind. Ik ben gekomen om zelfmoord te plegen.’


Zelfmoord punt
 
De soefi zei: ‘U kunt wel zelfmoord plegen. Maar ik heb u een aanbod te doen: hoeveel wilt u hebben voor beide ogen? De koning heeft twee mooie ogen nodig en u heeft mooie ogen. En de koning weet dat ik altijd bij Zelfmoord Punt zit.’
Zo werd die plek genoemd.
‘Mensen komen hier om zelfmoord te plegen… wat moeten ze nog met die twee ogen? Ze kunnen ze aan de koning geven. Dus zegt u het maar, wat u ook voor uw ogen wilt hebben, uw bod zal worden aanvaard.’
De man moest even nadenken. Hoeveel moest hij vragen? Hij kon niet nadenken. Wat hij ook bedacht… vijfhonderdduizend roepies? Vijfhonderdduizend roepies voor allebei mijn ogen? Een miljoen? Twee miljoen?… Maar het leek allemaal niet op de juiste prijs.
Uiteindelijk zei hij: ‘Tien miljoen roepies.’
De mysticus zei: ‘Akkoord. Ga maar met mij mee. Eerst zullen we je ogen nemen… en dan breng ik je hier weer terug. Dan spring je en pleeg je zelfmoord.’

Onderweg zei de soefi: ‘Maar ik heb nog een paar klanten. Hoeveel zou je willen hebben voor je hoofd, zonder ogen?’
Hij zei: ‘Wat bent u een rare. Wie wil er nou mijn hoofd hebben zonder ogen?’
De soefi zei: ‘Ik heb een klant. Hij is tovenaar en hij heeft heel dringend een schedel nodig en ogen interesseren hem niet. Hij gaat toch alle huid verwijderen, alles, en gaat je schedel helemaal schoonmaken.’
De man zei: ‘Mijn God! Hoe moet ik dan terugkomen en…?’
De soefi zei: ‘Laat dat maar aan mij over.’
De man zei: ‘Daar heb ik nog nooit over nagedacht. Hoeveel zou passend zijn? Wat denkt u?’
Hij zei: ‘Elk willekeurig bod… dat zal aanvaard worden.’
Dus verkocht de man zijn schedel voor nog eens tien miljoen.

Onderweg vroeg de soefi: ‘Zou u de rest van uw lichaam ook willen verkopen? Want wat heeft het voor zin? U bent al dood, uw ogen zijn weg, uw hoofd is weg, wat is er nog over? Het heeft geen zin om het lichaam nog te houden… en ik heb een klant. Het is een wetenschapper en hij ontleedt lichamen. Hij heeft altijd lichamen nodig, verse lichamen. En hij zal helemaal gelukkig zijn, want hij kan nergens zo’n vers lichaam krijgen, dat pas is overleden. De ogen zijn weg, het hoofd is eraf gehakt, maar het lichaam zal nog steeds warm zijn. Het is net als een bloem dat van een boom is gerukt terwijl ze nog leefde. Het duurt nog twee of drie dagen voordat ze verwelkt is.’

De man zei: ‘Maar… met zelfmoord is alles afgelopen!’
De mysticus zei: ‘Wat zelfmoord? Alles is verkocht!’
De man vroeg: ‘Maar wie krijgt dan al dat geld?’
De mysticus zei: ‘Dat krijg ik natuurlijk, want u bent er dan niet meer. Wie zou het anders moeten krijgen? Zie het maar als mijn commissie. Als u het mee wilt nemen, neem het maar mee. Maar u bent er dan niet meer, u zult het niet nodig hebben.’

Toen ze bij het paleis aankwamen kwam de gedachte weer bij hem op: wat gaat hij nou doen? Hij had er nooit bij nagedacht dat zijn ogen zoveel waarde hadden, dat zijn schedel waarde had, dat heel zijn lichaam waarde had… dat deze man dertig miljoen roepies ging verdienen.
Hij zei: ‘Ik wil geen zaken meer doen.’
De soefi zei: ‘En die zelfmoord dan?’
De man zei: ‘Ik wil ook geen zelfmoord meer plegen! Ik besef voor het eerst dat ik een rijk man ben. Tot nu toe heb ik altijd gedacht dat ik een bedelaar was. Ik ging zelfmoord plegen omdat ik dacht dat ik niets had. Nu besef ik pas hoeveel ik heb.’

De mysticus zei: ‘Dat moet jij weten. Dan moet ik teruggaan om op iemand anders te wachten. Maar denk nog eens goed na. Zulke goede klanten krijg je niet gauw.’
De man zei: ‘Laat me gewoon met rust! U bent een gevaarlijke kerel. Ik heb altijd gedacht dat u een religieuze heilige was, altijd mediteren op dat heuveltje. U lijkt wel de gevaarlijkste man te zijn. U was me beetje bij beetje aan het verkopen en uiteindelijk zou u al het geld opstrijken! Ik weet niet hoeveel mensen u al verkocht heeft, maar ik snap wel waarom u daar blijft zitten: daar kunt u zakendoen. Ik ga de hele stad erop wijzen: ga niet naar dat punt en hoed je voor die man. Hij is gevaarlijk, heel erg gevaarlijk.’


Als je maar één gebed per dag zegt,
maak er dan van: Dank u.

Rumi.

De mysticus zei: ‘Ik heb je gewoon proberen te helpen. Jij ging zoiets waardevols vernietigen door te verdrinken in de rivier. Ik heb geprobeerd om je wakker te maken. Het bestaan heeft je zoveel waardevols gegeven en in plaats van daar dankbaar voor te zijn gedraag je je op zo’n lelijke manier. Er zijn geen klanten, dat was allemaal verzonnen. Wat moet de koning nou met jouw ogen, dode ogen? En de tovenaar kan van het kerkhof zoveel schedels krijgen als hij maar wil. En iedere dag gaan er mensen dood in het ziekenhuis en zijn er verse lichamen beschikbaar voor de wetenschapper. Dus er is helemaal geen klant. Het was gewoon bedoeld om je ervan bewust te maken dat je zoveel waardevols bezit, wat je door de natuur geschonken is en waarvoor je niet dankbaar bent, waarvoor je geen gebed in je hart voelt. Voel je dan helemaal geen dankbaarheid? Is zelfmoord jouw dankbaarheid?’
 
Osho: The New Dawn, p. 30-31.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti.
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com.  
Afbeeldingen:
https://upload.wikimedia.org/wikipedia/commons/4/46/Kodaikanal_Suicide_Point.JPG
https://scatteredimpressions.files.wordpress.com/2015/04/thank-you1.jpg

Vorige verhalen


Eén enkele planeet, één mensheid

 


De Dood moet iets bekennen

 


Het kind dat alleen wilde snoepen

 


De leeuw en het schaap

 


Een man in de bioscoop

Eén enkele planeet, één mensheid

Dit is één enkele planeet, één mensheid: grenzen zijn allemaal onzin.


Ik heb jullie wel eens een verhaal verteld… Toen India gesplitst werd in twee naties, India en Pakistan, ging er een gerucht dat precies op de grens een gekkenhuis stond. India en Pakistan hadden geen van beide belangstelling voor dat gekkenhuis. Maar er moest toch iets gebeuren. Het moest toch wel ergens naar toe gaan.

Uiteindelijk riep de directeur van het gekkenhuis alle gekken bijeen en vroeg aan hen: ‘Willen jullie naar India?’
Ze zeiden: ‘Nee, we hebben het hier heel goed naar onze zin.’
De directeur zei: ‘Jullie blijven hier wel. Maak je daar maar geen zorgen over. Maar vertel me gewoon: willen jullie naar India?’
Ze keken mekaar allemaal aan en zeiden: ‘‘En ze zeggen dat wij gek zijn! Er is echt iets mis met onze directeur. Als we toch hier blijven dan komt de vraag toch niet op of we naar India gaan? Waarom zouden we naar India gaan?’

De directeur zat met een probleem hoe hij dit nou aan die krankzinnige mensen moest uitleggen.
Hij zei: ‘Gaan jullie dan liever naar Pakistan?’
Ze zeiden: ‘Nee, helemaal niet. We zijn helemaal gelukkig hier. Waarom zouden we ergens naar toe gaan?’
Hij probeerde het opnieuw uit te leggen: ‘Jullie blijven hier gewoon, of je nou voor India of voor Pakistan kiest. Jullie gaan nergens naar toe.’

Toen zeiden ze: ‘Wat is dat toch raar. Als we nergens naar toe gaan, waarom stellen jullie er dan vragen over? Wij zijn hier.’
Het was niet mogelijk om hen uit te leggen dat het geen kwestie was van fysiek verhuizen naar India of Pakistan. Het was een politieke kwestie: ‘Bij welk land, binnen welke grenzen, willen jullie behoren?’

Uiteindelijk werd door de autoriteiten besloten dat het gekkenhuis ook in tweeën verdeeld zou worden. Het ene zou in India staan, het andere in Pakistan. Ze richtten een enorme muur op, die het hele gekkenhuis gewoon in tweeën deelde.

En ze zeggen dat de gekken nog steeds tegen de muur op klimmen, met de mensen aan de andere kant praten en zeggen: ‘We snappen er niets van. Wij zijn hier, jullie zijn hier, maar jullie zijn naar Pakistan gegaan en wij naar India, gewoon omdat ze deze muur hebben opgetrokken. En het meest wonderlijke van dit alles is dat ze denken dat wij gek zijn.’


De grens tussen India en Pakistan.

Het is een krankzinnige wereld. Alle grenzen zijn volslagen onzinnig. Alles wat de ene mens van de andere scheidt is onmenselijk, ongeciviliseerd, onbeschaafd. Maar niemand vraagt zich af of naties geen fictie zijn en omdat je je dat nooit afvraagt, ga je geloven dat naties ook werkelijk bestaan. Dan rijst de vraag op over opkomen voor je vaderland. Je moet zelfs je leven opofferen voor het vaderland en dat is een fictie.

Die dingen bestaan nergens, India niet, Duitsland niet, Japan niet, Amerika niet. Het is één enkele planeet, één mensheid. Maar vanwege die fictie gaan ze maar door met elkaar uit te moorden. Echte mensen worden doodgemaakt vanwege een onecht idee.
Opkomen voor het vaderland is de oorzaak geweest van al die oorlogen. Als iedereen die naar die oorlogen was gegaan had geweigerd, ‘Wij gaan niemand vanwege een fictie doodmaken en we gaan niet sterven voor een fictie,’ dan waren er geen oorlogen geweest, geen politici. Dan was de wereld een vredige, mooie plek geweest om in te wonen.

Eeuwenlang hebben we niets anders gedaan dan vechten, dan moorden. Het lijkt wel of oorlog onze enige bezigheid is. Het ene moment vechten we en het andere bereiden we ons voor op een gevecht in de toekomst. Maar al die tijd zitten we verwikkeld in één enkele bezigheid, dat van moordenaar, omdat ze ons een stom idee hebben aangeleerd: opkomen voor je vaderland, opkomen voor je religie.

Alle religies hebben je geleerd dat je eigen leven minder waard is dan je religie. Wat een raar idee is dat toch? Al die dingen zouden er voor de mens moeten zijn, niet andersom. Een religie bestaat om de mens te helpen, niet om hem te vernietigen. Maar alle religies zijn bezig geweest om de mens te vernietigen, geen enkele heeft hem geholpen.
Ze zeggen: ‘Jij bent verantwoordelijk, als je religie in de problemen zit of grotere gebieden probeert te veroveren, meer zieltjes probeert te winnen, jij bent verantwoordelijk om jezelf op te offeren.’

Dat doet me denken aan de primitieve godsdiensten, want het is een overblijfsel uit die tijd. In het oeroude boek van de Hindoes, de Rigveda, bracht men offers aan een fictieve god. Niemand heeft hem ooit gezien, niemand heeft ook maar enige notie van wat ze met dat woord bedoelen. Er is geen enkel bewijs, geen enkele getuige. Maar omwille van die onechte, fictieve god, die alleen maar een hypothese is, werden zelfs mensen geofferd voor een stenen beeld. Een beeld wat je zelf hebt gemaakt.   
 
Osho: Sat Chit Anand, p. 382-383.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti.
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com.  
Image by GooKingSword from Pixabay.
http://zindabad.pk/wp-content/uploads/2016/01/Indo-Pak-border-Sialkot.jpg

Vorige verhalen


De Dood moet iets bekennen

 


Het kind dat alleen wilde snoepen

 


De leeuw en het schaap

 


Een man in de bioscoop

 


Ryokan vergeet eten te halen

 

De Dood moet iets bekennen

De Dood moet bekennen: ik heb nog nooit iemand doodgemaakt!

In de Upanishads staat een heel mooi verhaal. Een oude man, een schatrijke man, een brahmaan van de allerhoogste kaste, een groot schriftgeleerde, is bezig om cadeaus uit te delen aan andere brahmanen omdat hij weet dat hij spoedig zal komen te overlijden. Zijn zoontje, die Nachiketa heet, kijkt naar al die dingen die hij uitdeelt. Het is allemaal rotzooi, mensen geven dat soort dingen weg als cadeau. Ik heb cadeaus geobserveerd, ze blijven maar van hand tot hand gaan. Niemand doet er iets mee, ze zijn zo nutteloos dat je al rond gaat kijken aan wie je ze zal geven zodra je ze krijgt.

Hij had duizenden koeien, in die dagen waren koeien in India het symbool van rijkdom. Hoeveel koeien bezit je, dat was je bankrekening. Maar hij had de oudste koeien uitgezocht, die geen melk meer gaven. En in India is een oude koe een last. Je kunt haar niet doodmaken, want ze is je moeder. Ze geeft jou geen melk, maar je kunt je moeder niet laten verhongeren. Dat is niet religieus.
Het is ongelooflijk wat in het geschrift van Manu staat, dat nu nog steeds na vijfduizend jaar de Hindoe samenleving beheerst. Daar staat: ‘Een koe doodmaken staat bijna gelijk aan honderd onaanraakbaren, soedra’s, doodmaken.’ De koe is zo waardevol dat de misdaad opweegt tegen het doden van honderd soedra’s, de onaanraakbaren, de armen, de armsten ter wereld. En God zal het je wel vergeven als je honderd soedra’s doodmaakt, maar niet als je ook maar één koe doodmaakt.

Dus hij gaf oude koeien weg aan andere brahmanen en omdat de jongen onschuldig was kon hij niet zien waarom hij dat deed. Hij vroeg zijn vader: ‘Wat doet u nou? Deze mensen zijn al arm en ze lijden honger en u geeft ze oude koeien, waarvan ik heel goed weet dat ze helemaal geen melk meer geven. Het lukt deze arme brahmanen niet eens om twee maaltijden per dag bij elkaar te scharrelen. Hoe moeten ze die koeien dan gaan voeren?’
Hij bleef steeds maar weer aandringen, zozeer dat zijn vader er boos van werd. Hij zei: ‘Pas maar op, straks geef ik jou ook nog weg!’
Hij zei: ‘Aan wie geef je me dan weg?’
In zijn kwaadheid zei de vader: ‘Ik geef je aan de Dood.’

Terwijl de brahmanen allemaal voorbijkwamen, bleef hij wachten. Toen de ceremonie van weggeven voorbij was vroeg hij aan zijn vader: ‘Maar de dood is nog niet gekomen en u zou me aan de dood weggeven. Ik zal op zoek moeten gaan naar de Dood want in zekere zin heeft u me al aan de Dood gegeven in uw kwaadheid.’
De vader wist wel… ‘Waar moet hij de Dood nou gaan zoeken?’
Hij zei: ‘Dat is goed, ga jij maar zoeken. Als je hem kunt vinden, zal ik je weggeven…’

Het is een prachtig verhaal, hoewel het van hieraf allegorisch wordt. De kleine Nachiketa -een van de mooiste namen wat zoekers betreft – gaat overal aan iedereen vragen waar hij de Dood kan vinden. Totdat hij tenslotte bij het huis van de Dood aankomt. Maar de Dood is weggegaan om een paar mensen op te halen wiens tijd gekomen is. Dus komt hij zijn vrouw tegen. De vrouw, die een brahmaan van zo’n hoge kaste voor zich ziet -en zo’n onschuldig kind ook nog- vraagt of hij binnen wil komen.

Hij zei: ‘Nee, ik ga niet naar binnen als de Dood me niet uitnodigt. Ik blijf buiten zitten.’ De vrouw brengt hem eten en iets om te drinken. Hij weigert het. Hij zegt: ‘Ik blijf vasten totdat de Dood komt.’
Er zijn drie dagen voorbijgegaan en de vrouw maakt zich ernstig zorgen: het jongetje heeft nog niets gegeten, nog niets gedronken. Eindelijk komt de Dood terug en Nachiketa zegt: ‘Mijn vader heeft me aan u gegeven.’

De Dood zegt: ‘Maar jij bent te jong. Het is jouw tijd nog niet en je vader heeft niet het recht om je weg te geven. Als het jouw tijd is, kom ik je zelf wel halen. Je hebt zo’n lange reis gemaakt, onnodig, en je hebt zitten vasten. Zelfs ik leef met je mee. Wat kan ik voor je betekenen? Zeg jij het maar, je mag van mij drie wensen doen. Je mag al het geld hebben dat je wilt, je kunt een groot koninkrijk krijgen als je dat wilt, welke mooie vrouw je ook verlangt, je kunt haar krijgen. Wat je maar wilt, zeg het gewoon en ik doe het.’
Nachiketa zegt: ‘Als ik een koning ben, komt u dan wel of niet?’

En de Dood zegt: ‘Wat stel je een vreemde vragen. Uiteindelijk zal ik op een zekere dag moeten komen, of je nou een koning of een bedelaar bent.’
Hij zegt: ‘Dan heeft geen enkele zin om een koninkrijk te vragen. En de dood zal voor de rijkste man hetzelfde zijn. Aangezien u toch gaat komen zie ik geen enkele reden om iets van deze wereld te vragen. Ik zal u maar één vraag stellen: ‘Als u komt, ga ik dan echt dood, of is het maar een façade? Ga ik gewoon van lichaam wisselen zoals van huizen? U moet me de waarheid vertellen.’

De Dood is ten einde raad, want dit is zijn geheim. Maar beloofd is beloofd, dus zegt de Dood: ‘Het is heel moeilijk voor mij om je daar antwoord op te geven, maar tegenover zo’n onschuldige navraag moet ik wel eerlijk antwoord geven. Ik heb nog nooit iemand doodgemaakt. Ik heb gewoon hun oude verrotte lichamen, hun oude verrotte geesten vervangen en nieuwe lichamen aan hen gegeven.
En er zijn een paar die zo totaal en zo bewust geleefd hebben dat ze niet terug hoeven te komen in de wereld als een afzonderlijke entiteit. Zij krijgen niet opnieuw een lichaam. Zij krijgen van mij het hele bestaan om in te verdwijnen. Zij zullen in de kosmos zijn, niet als afzonderlijke eenheden, maar als één met het geheel…’

Daarop zegt Nachiketa: ‘Dan is er geen probleem. Ik hoef niet bang te zijn voor u. U bent gewoon niets anders dan een fictie. Zij die onbewust leven geloven dat u er werkelijk bent, zij die bewust leven weten dat u een fictie bent, gewoon uiterlijke schijn.’
   
Osho: Sat Chit Anand, p. 374-375.
Osho: The Message Beyond Words – A Dialogue with the Lord of Death.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti.
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com.  
Image by Tyli Jura from Pixabay.

Vorige verhalen


Het kind dat alleen wilde snoepen

 


De leeuw en het schaap

 


Een man in de bioscoop

 


Ryokan vergeet eten te halen

 


De gepensioneerde chirurg

Het kind dat alleen wilde snoepen

Wie ben jij om iemand anders raad te geven als je deze zelf niet kunt opvolgen?

Een oeroud soefiverhaal… Een vrouw had een groot probleem met haar kleine kind. Ze had maar één kind, haar man was overleden. Ze was rijk maar ze was alle lust om te leven kwijtgeraakt. Ze leefde alleen nog maar voor dit kleine kind en het spreekt vanzelf dat kinderen in zo’n situatie worden verwend. Het kind wilde niets anders eten dan alleen snoep. De dokters zeiden: ‘Dat is niet goed voor hem, dat is zo slecht voor zijn gezondheid.’ Maar het kind wilde niet luisteren.

De vrouw ging altijd naar een soefi mysticus, dus kwam de gedachte bij haar op: ‘Naar mij luistert hij toch niet, maar misschien luistert hij wel naar deze mysticus, want die man heeft zo’n uitstraling dat iedereen die bij hem in de buurt komt ervan onder de indruk raakt.’
Ze nam het kind mee en zei tegen de mysticus: ‘Hij wil naar niemand luisteren. Doktoren zeggen tegen hem dat het heel slecht is voor zijn gezondheid en dat doe ik ook elke dag. Het enige wat hij eet is snoep, hij lijdt nog liever honger dan dat hij wat anders eet. Het is mijn enig kind, mijn man is overleden en ik leef alleen nog maar voor hem. Ik kan er niet tegen om hem honger te zien lijden en daarom geef ik hem snoep, in de wetenschap dat ik hem vergif geef. Witte suiker is wit vergif. Daarom heb ik hem meegenomen. Zegt u eens iets tegen hem! U bent een man van God, misschien dat uw woorden wel op een of andere manier overkomen.’

De mysticus keek het kind eens aan. Hij zei: ‘Mijn zoon, op dit moment ben ik niet in de positie om je antwoord te geven, want ik houd er zelf ook van om te snoepen. Kom over twee weken maar terug. Als het me lukt zal ik twee weken lang geen snoep meer nemen. Dan kan ik je pas raad geven, anders ben ik niet de juiste persoon om raad te geven.’

De vrouw kon haar oren niet geloven. Dit kon nog wel eens gevaarlijk worden… maar het kind was enorm onder de indruk. Hij raakte de voeten van de mysticus aan. Hij zei: ‘Ze hebben me naar allerlei mensen meegenomen. Mijn moeder neemt me steeds mee, van de ene wijsneus naar de andere, en ze komen allemaal meteen met hun goede raad. U bent de eerste die oprecht is. Over twee weken kom ik terug en dan zal ik doen wat u ook zegt. U kan ik vertrouwen.’

Een man die tegen een kind eerlijk bekent… ‘Op dit moment ben ik niet in de positie om je ook maar raad te geven, want ik houd zelf van snoep. Dus moet ik eerst mijn eigen goede raad zelf uitproberen en kom daarna maar terug. Als het me niet lukt zal ik zeggen: “Het spijt me, ik kan je geen raad geven.” Als het me wel lukt zal ik zeggen: “Maak je maar geen zorgen, als het mij lukt -een oude man- jij bent zo jong en sterk, jou lukt het zeker. Probeer het maar eens!”’

De moeder was geschokt. Als de mysticus over twee weken zegt dat het hem niet gelukt is, dan is het helemaal einde verhaal. Dan is er niemand anders waar ze met het kind terecht kan. Twee weken later kwamen ze terug. De mysticus zei: ‘Mijn zoon, het is moeilijk, maar niet onmogelijk. Het is me gelukt om twee weken lang geen snoep te eten en ik beloof je dat ik nooit van mijn leven nog snoep zal aanraken. Denk je dat ik je raad kan geven? Alleen als je me toestaat om je raad te geven, zal ik dat doen.’

Het kind zei: ‘U hoeft niets meer te zeggen. Ik heb de boodschap begrepen. Ik ben u dankbaar. Iemand als u, die bereid is om het snoepen op te geven wat hij zijn hele leven gedaan heeft, is het waard om te vertrouwen. Ik vertrouw u. Ik beloof u ook dat ik van nu af aan nooit meer zal snoepen.’
 
Osho: The Great Zen Master Ta Hui, p. 56-57.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti.
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com.  
Image by Shirley Hirst from Pixabay.

Vorige verhalen


De leeuw en het schaap

 


Een man in de bioscoop

 


Ryokan vergeet eten te halen

 


De gepensioneerde chirurg

 


De timmerman en het tafeltje voor de koning

De leeuw en het schaap

Machtswellust staat aan de basis van elke oorlog,
elke reden is alleen maar een smoesje.

In een van de fabels van Aesopus -en die behoren tot de grootste fabels ter wereld, zo simpel maar zo veelbetekenend- staat een schaapje water te drinken uit een bergbeekje met kristalhelder water. Een grote leeuw komt langs en raakt geïnteresseerd in het schaap -het is tijd voor zijn ontbijt dus moet hij een smoes verzinnen.
Hij zegt tegen het schaap: ‘Je vervuilt de beek. Begrijp je dan niet dan ik de koning van het oerwoud ben?’

Het arme schaap zei: ‘Dat weet ik wel, maar hoogheid, de beek stroomt niet naar u toe. Ik sta lager dan u en ook al wordt het vuil omdat ik eruit drink, het water stroomt omlaag -niet naar u toe. U maakt het vuil en ik drink dat vuile water. Dus het klopt niet wat u zegt.’


De leeuw zag het punt en werd heel erg boos. Hij zei: ‘Jij hebt geen respect voor je meerderen. Wat een lef om erover te gaan argumenteren.’
Het arme schaap zei: ‘Dat was geen argumenteren, ik heb alleen de feiten benoemd. U kunt zien dat de beek omlaag stroomt.’

De leeuw was even stil en zei toen: ‘Nou weet ik het weer. Jij komt uit een heel slecht opgevoede, ongeletterde familie. Je vader heeft me gisteren beledigd.’
Het arme schaap zei: ‘Dat is vast iemand anders geweest, want mijn vader is al drie maanden dood en u weet vast nog wel dat hij in uw buik zit. Hij leeft niet meer. U hebt middageten van hem gemaakt. Hoe kan hij onbeleefd tegen u zijn geweest? Hij is dood!’

Dat was de druppel. De leeuw besprong het schaap en greep hem vast met de woorden: ‘Jij hebt geen manieren, jij kent de etiquette niet, jij weet niet hoe je je moet gedragen.’
Het schaap zei: ‘Het is tijd voor ontbijt, dat is het simpele feit. Eet me maar gewoon op, het is nergens voor nodig om nog een smoes te verzinnen.’
 
Aesopus heeft wonderen verricht met zulke simpele parabels. Hij heeft zoveel over de mens weten te zeggen… Machtswellust heeft de mensheid vernietigd en haar belet om creatiever te zijn, mooier te zijn, gezonder te zijn, heel te zijn. En het is deze machtswellust die uiteindelijk leidt tot conflict, wedijver, jaloezie en uiteindelijk tot oorlog.

Machtswellust staat aan de basis van elke oorlog. Als je kijkt naar de geschiedenis van de mensheid… heel de geschiedenis van de mensheid is niets anders dan een geschiedenis van oorlogen, mensen die mensen doden. De redenen zijn veranderd, maar het doden gaat door. Het lijkt wel of redenen alleen maar smoesjes zijn. De waarheid komt in feite hierop neer dat de mens ervan geniet om te doden.
 
Osho: The Rebel, p. 36.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti.
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com.  
Image by Karen .t from Pixabay.

Vorige verhalen


Een man in de bioscoop

 


Ryokan vergeet eten te halen

 


De gepensioneerde chirurg

 


De timmerman en het tafeltje voor de koning

 


Het goddelijke heeft zich verstopt

Een man in de bioscoop

Als de toeschouwer geïdentificeerd raakt met iets op het bioscoopscherm…


Ik heb eens gehoord…
… dat er een man naar de middagvoorstelling zat te kijken, toen de stomme film voor het eerst zijn intrede had gedaan, bij de eerste vertoning in Londen. Iedereen ging de zaal uit maar hij bleef zitten.
De directeur ging naar hem toe en zei: ‘De voorstelling is afgelopen.’
Hij zei: ‘Ik wil de tweede voorstelling ook zien.’
De directeur zei: ‘Wat heeft dat voor zin? U heeft het al gezien.’
Hij zei: ‘Dat gaat u niets aan. Hier is het geld voor een kaartje. Ik ga hier niet weg.’

Hij bleef naar de tweede voorstelling kijken en de directeur dacht bij zichzelf: ‘Wat gaat er na de tweede voorstelling gebeuren?’ Hij ging weer kijken, iedereen was al weg maar die man zat er nog steeds, want er zou nog een derde voorstelling komen.
De directeur zei: ‘Wilt u de derde voorstelling nu ook zien?’
Hij zei: ‘Ja. Hier is het geld.’
De directeur zei: ‘Maar u hebt het al twee keer gezien!’
Hij zei: ‘U snapt er ook niets van. Er is een scène waar een mooie vrouw zich staat uit te kleden. Ze staat op het punt om naakt in een mooi meer te springen om te gaan zwemmen. Net op dat ogenblik komt er een trein voorbij en die trein vormt een gordijn. En als die trein voorbij is ligt de vrouw al in het water.’
De directeur zei: ‘Maar ik snap het nog steeds niet.’
De man zei: ‘Waar het om gaat is dat die trein vast een keer te laat komt!’
 
Nu is die geprojecteerde film in zijn hoofd werkelijkheid geworden. Hij is ermee geïdentificeerd. Het is geen film meer, hij maakt er deel van uit. Hij wacht niet, hij kijkt niet, hij doet eraan mee…
De toeschouwer staat boven de mind. De toeschouwer maakt nooit deel uit van de mind. De mind is net als een tv-scherm waarop gedachten, dromen, verbeelding, projecties, verlangens en duizend-en-één dingen voorbijkomen. De toeschouwer zit niet op het scherm, hij zit in de bioscoopzaal. Maar het probleem doet zich voor als de toeschouwer geïdentificeerd raakt met iets op het filmscherm.
Je hebt jezelf vast wel eens soms zien huilen, soms zien lachen, soms verdrietig zien worden… en je weet heel goed dat er niets op het scherm is. Dat is leeg en alles wat je ziet is alleen maar een projectie, gewoon een film die door licht geprojecteerd wordt.
 
Osho: The Hidden Splendor, p. 281.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti.
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com
Image by Andreas Glöckner from Pixabay.

Vorige verhalen


Ryokan vergeet eten te halen

 


De gepensioneerde chirurg

 


De timmerman en het tafeltje voor de koning

 


Het goddelijke heeft zich verstopt

 


Als de oceaan in de dauwdruppel verdwijnt

Ryokan vergeet eten te halen

Elk moment zit zo vol met zegeningen.

Laatst las ik op een avond een kleine anekdote over een groot zenmeester, Ryokan.
Hij woonde in de bergen in een klein hutje. Een andere zenmeester logeerde bij hem. De hele dag ging voorbij met praten over poëzie, schilderen, beeldhouwen, muziek en ze waren allebei het eten vergeten. Hij moest om zijn kostje in de stad gaan bedelen. Tegen de avond kwam hij erachter. Hij zei: ‘Het spijt me, voor mij maakt het niet zoveel uit, ik ben dat wel gewend. Soms vergeet ik het. Maar jij zit hier met honger, daarom ga ik er onmiddellijk op uit om wat te zoeken voordat de zon ondergaat.’

   Het berghutje van de zenmeester en -dichter Ryokan.
Dus haastte hij zich de berg af om naar eten in de stad te gaan zoeken en zijn vriend zat daar maar te wachten, het duurde wel drie uur. Niets te zien… en hij had zo’n honger dat hij het huis uit ging – wat is er toch gebeurd? Een ongeluk misschien?
Toen kon hij zijn ogen niet geloven: Ryokan zat buiten het huis onder een boom, met zijn ogen dicht, met een gelukzalige blik in zijn ogen, nieuwe haiku’s, nieuwe gedichten te prevelen – bijna te fluisteren.

De gast ging naar hem toe, schudde hem door mekaar en vroeg: ‘Hoe zit dat nou met het eten?’
Ryokan zei: ‘Mijn god! Toen ik de zon onder zag gaan was dat zo mooi dat ik niet weg kon gaan bij deze boom. Van deze boom uit gezien is de zonsondergang een gouden ervaring. Ik was maar even blijven staan maar de zonsondergang en de schoonheid ervan hadden zo’n indruk op me gemaakt dat ik het eten en jou helemaal ben vergeten! Maar hier heb je een paar prachtige haiku’s…’
De gast zei: ‘Maar ik heb niets aan die haiku’s. Met zo’n honger kan ik niet slapen.’
Ryokan zei: ‘Wacht even, ik ga wel. Misschien vind ik wel iets, ook al is het laat.’

En hij haastte zich de heuvel af naar het dorp. De gast lag de hele nacht te woelen en te draaien en kwam er steeds weer uit om te zien waar Ryokan bleef. ’s Morgens vroeg, toen de zon opkwam, ging de gast weer naar buiten – hij had geen oog dichtgedaan. Ryokan zat weer onder dezelfde boom – te glimlachen, heen en weer te wiegen en te prevelen.

De gast zei: ‘Hoe zit het nou met het eten?’
Ryokan zei: ‘Mijn god! Toen ik onderaan de heuvel aankwam lagen de mensen te slapen en het was een vollemaansnacht… je kunt je wel in mij indenken en mij vergeven. Ik was het eten helemaal vergeten. Ik zat me eigenlijk af te vragen, toen de zon opkwam: wat doe ik hier? Dus ben ik weer teruggekomen naar mijn boom waar zowel de zonsondergang als de zonsopgang zo’n goddelijke glans hebben.

De gast zei: ‘Jij wordt nog mijn dood! Ik ga weg.’
Ryokan zei: ‘Maar luister op zijn minst naar die paar haiku’s van mij. Ze zijn eigenlijk niet van mij. Sommige zijn door de volle maan gegeven, sommige door de opkomende zon, sommige door de vogels die in de bomen zitten te zingen. En het leven is zo rijk geweest en het gaf me zoveel voldoening dat ik ook maar geen moment aan eten heb gedacht.’
De gast vertrok. Hij zei: ‘Je lijkt wel krankzinnig!’

‘Herfst’
Ryokan (良寛大愚) (1758-1831).
 
Elk moment zit zo vol met zegeningen,
elk moment is zo’n eeuwigheid van vreugde,
elk moment is zo’n dans van schoonheid.

 
Osho: The Hidden Splendor, p. 115-116.

Uit de serie 1001 verhalen, verzameld door Shanti.
Eerder verschenen in het Engels in Osho News, www.oshonews.com
Afbeeldingen: 
https://s-media-cache-ak0.pinimg.com/736x/91/92/db/9192db694741e35ffebd727ae85cc94d.jpg
https://silverbirchpress.files.wordpress.com/2012/10/800px-qian_xuan_-_early_autumn.jpg

Vorige verhalen


De gepensioneerde chirurg

 


De timmerman en het tafeltje voor de koning

 


Het goddelijke heeft zich verstopt

 


Als de oceaan in de dauwdruppel verdwijnt

 


De aartsbisschop aan de poort van de hemel